| |
|
Tegen het einde van de 19e eeuw treden verschillende mensen op, die zich met het mystieke leven bezighouden en dit ook in hun geschriften tot uiting brengen. In Engeland zijn dit o.a. Evelyn Underhill (Mysticism), Dom Cuthbert Butler (Western Mysticism) en in Duitsland Rudolf Otto (Das Heilige; West-Östliche Mystik).
'Daar is al een, en een in al.
Daarin ligt de louterheid der ziel, dat zij gelouterd is van een
leven dat verdeeld is, en treedt in een leven dat verenigd is.
Al wat verdeeld is in lagere vormen, dat wordt verenigd, zodra
de (schouwende) ziel opklimt tot een leven waar geen tegenstelling
is. Wanneer de ziel komt in het licht van het ware inzicht, zo
kent zij geen tegenstelling meer.'
(Eckhart bij R. Otto,
West-Östliche Mystik, blz. 60.)
Dr. W. J. Aalders bepleit en verdedigd in zijn ene grote
werk Mystiek, dat men niet langer, ook in de kringen
van de kerk, de mystiek verwaarlozen zal, dat er ook mystieke
krachten openbaar worden in het evangelie.
Aalders vermeldt de onderscheiding die Rudolf Otto maakt
in zijn West-Östliche Mystik, tussen 'der weg nach
Innen' en 'der weg der Einheitsschau'. Dat wil zeggen die vorm
van mystiek, die de veelvormigheid van het leven volkomen wil
achterlaten, en die andere vorm, die het geheel van de wereld,
of van de mensheid, wil zien als een eenheid-in-God.
Aalders,
W.J.: Mystiek: haar vormen, wezen, waarde, Groningen 1928
Dr. G. L. Dalfsen begint het hoofdstuk over mystiek in
haar boek Het Inwaarts Licht bij de Quakers,
in het bijzonder bij Barclay, met de opmerking dat een
bevredigende definitie van mystiek niet te geven is omdat 'de
mystiek dieper ligt dan de verschijnselen en vatbaarheid van de
menselijke geest'. Zij sluit zich grotendeels aan bij Rudolf
Otto, die de mystiek kenmerkt als 'overspanning van de irrationele
elementen in het geloof'. Zij zegt dan verder: 'De psychologische
zelfobservatie van daartoe competente mystici, gepaard aan de
indruk die hun persoon op hun omgeving maakt, wijst uit, dat in
de mystiek zich een innerlijke wedergeboorte voltrekt die onlosmakelijk
is verbonden aan een morele loutering en een voortgaande zelfverloochening.'
Verder vermeldt zij nog als onderscheiding van Otto, 'dat
er naast een mystiek van de Innenschau die God ontmoet
in de eigen ziel, ook een mystiek is van de Einheitsschau
die God schouwt (in de geest waarneemt) als de Ene in de veelheid
der dingen... De Einheitsschau is in de christelijke mystiek niet,
zoals in de Indische, overwegend of uitsluitend op het kosmische
gericht, maar waar aan haar het aspect van de Einheitsschau
eigen is, schouwt zij de mensheid als het ene lichaam van Christus,
indien niet in actu als de alomvattende gemeenschap der heiligen,
dan toch naar haar bestemming.
(Ds. D.
A. Vorster: Protestantse Nederlandse mystiek, Amsterdam
1948)
"In de
eerste eeuwen van onze jaartelling is het christendom ontstaan
door annexaties van de meest waardevolle bestanddelen van concurrerende
sekten, zoals Mithrasdienst, Isisdienst, Eleusische mysteriën.
Deze enigszins vampierachtige praktijken neemt Nietzsche het christendom
uitermate kwalijk, maar waarom eigenlijk? Een wereldgodsdienst
mag niet kieskeurig zijn in de middelen om er te komen. Het feit
zelf wordt intussen door de theologen volmondig toegegeven, ten
bewijze waarvan ik het volgende, niet van pikanterie verstoken
citaat uit Das Heilige van Rudolf Otto licht, daar
waar hij schrijft over de begrippen 'licht' en 'leven' die het
jonge christendom zich uit de zojuist genoemde bronnen toegeëigend
heeft:
'In Johannes (bedoeld is het evangelie van die naam) saugt das
Christentum aus konkurrierenden Religionen 'phos' und 'zoe' in
sich, und saugt sie damit aus: nach dem Recht des Stärkeren.'
Dit is openhartige taal; en men zou er nu wel aan toe kunnen voegen
dat vele sterksten de zwaksten zullen blijken te zijn - zoals
de huidige positie van het christendom genoegzaam illustreert
- maar daarmee is nog niet gezegd dat de zwakke die eens sterk
geweest is niet opnieuw sterk kan worden door anderen van hun
kracht te beroven."
Simon Vestdijk:
De toekomst der religie, 1947
"Laten wij
eens veronderstellen dat wij van Kant enkel de Kritik der reinen
Vernunft bezaten, en ons op grond daarvan een oordeel moesten
vormen aangaande de religiositeit van Kant. Dat in dit beroemde
werk een wereldbeschouwing vorm heeft aangenomen, die op 'totaliteit'
aanspraak maakt, lijdt geen twijfel; het is het wereldbeeld van
de transcendentale filosofie, waarin alle verschijnselen hun plaats
vinden, waarin alles wetmatig geordend is, waarin niets een partieel
of incidenteel karakter draagt. Er is een grote, richtinggevende
gedachte, waaraan alle gegevens van ons kritisch verstand ondergeschikt
zijn gemaakt en die daarom ons verstand ook volledig, 'totaal'
bevredigt. Ons verstand, niet ons gevoel. Althans niet het gevoel
van de meesten onzer, en óók van Kant niet, die
tenslotte niet voor niets, behalve de Kritik der reinen Vernunft
ook nog de Kritik der praktischen Vernunft heeft geschreven.
We stuiten hier op het verschil tussen religie en filosofie; en
dit verschil mag dan niet volstrekt bindend zijn, zo is in de
meeste filosofische systemen de religieuze inslag onmiskenbaar
(Plato, Plotinus, Spinoza, Hegel), terwijl bij de oude Indiërs
de grens vaak niet eens meer te trekken is - zodra het aan de
dag treedt, blijkt het toch duidelijk te berusten op een verschil
in 'totaliteit' - niet wat het object betreft (het zuiver filosofische
wereldbeeld hoeft niet minder groots en minder omvattend te zijn
dan het religieuze wereldbeeld), maar wel ten aanzien van het
subject - de persoonlijkheid van de theoretische filosoof en van
degenen die zijn boeken lezen. Dit subject is als het ware gehalveerd;
alleen de rationele helft doet mee. Maar voor de religieuze houding
is nu juist kenmerkend, dat béide helften meedoen: het
rationele, waarbij natuurlijk het accent nu eens op het ene, dán
weer op het andere kan komen te liggen. Een volmaakt irrationele
religie, die alleen op het gevoel en het handelingsleven haar
beroep doet (en die zich dus niet eens in woorden zou mogen
openbaren!) kunnen wij ons al evenmin voorstellen als een religie,
die geheel in begrippen zou zijn opgegaan en uitsluitend tot het
verstand van de 'gelovige' - in dit geval nog maar een naam zonder
inhoud - spreken. Het is opvallend dat het gevaar van een dergelijke
extreme rationalisering der religie haast nog meer van de kant
der theologen dreigt dan die van de kant van de gelovige filosofen;
maar gelukkig zijn er ook altijd weer theologen, die voor de tegenstroming
zorgen en met nadruk komen vaststellen, dat religie en geloof
in wezen irrationeel zijn, in de moderne tijd bijvoorbeeld Rudolf
Otto, in het bekende boek Das Heilige, warvan
de algemene strekking, voor zover die polemisch of corrigerend
wil zijn, een buitenstaander haast overbodig, en in elk geval
vanzelfsprekend toeschijnt."
Simon Vestdijk:
De toekomst der religie, 1947
'[...] Het religieuze gevoel
is door Rudolf Otto in zijn boek Das Heilige
(1917) aan een nader fenomenologisch onderzoek onderworpen. Otto
wijst erop, dat men vaak de ogen gesloten heeft voor het geheel
eigen karakter der religieuze beleving, zoals die ook allerwegen
bij de primitieven gevonden wordt. Uitgangspunt is bij hem het
heilige, dat Otto nader aanduidt als het numineuze, Dit numineuze
komt in alle godsdiensten voor als haar meest eigen innerlijkheid.
Passend bij de beleving van het numineuze is die emotionele toestand,
welke Otto de numineuze gemoedsstemming noemt. Waar dit numen
presentisch beleefd wordt, ontstaat als reflectie in het zelfbewustzijn
het creatuurgevoel, het gevoel schuldig schepsel te zijn. Het
primaire waaruit dit creatuurgevoel ontstaat is het mysterium
tremendum, het gevoel van een huiveringwekkende geheimnis. Het
kan stootsgewijs naar voren komen en voert dan tot een vreemde
opwinding, tot roestoestanden en extase.
Naast het afwerende van het tremendum wijst Otto in de beleving
van het numineuze op een andere aspect, namelijk het fascinosum,
dat met het tremendum in wonderlijke contrastharmonie staat. Het
goddelijke, het heilige is tevens aantrekkelijk en betoverend."
F.J. Tolsma:
Moderne opvattingen omtrent inductiepsychose, 1999
"Rudolf
Otto koos als ondertitel voor zijn boek Het Heilige:
Een verhandeling over het irrationele in de idee van het goddelijke
en de verhouding ervan tot het rationele. De meest specifieke
religieuze gevoelens noemt hij numineuze gevoelens, belevingen
van het numineuze, waarvan hij een fijnzinnige analyse geeft.
Die gevoelens noemt hij irrationeel, zodat hij zoekt naar het
verband tussen dit irrationele voelen én het rationele
religieuze weten of geloven. Hij meent, dat het heilige een categorie
a priori is en numineuze gevoelens onherleidbaar zijn. Deze religieuze
gevoelens kunnen niet alleen andersoortige gevoelens aantrekken,
maar ook bepaalde ideeën en voorstellingen. Het verband tussen
genoemde gevoelens en genoemde voorstellingen of ideeën is
soms incidenteel, soms echter constant. In het laatste geval spreekt
Otto van een schematisering, in navolging van Kant, die de verbinding
van de categorie van causaliteit (verband tussen oorzaak en gevolg)
met die van het temporele (tijdelijke) voor-en-na-elkaar een schema
noemt. Otto gaat er dus vanuit, dat er een vaste koppeling is
van religieuze numineuze gevoelens en van religieuze voorstellingen
is.
In dit alles is in elk geval te prijzen, dat Otto hiermee een
vlak rationalisme evengoed als een vlak sensualisme bestrijdt,
terwijl hij ook een psychologisch evolutionisme weerlegt. Tegenover
dat alles komt hij terecht òp voor het religieuze beleven,
en voor de waarde, zowel van het irrationele als het rationele
in het religieuze.
Dr. P.J.
Roscam Abbing : Psychologie van de religie, 1981
"Het eerste
en voornaamste punt dan ook, waarop de lijn van ons probleem die
der religie snijdt, is de ontdekking van het andere, die
wij ontwaking tot bewustzijn of menswording noemden. Dit andere
heet in de religie het gans en al andere, God. De mens,
die zichzelf tegenover de wereld plaatst, vindt God. In de taal
der religie moet de menswording aldus worden beschreven: de mens,
die zichzelf vindt, vindt God als die hem oordeelt, vindt zijn
eigen 'creatuurlijkheid', eigen nietigheid, eigen zonde. In zijn
conscientia (geweten) hoort hij de stem Gods, in zijn bewustzijn
vindt hij het medeweten van de Volstrekt Andere. Nog beter spreken
wij de religieuze taal, wanneer wij het omkeren: de mens, die
God ontdekt, ontdekt zichzelf.
(Met diepe eerbied gedenken wij hier de man, die onze generatie
deze dingen weer deed verstaan in hun elementaire kracht: Rudolf
Otto. Hoeveel ook èn op het terrein van de godsdienstgeschiedenis
èn op dat van de methodologie en psychologie veranderd
moge zijn, het werk van Otto zal zijn fundamentele betekenis nog
zeer lang behouden.) Dit punt ligt, hoe wonderlijk het moge klinken,
in het vlak van de 'moderne mens', het is onlosmakelijk verbonden
met de menswording. Wij mogen hier dus niet een eenzijdige samenhang
van de religie met de primitieve mentaliteit constateren. De reeds
losgelaten termen nu voorgoed overboord: de religie heeft onder
de verschillende antropologische structuren in de eerste plaats
te maken met de antropologische bij uitnemendheid, die van de
mens zoals hij mens wordt."
Dr.
G. van der Leeuw:
De primitieve mensch en de religie, 1937
Rudolf Otto bezat een uitgebreide kennis op het
gebied van natuurwetenschap, filosofie, godsdienstgeschiedenis
en theologie. Als wijsgeer was hij Kantiaan en aanhanger van Schleiermacher,
naar de interpretatie van Fries. Zodoende grensde hij aan de ene
kant de naturalistische wereldbeschouwing af tegen het godsdienstige
en legde hij anderzijds de nadruk op het irrationele karakter
van godsdienstige ervaringen. Op godsdiensthistorisch terrein
ging zijn belangstelling vooral uit naar de Voorindische godsdiensten.
In zijn geloofsdenken was hij Lutheraan. Van zijn hand verschenen
belangrijke liturgische voorstellen. Otto is vooral beroemd geworden
door zijn in vele talen vertaalde studie over Das Heilige.
waarin hij dit beschrijft als een Mysterium
tremendum ac fascinans (een mysterie dat doet beven en dat fascineert).
Ook was hij de stichter van de Religiöser Menscheitsbund,
die alle gelovigen oproept tot strijd tegen de euvelen van deze
tijd.
Dr.
C.J. Bleeker:
Encyclopedie van het christendom, 1955
De belofte van verlossing en
heil waarin de godsdiensten van oudsher voorzagen, waren in de
loop van de achttiende en vooral de negentiende eeuw langzaam
uit het hiernamaals weggesijpeld naar het hiernumaals. De mensheid
zou haar eigen geschiedenis wel maken. Wetenschap en techniek
leken haar daarvoor alle instrumenten in handen te geven en een
groeiend sociaal bewustzijn sprak van een mensheid die niet meer
door grenzen en ongelijkheid was verdeeld.
Aan die zonnigheid maakte augustus 1914 een einde. De verschrikking
kwam als een fantoom omhooggekropen uit de loopgraven van Ieper
en de Marne. Daar stierf de negentiende-eeuwse illusie van een
stralende toekomst en de bevrijding van de mens uit zijn 'zelfopgelegde
onmondigheid', zoals Kant het nog had genoemd. Achter het scherm
van orde en beheersbaarheid bleek inderdaad de woestheid te woeden
die de romantici er al hadden vermoed. Ze toonde zich als een
raadsel dat tegelijk fascinerend en schrikwekkend bleek, zoals
de godsdiensthistoricus Rudolf Otto het in 1917 in zijn beroemd
geworden boek Das Heilige noemde. Twee jaar later koos Freud er
de term das Unheimliche voor.
Ger Groot
WOORDEN VOOR HET ONZEGBARE
College op 12 december 1975
gegeven door
C.C. de Bruin bij zijn afscheid als gewoon
hoogleraar in de faculteit der godgeleerdheid
aan de Rijksuniversiteit te Leiden
Dr. Kirpestein erkent dat in deze dialoog de waarheidsvraag wordt gerelativeerd. "Er wordt uitgegaan van het besef dat wij, zoals Calvijn zegt, slechts kunnen stamelen en dat religieuze paradigma's slechts vensters zijn die een blik bieden op het onuitsprekelijke van het bestaan. In de christelijke traditie wordt dit het besef van "het heilige" (Rudolf Otto) genoemd, waardoor het licht van God heenbreekt. Daarmee wordt niet de overgave van het hart gerelativeerd, en de ontmoeting van hart tot hart. Geloof is een hartelijk geloof en geen geloof in een abstractie of ideologie."
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |