|
|
H. Kraemer, Godsdienst, Godsdiensten en het Christelijke Geloof, Nijkerk 1958
Hendrik Kraemer
(1888)
studeerde in
Leiden Oosterse
talen. Tot 1937
werkte hij in
Indonesië. De
wetenschappelijke
neerslag vindt
men in zijn
boek The
Christian
Message in a
non-Christian
World
(1938). In 1946
is hij benoemd
tot directeur
van het
Oecumenisch
Instituut op
Château de
Bossey,
Celigny,
Zwitserland.
Door zijn
kennis van de
Aziatische
wereld én door
zijn scherpe,
inspirerende
geest is hij
een typisch
internationale,
missionaire
figuur. Kraemer
had een
beslissende
invloed op de
ontwikkeling
van Johan H.
Bavinck.
"...Volledige
handhaving van
het unieke
karakter van de
christelijke
openbaring als
Gods
soevereine,
toenaderende
handeling,
hetgeen zeggen
wil dat er geen
bruggen zijn
van menselijk
religieus
geweten naar de
realiteit van
Christus en dat
het exclusief
Gods genade is
en geen
menselijke
bijdrage of
geschiktheid in
wat voor
opzicht ook,
met als
resultaat 'het
afvallen van de
oogkleppen'"
(H. Kraemer,
The Christian
Message in a
non-Christian
World,
p.132)
DE RESULTATEN
VAN HET MODERNE
WETENSCHAPPELIJKE
ONDERZOEK
DE KRITIEK VAN
RUDOLF OTTO
Naast de
ambivalentie
van de
godsdienst als
concrete factor
in het leven
van de mens
staat het
waardevolle
inzicht in de
realiteit van
de godsdienst,
dat het
resultaat is
geweest van een
nauwgezet en
van inzicht
getuigend
onderzoek. Er
zijn
voorbeelden van
resultaten, die
tot een
vertekend beeld
leidden, zoals
de conclusies
over de
oorsprong en de
betekenis van
de godsdienst,
waartoe een
groot man als
Freud is
gekomen. We
beperken ons
tot enkele
resultaten,
waartoe de
godsdienstwetenschap
is gekomen.
Met name willen
we de aandacht
vestigen op
Rudolf Otto,
die een scherp
en zuiver
gevoel had voor
belangrijke
overeenkomsten,
welke de
verschillende
godsdiensten op
hun hoogste
ontwikkelingspeil
vertonen, maar
niet minder
voor hun
onderlinge
verschillen. De
arbeid van Otto
zou men een
gelouterde vorm
van
vergelijkende
godsdienstwetenschap
kunnen noemen.
In
West-östliche
Mystik
vergelijkt Otto
de grootste
Indische
vertegenwoordiger
van de
kosmisch-onpersoonlijke
vedanta-mystiek,
Shankara met de
grootste
speculatieve
mysticus in de
christelijke
middeleeuwen,
meester
Eckhart. In
Die
Gnadenreligionen
Indiens und das
Christentum
worden twee
richtingen, die
de nadruk
leggen op
vroomheid van
gemoed en op
een leven dat
daarmee
overeenstemt,
vergeleken.
Beide werken
hebben dezelfde
ondertitel:
Vergleich und
Unterscheidung
(overeenkomst
en verschil).
De
overeenkomst,
die Otto
aantoont tussen
Shankara en
Eckhart, is
groot. De
metafysische
achtergrond, de
exclusieve
realiteit van
God, het
zuivere
absolute zijn
(esse) en de
identiteit van
God en ziel (Brahman-Atma)
zijn bij beide
praktisch
dezelfde. Beide
willen een weg
ter verlossing
aantonen in de
vorm van een
consequente
leer van de
algemene
eigenschappen
van de dingen.
Zij maken
hetzelfde
onderscheid
tussen een
lagere en een
hogere vorm van
godskennis: de
eerste is een
verhouding tot
een als persoon
opgevat God, de
tweede het
één-zijn met
het
onpersoonlijk-bovenpersoonlijke
goddelijke.
Shankara heeft
in zijn
ontologische
stelsel een
theïstische
onderbouw
opgenomen,
welke volop
ruimte laat
voor een
houding van
geloof en
persoonlijke
vroomheid. Zijn
stelsel
cumuleert in de
alles
verterende
visie van een
eenheid van
wezen tussen
God en de ziel,
welke alle
rationele en
zedelijke
onderscheidingen
verre achter
zich laat.
Hoewel de
termen
uiteenlopen,
vinden we
dezelfde
structuur terug
bij Eckhart.
Zowel Shankara
als Eckhart
brengen een
synthese tot
stand tussen
een persoonlijk
theïsme en een
radicale
mystiek. Er
blijkt een
verbazingwekkende
overeenkomst in
de geestelijke
visie bij twee
figuren, die zo
volkomen
uiteenlopen wat
betreft
herkomst,
geestelijke
achtergrond en
godsdienstig
milieu.
Toch zijn er
belangrijke
verschillen. In
Otto's eigen
woorden:
Wenn man ins
Innere zu
dringen weiß,
ist dann doch
der Geist und
damit das Wesen
der Sache nicht
dasselbe.
Christus ist
nicht 'im
Grunde
dasselbe' wie
Krishna oder
wie der Heiland
Amida der
grossen
japanischen
Buddhaschulen
(Wanneer men
tot de diepste
kern
doordringt, is
toch de geest,
en daarmee het
wezen van de
zaak, niet
hetzelfde.
Christus is
uiteindelijk
niet dezelfde
als Krishna of
als de heiland
Amida van de
grote Japanse
scholen van het
boeddhisme).
Ebensowenig
aber ist Mystik
'im Grunde
dasselbe' in
Ost und West
(Evenmin echter
is de mystiek
in het Oosten
en het Westen
uiteindelijk
identiek).
Van de
verschillen
noemen wij
hier: de
opvatting van
het 'absolute
zijn' is bij
Shankara
statisch, bij
Eckhart
daarentegen
dynamisch; het
denken van
Shankara
kenmerkt zich
door koel
rationalisme,
dat van Eckhart
evenwel door
laaiende
hartstochtelijkheid.
De
overheersende
tendens bij
Shankara gaat
in de richting
van een
contemplatief
quiëtisme,
terwijl bij
Eckhart de
spanning tussen
vrome
overdenking en
een uit een
gevoel van
verantwoordelijkheid
actief
ingrijpen in
het leven groot
is. De mystiek
van Shankara
wordt beheerst
door een intens
verlangen naar
Leidlosigkeit
(vrij zijn van
lijden),
terwijl Eckhart
ook op zijn
hoogste
hoogtepunten
van mystiek
denken en
mystieke extase
blijft hunkeren
naar goddelijke
genade,
heiligheid en
rechtvaardiging.
In Die
Gnadenreligionen
Indiens und das
Christentum
worden niet
twee vormen van
mystiek
vergeleken,
maar twee typen
van piëtisme.
Want dáár gaat
het om in dit
boek. Volgens
Otto zijn
niettegenstaande
de grote
psychologische
en theologische
overeenkomst
tussen de
indische en de
christelijke
bhakti de
assen (zoals
hij ze noemt)
van de Indische
en de bijbelse
vroomheid toch
totaal
verschillend.
Zozeer lopen
zij uiteen, dat
de feiten ons
niet het recht
geven om beide
vormen van
godvruchtigheid
tot elkander te
plaatsen in een
verhouding van
voorbereiding
tot het
evangelie en
vervulling
daarvan. Otto
beroept zich
hier op de
ervaring van
Indische
bhakti's
(piëtistische
mystici), die
tot Christus
werden bekeerd,
en verklaarden,
dat zij in een
absoluut andere
wereld waren
gekomen. Na
zorgvuldig
onderzoek wijst
hij op de
overeenkomsten,
maar formuleert
dan het
verschil als
volgt: het
christelijk
geloof is in
zijn diepste
wezen een
godsdienst van
het geweten (Gewissensreligion),
terwijl de
Indische bhakti
dit louter
toevallig is.
India heeft in
de bijbelse
betekenis van
het woord nooit
de zwaarte van
de zonde
gekend. Daarom
heeft zijn
genade-ervaring
en zijn
jubelende
lofzang daarop
geen weet van
de kern van de
'blijde
boodschap' in
het evangelie,
namelijk dat de
soevereine
genade van god
een daad van
verzoening is,
het herstel (op
initiatief van
God: 'Adaam,
waar zijt
gij?') van de
verbroken
verhouding
tussen God en
mens.
In zijn
Vischnu-Narayana,
Texte zur
indischen
Gottesmystik
(Jena, 1917)
merkt Otto op,
dat de meeste
aanhangers van
de
verschillende
godsdiensten
zich amper
bewust zijn van
de originele
inhoud van hun
eigen
godsdienst, en
in feite
tweedehands
godsdiensten
aanhangen en
daaruit leven.
Otto spreekt in
dit verband van
een religio
publica,
waarvan de
vormen, overal
ter wereld,
veel met elkaar
gemeen hebben.
En toch is er
voor de
gelijkenis van
de verloren
zoon volgens
hem geen plaats
in de Bhagavad
Gîtâ, noch voor
de daarin
aanbevolen
bhakti in
de koran, en
evenmin voor de
Fatiha
(het
openingsvers
van de koran)
in het Nieuwe
Testament.
Iedere
godsdienst is
een levende
eenheid op
zichzelf.
Deze
voorbeelden uit
de werken van
een van de
grootste
geleerden laten
zien, dat de
godsdienstwetenschap,
wanneer zij met
oordeel des
onderscheids
wordt
toegepast, ons
een bezonken
inzicht in de
godsdienst kan
schenken.
Blijft
uiteraard de
vraag of Rudolf
Otto, met name
in zijn
West-östliche
Mystik,
inderdaad het
juiste
evenwicht heeft
gevonden tussen
overeenkomst en
verschil. Deze
vraag opent een
principiële
discussie over
de mystiek als
een van de
grote
representatieve
typen van
godsdienst, en
over de
christelijke
mystiek in het
bijzonder. In
laatste
instantie zou
een dergelijke
gedachtenwisseling
neerkomen op
een principiële
kritiek op de
beroemd
geworden en
uiterst
vruchtbaar
gebleken wijze,
waarop Otto het
vraagstuk van
de godsdienst
heeft benaderd.
In laatste
instantie was
het hem daarbij
te doen om de
zuiver
psychologische
wijze van
benadering en
interpretatie
van de
godsdienst te
boven te komen.
Hij is daar
m.i. niet
volledig in
geslaagd,
aangezien hij
zich te
uitsluitend
blijft
concentreren op
zijn poging het
specifieke
karakter van de
godsdienstige
ervaring te
definiëren, en
de
godsdienstige
categorie a
priori
nader te
bepalen, welke
hij in Das
Heilige met
zijn
mysterium
tremendum et
fascinosum
meende te
hebben ontdekt.
We geven
volmondig toe,
dat Otto in
deze richting
subliem werk
heeft gedaan.
Hij duidt
echter deze
godsdienstige
categorie a
priori aan
met het begrip
Ahnung
(voorgevoel,
vermoeden) en
drukt dit in
het Latijn uit
met nisus
of met
sensus numinis.
Voor brede
terreinen van
de
godsdienstige
ervaring is dit
inderdaad zeer
verhelderend.
Maar wanneer
hij in deze
Ahnung ook
divinatie wil
zien van de
'Zoon' Jezus
Christus,
blijkt toch,
dat zijn manier
van benaderen
van de zaak
niet geheel
recht kan doen
wedervaren aan
de bijbelse
godsdienstige
wereld, waarin
de centrale
godsdienstige
categorie bij
uitstek voor de
mens het
geloof is.
Dit 'geloof' is
evenwel van een
andere
categorie, die
soms wel
divinatie kan
insluiten en
zelfs doen
ontstaan, maar
nooit onder de
categorie
'divinatie' kan
worden
ondergebracht,
aangezien dit
vóór alles een
psychologische,
fenomenologische
en esthetische
soort is. Otto
diepte dit niet
verder uit
omdat hij de
grenzen van de
godsdienstwetenschap
niet te buiten
wilde gaan, en
deze zich
beperkt tot de
godsdienst als
menselijke
factor. Voor
het vervullen
van deze taak
bleek Otto te
beschikken over
een grote mate
van
invoelingsvermogen
voor het
mystieke
godsdiensttype,
en ook voor het
christendom.
Wanneer je het
streven van de
mens, om zich
geestelijk te
uiten, beziet
van het
standpunt van
de
godsdienstwetenschap,
kan men slechts
tot de
conclusie
komen, dat alle
godsdiensten,
filosofieën en
wereldbeschouwingen
pogingen zijn
van de mens om
de totaliteit
van het bestaan
te vatten;
dikwijls
ontroerend in
hun
verhevenheid,
maar even vaak
pathetisch en
stuitend in hun
tekortschieten.
Omdat deze
pogingen in hun
veelvuldige
verscheidenheid
zonder
uitzonderingen
pogingen van
mensen
zijn, is het te
begrijpen, dat
er in alle
godsdiensten
een
verbazingwekkende
mate van
overeenkomst
moet bestaan op
het punt van
aspiraties,
ideeën,
instellingen,
symbolen,
intuïties en
dwalingen,
ondanks niet
minder grote
verschillen ten
gevolge van
verschil in
ervaring,
levensomstandigheden,
psychische
structuur,
accent, streven
en
allerlaatste,
doorslaggevende
uitgangspunten.
HET
ONHERLEIDBARE
FEIT VAN DE
GODSDIENST
Rudolf Otto
heeft het
onherleidbare
karakter van
het
godsdienstige
bewustzijn
kernachtig
uitgedrukt in
de woorden:
Religion fängt
mit sich selber
an (de
godsdienst
begint met
zichzelf). Dit
was het laatste
oordeel van
Otto na zijn
serieuze poging
om de
godsdienst met
behulp van de
psychologie te
begrijpen en
dit is
misschien het
verstandigste
wat men ervan
kan zeggen. Het
is een verkapte
bekentenis, dat
de godsdienst
nooit geheel
bevredigend kan
worden
verklaard uit
zijn subject,
de mens.
Dostojewski,
die met zijn
profetische en
visionaire
gaven
ongetwijfeld
meer oog had
voor het
mysterie van de
godsdienst dan
de meeste
wijsgeren en
psychologen,
zegt in een van
de vele
visionaire
passages in
De Idioot:
Het wezen
van het
godsdienstige
gevoel ontsnapt
aan elk
verstandelijk
redeneren... Er
is altijd iets
ongrijpbaars
in, dat
ontoegankelijk
blijft voor
welk
atheïstisch
argument ook.
Een
wetenschappelijke
poging tot
begrijpen, die
de godsdienst
opvat als een
zaak van
betekenis voor
het leven van
de mens, en
deze niet
wegpsychologiseert,
moet wel tot
zo'n conclusie
komen.
Quiëtisme (quies, rust) is een meestal met mystieke trekken verbonden religiositeit die tegenover het dorre dogmatisme ontstond en 's mensen hoogste geluk en bestemming vond in volstrekte rust en de uitschakeling van iedere religieuze activiteit, zodat God bezit van de ziel kan nemen: zo zal het persoonlijke leven zich kunnen oplossen in God. Het is een verschijnsel van alle tijden: zo deed het zich o.a. voor in een mystieke stroming van het oosters christendom in de 5e eeuw. In het protestantisme vindt men vormen van quiëtisme bij piëtistisch en mystiek gezinde groepen als de Labadisten en de aanhangers van Gerhard Tersteegen (1697-1769), een Duits protestants mysticus, oorspronkelijk koopman en lintwever en daarna pastor. Zijn brieven bevatten vele interconfessionele elementen. Hij schreef biografieën van mystieken, w.o. heiligenlevens. In de kerkelijke gezangbundels komen talrijke door hem gedichte liederen voor.
Piëtisme
(pietas,
vroomheid) is
een binnen het
Calvinisme
begonnen
geloofsbeweging,
die in het
Lutherdom haar
grootste
expansie
bereikte. Het
verweerd zich
tegen dorre
leerstellige
prediking en
tegen het
uiterlijk-voor-waar-houden
van de
belijdenis en
tegen de
slapheid van
zeden der
kerkelijken. De
piëtisten
vragen om een
positief
beleven van het
geloof met het
hart, mond en
daad. Piëtisten
betonen zich
ijverige
zielzorgers,
stimuleerden
opwekkingsbewegingen
en produceerden
christelijke
liederen in
overvloed. Het
piëtistische
zuurdesem heeft
tot in de 20e
eeuw de
zendingswetenschap
doortrokken.
Aan het gevaar
van geestelijke
hoogmoed
ontkwamen de
piëtisten niet
als zij zich de
'ware
Christenen'
voelden.
Bhakti is de hindoeterm voor persoonlijke aanbidding en liefde voor god. Er zijn vijf graden, of 'smaken': rustige contemplatie, actieve dienst, vriendschap, gehechtzijn aan het gezin, hartstochtelijke liefde. Belangrijke bhakti-oefeningen zijn sjarvavana, het luisteren naar lofprijzingen van God en het lezen van de geschriften; kirtana, het zingen van de lof van God en smavana, het herhaald uiten van de naam van God, waarvoor de zonden 'vluchten als wolven afgeschrikt door een leeuw', en dat leidt tot het verlies van het zelf in vervoering.
Divinatie wordt doorgaans gebruikt in de mantiek ('waarzeggerij') en duidt dan aan een bijzonder psychisch vermogen om langs niet-rationele weg tot het wezen der dingen 'schouwend' door te dringen. Onder de term verstaat men thans echter veelal (zo met name Rudolf Otto in navolging van Schleiermacher en fries) het religieuze kenvermogen, waarmee de mens gebeurtenissen en personen zou kunnen zien als 'tekenen' en 'openbaringen' van het goddelijke en het heilige.