Zaterdag
10 september Pisac
Wat doe je als het
om 6 uur donker is? Je eet nog wat en dan ga je naar bed. We slapen dus vaak
van 8 tot 6. Ook vandaag en dus zitten we om 7 uur in de bus naar Pisac. In
Urubamba moeten we overstappen. Dat gaat bijna mis. De bus is nog vrijwel leeg
en zal dus nog lang niet vertrekken (denken we). Tijd om groot geld in klein
geld te wisselen en wat fruit en water te kopen. Als we weer buiten komen is de
bus weg! En onze rugzakken zitten er al in… Gelukkig neemt de bijrijder de moeite
om ons te zoeken. Anders hadden we een taxi moeten nemen om de bus weer in te
halen.
Pisac heeft een
belangrijke ruïne. Je kunt er vanuit het dorp naar toe klimmen. Circa 400 m
omhoog. Daar beginnen we om 9:30 u aan en een uur later zijn we boven. De
ruïnes zijn voor ons alleen. Dat duurt niet lang, want je kunt er ook met de
bus komen. En om 11 uur stroomt het toe. Dat blijkt uren later overigens ook
wel weer mee te vallen. Heel erg veel bussen komen er niet.
|
|
|
|
Hier is de
zonnetempel met mooie voorbeelden van steenconstructies en nissen. We vinden
het oorspronkelijke aquaduct, dat inmiddels is vervangen door een plastic buis.
Maar het is nog wel te volgen en dat doen we. Dit brengt ons in een nauwe
vallei waar aan de overkant in de steile bergwand allemaal graven zijn
gemetseld. Ze zijn allemaal opengebroken. Het pad is ruis en we voelen ons al
in de absolute verlatenheid als we op eens in een aangrenzend deel van de
ruïnes staan.
Wel aardig is dat
we daardoor wat achtergrond fluitmuziek hebben als we verder op de bergflank
lunchen. We lopen nog een kwartier bergop en dan opeens is de steile helling
over en staan we op bebouwd land met in de nabijheid wat hutjes. Twee mannen
zijn met drie ezels bezig om stengels van iets rietachtigs fijn te stampen. Ons
Spaans is te beperkt om uitleg te vragen. Na nog een kwartier krijgen we het
advies door te lopen naar ‘het meer’. Anderhalf uur nog. Dat blijkt inderdaad
1½ uur stijgen te zijn. Ondertussen sluit een
|
|
5 jarig jongetje
zich bij ons aan – Wilbert. Hij heeft geen moeite om ons tempo bij te houden.
En ondertussen maakt hij van een stuk plastic en wat rietstengels een vlieger.
Wat voor toeristen komen hier overigens, dat de geitenmeisjes vragen of ze met
ons mee zulle gaan? De huizen hebben hier niet langer glas in de ramen maar
plastic. Het meer is zo’n 1200 m hoger dan Pisac en ligt in de caldera van een
vulkaan. Het staat vol biezen en is bijna leeg. Maar goed dat het regenseizoen
voor de deur staat. In een rap tempo lopen we in 2 uur terug naar Pisaq.
Ons hostel –
Flavia’s Place – wordt gerund door Geovanne, 28 jaar, spreekt goed Engels,
schat van een meid. ’s Avonds nemen we haar mee uit eten; ze zal ons een lokale
eettent laten zien. Lokaal inderdaad. En in een dorp van 1000 man zegt dat
genoeg. Iedereen eet hetzelfde: soep met spaghetti erin en daarna kip met
rijst. Maar de keuken is ook goed in staat om forel te bakken en bij de beuren
hebben ze bier. We lachen heel wat af met z’n drieën.
Het hostel ligt
overigens op de drukste hoek van het dorp en oordopjes zijn ’s nachts een must.