| |
|
Mag. Dr. Jan H.
Walgrave O.P.
Dominicanenklooster
Leuven
OTTO, RUDOLF (1869-1937),
Duits lutheraans theoloog,
studeerde te Erlangen en te Göttingen en werd later professor
te Marburg.
Opgevoed in het lutheraans piëtisme, werd het denken van
Rudolf Otto enerzijds positief bepaald door de theorieën
van Fr. Schleiermacher en A. Ritschl over het religieus gevoel,
door de zeer intellectualistische godsdienstwijsbegeerte die J.
F. Fries in aansluiting bij Kant had uitgewerkt en waaraan Rudolf
Otto zijn eerste grote wijsgerige studie wijdde, tenslotte door
de meer historische en concrete benadering van het religieus verschijnsel,
zoals vooral E. Troeltsch op klassieke wijze had beoefend; negatief
werd zijn denken bepaald door zijn stellingname tegen het naturalisme
en tegen de Völkerpsychologie van W. Wundt.
Zijn hoofdbekommernis was echter niet gericht op de wijsbegeerte,
noch op de vergelijkende godsdienstwetenschap, die hij zo meesterlijk
beoefende, maar op de theologische verheldering van sommige christelijke
categorieën, vooral de verzoeningsgedachte. Rudolf Otto is
vooral bekend door zijn theorie over de religieuze kennis, die
hij in zijn meesterwerk, Das Heilige, ontwikkelde. De religieuze
ervaring is een activiteit sui generis. Zij behelst:
Ten eerste een onmiddellijk emotioneel vatten van het religieuze,
onderscheiden van het zedelijke, esthetische en intellectuele.
Ten tweede. een religieuze waardering en interpretatie
van het menselijk leven
Ten derde een intuïtief gewaar zijn van iets eeuwigs
in de dingen boven datgene wat de exacte wetenschap er van bereiken
en ontleden kan. In het gevoel van het "numinosum" heeft
die ervaring haar onmiddellijke emotionele uitdrukking. De categorie
van het "Heilige" geeft daarvan een gemediatiseerde
formulering in termen van waarde. De religieuze mythe of "Ideogramm"
vormt een conceptuele, maar noodzakelijk symbolische uitdrukking
van de inhoud.
Zo wordt de religieuze ervaring "geschematiseerd" (in
de zin van Kant & Fries) door ethische en rationele voorstellingen.
De sensus numinosus wordt op deze wijze de complexe categorie
van het Heilige. Het ervaringsmoment "tremendum" wordt
geschematiseerd door de ethische begrippen van rechtvaardigheid
en zedelijk willen en verschijnt als Gods "heilige toorn".
Het fascinosum, geschematiseerd door de begrippen van goedheid,
barmhartigheid en liefde, wordt de "genade van God".
Het mysterieus karakter van het numineuze, geschematiseerd door
de begrippen van absoluutheid en transcendentie, ontvangt in zich
en transformeert, in de zin van het "gans andere", de
rationele attributen van God.
Rudolf Otto noemt de religieuze ervaring "irrationeel".
Dit suggereert, dat het conceptuele denken iets emotioneels a.h.w.
overschrijft in een medium, dat aan de oorspronkelijke ervaring
vreemd is, en dat die transcriptie niet in een relatie van waarheid
tot die ervaring staat. Dit werd terecht bekritiseerd en is waarschijnlijk
Rudolf Otto's eigenlijke bedoeling niet. De religieuze ervaring
is een echte kennis, en wel de hoogste, maar om reden van haar
onoverwinbaar mysterieus karakter blijft die kennis verheven boven
de theoretische en praktische rede in kantiaanse zin. Zij onttrekt
zich aan de adequate greep van het conceptueel denken. Irrationeel
wil dus zeggen 'buitenredelijk'.
Rudolf Otto heeft het religieus moment van de ervaring aan de
bron te absoluut gescheiden van de esthetische, zedelijke en rationele
ervaringsmomenten. Hij zegt wel dat er ook een a priori-eis van
synthese is, maar kan die synthese wel meer zijn dan een weefwerk
van heterogene factoren, als de eenheid niet al in de ervaringsbron
aanwezig is? Vooral de Angelsaksische kritiek heeft daar sterk
op aangedrongen. Door bepaalde wijsgerige vooronderstellingen
werd Rudolf Otto verhinderd helder en consistent een eis te rechtvaardigen
en door te voeren, die hij met zijn fijne zin wel aanvoelde. Op
dit punt blijft hij beneden de strenge, voorzichtige ervaringsbeschrijvingen
van John-Henry Newman (1801-1890). Het mysterieuze, dat tenslotte
het goddelijke is, moet als een ervaringsfactor worden beschouwd,
die alles in zich betrekt wat het louter vaststelbare te boven
gaat. De conceptuele ongeschiktheid van het religieuze denken
is slechts de hoogste uiting van een ongeschiktheid, die het gehele
denken kenmerkt en die de waarheidsrelatie tussen het denken en
de ervaring niet te niet doet.
Op theologisch gebied heeft het laatste grote werk van Otto.,
Reich Gottes und Menschensohn, een niet geringe betekenis.
In dit meesterwerk van vergelijkende, historische godsdienstwetenschap,
toegepast op de kernvraag van het historisch evangelie, overwint
hij op fijnzinnige wijze de eenzijdigheden van Harnack, A. Schweitzer
e.a. Het rijk Gods omvat in diepe eenheid en spanning een hemels
en een aards, een historisch en een eschatologisch moment. Hij
aanvaardt echter niet dat het aardse moment van het rijk Gods
in Christus' gedachte met de kerk samenviel, maar de ontwikkeling
van rijk Gods tot kerk voltrok zich op natuurlijke en noodzakelijke
wijze in de reflexie van de eerste christenen.
Werken:
Die Anschauung vom H.
Geiste bei Luther (Göttingen
1898);
Naturalistische und religiöse Weltansicht (Tübingen
1904);
Kantisch-Fries'sche Religionsphilosophie;
Das Heilige (Breslau 1917);
Aufsätze das Numinose betreffend (Gotha 1923) later
aangevuld en heruitgegeven in twee werken:
Das Gefühl des Überweltlichen, en:
Sünde und Urschuld (München 1932);
West-Östliche Mystik (Gotha 1926);
Die Gnadenreligion lndiens und das Christentum (1930);
Gottheit und Gottheiten der Arier (Giessen 1932);
Reich Gottes und Menschensohn (München 1934);
Freiheit und Notwendigkeit (1940).
Hij publiceerde ook liturgische werken, vertalingen en heruitgaven.
Literatuur:
A. A. Lemaitre, La pensée
religieuse de Rudolf Otto (Lausanne 1924);
H. Frick, Ideogramm, Mythologie und das Wort, Marburger
theol. Studien 3 (Gotha 1931);
Th. Siegfried, Grundfragen der Theologie bei Rudolf Otto,
(1931);
J. M. Moore, Theories of Religious Experience (New York
1938);
R. F. Davidson, Rudolf Otto's Interpretation of Religion (Princeton
1947).
De eenzijdige rationele
en de eenzijdige ethische opvatting van de godsdienst zijn bij
alle richtingen te vinden. Maar uiteraard is het gevaar voor verrationalisering
van de religie groter waar het geloof zich aan een leerstelsel
bindt, en zal je het meest de verethiseerde godsdienst vinden
waar de strijd tegen leerstellige godsdienstigheid wel tot religieuze
moraal in denken en leven, maar nog niet tot warmer, vaster en
helderder "geloof des harten" heeft geleid.
Hierbij kan ook opgemerkt worden, dat beide eenzijdigheden, waardoor
het diepste en wezenlijk religieuze niet tot zijn recht komt,
niet alleen bij populaire of lekenbeschouwingen over de godsdienst,
maar net zo goed bij theologen te vinden zijn. Bij de orthodoxen
komt de eenzijdige rationele opvatting het meest voor en leidt
dan tot dogmatisme. Bij de vrijzinnigen leidt het tot rationalisme
en de eenzijdige ethische opvatting leidt tot ethisch-modernisme.
Beide theologische eenzijdigheden bevorderen weer de religieuze,
waaruit zij zijn voortgekomen. Een noodlottige cirkel, waaraan
alleen te ontkomen is door dieper en voller religieus leven, dat
op zijn beurt door helderder inzicht in het wezen van de religie
bevorderd kan worden en dan tot bovenpartijdige geestesgemeenschap
kan voeren.
Voor theologen is in dit opzicht zeer leerzaam het boek van R.
Otto, Das Heilige.
Dr. H. Y. Groenewegen
(1862-1930)
Remonstrants Semnarium, Leiden
Ethische richting,
stroming in de Nederlandse
Hervormde Kerk, opgekomen ca. 1850 onder leiding van D. Chantepie
de la Saussaye, N. Beets en J.J. Doedes. De aanhangers noemden
zich ethisch-irenischen. Irenisch waren zij, omdat zij niet als
een partij in de Kerk wilden strijden. Ethisch heette hun theologie,
omdat volgens deze richting de waarheid die God aan de mens mededeelt
vóór alles van ethische waarde is. De stroming had
tot in het begin van de 20ste eeuw grote invloed.
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |