|
|
Onder de
invloedrijkste
denkers over de
religie noemen
we als eerste
Schleiermacher
met zijn
Über die
Religion. Reden
an die
Gebildeten
unter ihnen
Verächtern.
Hij komt op
tegen de
herleiding van
de religie tot
het
intellectuele
of het morele.
Hij ziet haar
als 'eine
eigene Provinz
im Gemüte'
waarvan hij de
eigenheid
karakteriseert
als 'Sinn und
Geschmack fürs
Unendliche',
als 'Gefühl' en
als 'Anschauung
des
Universums'.
Zien we af van
het
romantiserend
en soms
pantheïserend
gewaad waarin
Schleiermacher
zijn gedachten
kleedde (we
schrijven
1799), dan zag
hij de religie
als het
gegrepen-worden
van de mens
door de éne
scheppende
kracht die aan
de wereld ten
grondslag ligt
en die midden
in de vele
relatieve
verschijnselen
wordt 'gevoeld'
of
'aanschouwd',
zich aan de
mens als
openbaring
opdringt.
In de 19e eeuw
is er veel over
het
verschijnsel
religie
nagedacht en
geschreven.
Maar een
onbevangen kijk
erop werd vaak
verduisterd
door
evolutionaire
theorieën
(waarbij men
vanuit het
Christendom als
'hoogste'
religie wilde
vaststellen wat
wel en niet
rechtmatig
religie mocht
heten) en door
de neiging om
de religie in
andere
werkelijkheden
te verankeren.
Bij voorkeur
zocht men het
met behulp van
de
vermogenspsychologie
in de rede, het
gevoel of het
zedelijk besef.
Onder invloed
van
Kant werd
de religie
vooral aan het
morele
normbesef
gekoppeld. In
al die gevallen
liet men de
religie niet
radicaal
zichzelf
uitspreken. Dat
was evenmin het
geval bij hen
die nadien de
religie op het
gevoel wilden
baseren -
echter wel bij
Schleiermacher
die het
verwarring
stichtende
'Gefühl'
opvatte als '
ein
unmittelbares
Existenzialverhältnis'.
Honderd jaar na verschijnen werden Schleiermacher's Reden opnieuw uitgegeven, door de jonge theoloog en godsdiensthistoricus Rudolf Otto, die in 1917 Schleiermacher's traditie op zijn wijze voortzette met zijn meesterwerk Das Heilige, waarin hij het eigene van de religie omschreef als het aangetrokken-en-afstoten door 'das Ganz Andere', 'das Numineuze', 'das Heilige'. Zo kon hij recht doen aan allerlei ook vreemde en afkeerwekkende verschijnselen van religie waarvoor 19-eeuwse traditie als regel geen orgaan had.
Als
derde na
Schleiermacher
en Otto
verdient in dit
verband Nathan
Söderblom te
worden genoemd.
Ook hem ging
het om de
bepaling van de
religie als een
geheel
eigensoortig
verschijnsel.
Evenals Otto,
zij het minder
systematisch
uitgewerkt,
kwam ook hij
tot de
categorie van
de 'heiligheid'
als typisch
voor de
religie. Zijn
hoofdwerk is
Das Werden des
Gottesglaubens
uit 1914. In de
volgende
generatie is
het
Gerardus van
der Leeuw
die op het werk
van Söderblom
en Otto
voortbouwt. Men
zie zijn
Phaenomenologie
der Religion
(1933) en korte
en inhoudrijke
Inleiding van
zijn hand tot
De
godsdiensten
der wereld
(1948).
Na Van der
Leeuw is de
aandacht van
vele
godsdiensthistorici
verschoven naar
de concrete
religieuze
uitgingen en
hun samenhang
met de
totaliteit der
cultuur.
Dr. H. Berkhof: Christelijk geloof, Een inleiding tot de geloofsleer, Nijkerk 1990
HENDRIKUS BERKHOF
Appeltern 11 juni 1914 - Leiderdorp 17 december 1995
Hendrikus Berkhof kwam, zoals hij het zelf later uitdrukte, uit een mild-confessioneel hervormd gezin. Hij doorliep van 1925 tot 1931 het Gereformeerd Gymnasium in Amsterdam. Na een jaar theologische studie aan de Universiteit van Amsterdam ging hij in 1932 in Leiden theologie studeren. Als hoofdvak voor zijn doctoraalexamen koos hij kerk- en dogmengeschiedenis, waarin hij in 1939 promoveerde op het proefschrift, getiteld Die Theologie des Euseb von Caesarea (promotor: J.N. Bakhuizen van den Brink). Reeds in die studie blijkt zijn dogmatische gerichtheid. Het is niet moeilijk eruit te concluderen, wat zijn eigen theologische positie was: een rechtzinnig hervormde theologie, die sterk onder invloed van Karl Barth staat en mede ook maatschappelijk ethisch georiënteerd is. Tijdens een half jaar studie in Berlijn had hij grote sympathie gekregen voor de Belijdende Kerk in Duitsland. Hij was van mening dat de strijd in de vierde eeuw van Athanasius c.s. voor de leer van de triniteit vergeleken kon worden met de strijd van de Belijdende Kerk voor het evangelie en tegen het moderne heidendom van het nationaal-socialisme.
In 1938 werd hij predikant in Lemele in Overijssel, in 1940 trad hij in het huwelijk met Cornelia van den Berg; uit dit huwelijk werden vier kinderen, twee meisjes en twee jongens geboren. In 1941 werd hij door de bezetter gearresteerd en gedurende een half jaar gevangengezet. In die periode is hij in staat zijn eerste studie te schrijven, die in kerkelijke kringen de jaren door veel aandacht zou krijgen: De geschiedenis der kerk. In nog sterkere mate dan in zijn proefschrift komen hierin zijn dogmatische inzichten tot uitdrukking. Het boek wil niet alleen een beschrijving, maar ook een beoordeling van de ontwikkeling der christelijke theologie bieden. Hiermee verwierf hij zich veel sympathie en een groot vertrouwen in rechtzinnig protestantse kringen, maar wekte hij wel enige irritatie bij de vrijzinnigheid en bij sommige kerkhistorici, die de benadering te dogmatisch vonden. In latere drukken heeft hij de in dat boek gevelde oordelen enigszins genuanceerd, maar de substantie ervan bleef tot en met de zesde druk in 1955 onveranderd.
Tijdens de oorlog was hij in 1942/1943 genoodzaakt gedurende een aantal maanden onder te duiken. In die tijd schrijft hij zijn pas na de oorlog gepubliceerde studie De kerk en de keizer, over de verhouding tussen kerk en overheid in de vierde eeuw. Ook dit boek heeft een actuele betekenis, aangezien er duidelijk uit blijkt, welke visie Berkhof heeft op die relatie in zijn eigen tijd. De maatschappelijke oriëntatie van Berkhof als theoloog komt hier opnieuw duidelijk naar voren. Van een rechtzinnig geloof behoren naar zijn mening vernieuwende krachten uit te gaan, waarbij de rechtzinnigheid volgens hem wel een voorwaarde is.
In 1940 werd hij predikant in Zeist, een functie, die hij tot 1950 heeft vervuld. Tevens werd hij na de oorlog docent op Kerk en Wereld in Driebergen, toen het centrum van vernieuwing in de Nederlands-Hervorde Kerk. In 1950 werd hij de eerste rector van het in dat jaar opgerichte Seminarie in Driebergen. Een van zijn taken was daar de verschillende 'modaliteiten' (vroeger 'richtingen' genoemd) van de Nederlands-hervormde Kerk bij elkaar te houden en zo mogelijk te integreren. Hij deed dit op de voor hem karakteristieke wijze: niet zozeer door naar compromissen te zoeken, maar door naar complementariteit te streven. Kenmerkend voor die periode zijn twee betrekkelijk kleine publicaties, die een grote invloed hadden: De crisis der middenorthodoxie en Christus en de machten. In het eerstgenoemde boekje laat hij zeer kritische geluiden horen ten aanzien van de toen in het midden van de Nederlands-hervormde Kerk heersende barthiaanse theologie, waarin naar zijn mening het persoonlijke geloofsleven verwaarloosd wordt. Hij neemt het duidelijk op voor standpunten die aan de rechterflank van die kerk (vooral in de zogenaamde 'Gereformeerde Bond') werden verdedigd. Het laatstgenoemde boekje (dat aan de belangrijke voorman van de doorbraak W. Banning is opgedragen) laat weer de ethisch-maatschappelijke betrokkenheid van Berkhof zien: het geloof in Christus moet niet alleen in het persoonlijke leven, maar ook in de maatschappelijke verhoudingen doorwerken. Men was toen in de Nederlands-hervormde Kerk sterk verdeeld over de 'doorbraak'. Berkhof was geen lid van de PvdA, maar liet wel duidelijk blijken, aan welke kant zijn sympathieën lagen.
In de Driebergse periode valt ook een boek dat in die tijd sterk de aandacht trok: Christus de zin der geschiedenis (1958, vijfde druk 1966). Op dit boek zal hij later wegens het biblicistische en speculatieve karakter ervan zelfkritiek leveren, maar het is wel representatief voor zijn denken. Hierin komen de twee lijnen van rechtzinnig geloof en maatschappelijk engagement samen: als de Gekruisigde en Opgestane betrekt Christus de gemeente bij zijn lijden en zijn overwinning.
In 1948 was hij afgevaardigde vanwege de Nederlands-hervormde Kerk op de grote Assemblee van de Wereldraad van Kerken in Amsterdam; van 1954 tot 1974 was hij lid van het Centrale Comité van de Wereldraad. Hier kon hij zijn gaven tot integratie van divergerende visies in nog wijder verband tot ontplooiing brengen dan in zijn functie als rector van het Hervormde Seminarie.
In 1960 wordt Berkhof benoemd tot opvolger van K.H. Miskotte als hoogleraar in de dogmatiek en de bijbelse theologie aan de Leidse Theologische Faculteit. Ook hier zal hij weer proberen de verschillende standpunten te verzoenen door het waarheidsgehalte van elk standpunt te erkennen. Dat had in die jaren vooral betrekking op de inbreng van de kerk op de theologische opleiding van een Rijksuniversiteit. Een van de twistpunten was de vraag of de dogmatiek hoofdvak zou kunnen zijn in een theologisch doctoraalexamen. Berkhof verklaart zich, eenmaal in Leiden benoemd, een tegenstander daarvan. Hij is van mening dat een theologische promotie in de dogmatiek, hij zou in de twintig jaar van zijn Leidse professoraat vijftien promovendi begeleiden, moest voortbouwen op een doctoraalexamen waarin een van de drie pijlers van een moderne dogmatiek, te weten de bijbelse exegese, de kerk- en dogmengeschiedenis en de godsdienstwijsbegeerte, het hoofdvak was geweest. Mede door toedoen van Berkhof werden de tegenstellingen binnen de Leidse Theologische Faculteit in de jaren zestig en zeventig beduidend minder groot en voor de studenten minder pijnlijk. Als kerkelijk hoogleraar kon hij niet de bestuurlijke functies van decaan of rector bekleden, - toch was hij in Leiden allerminst een hoogleraar in een ivoren toren, wat blijkt uit zijn activiteiten binnen de Leidse Civitas.
In 1974 wordt hij voorzitter van de Nederlandse Raad van Kerken, en kan hij dus zijn oecumenische werk in nationaal verband voortzetten. In de jaren waarin de Nederlandse samenleving en de kerken sterk verdeeld waren over het vraagstuk van de kernbewapening was dit een bijzonder verantwoordelijke en tijdrovende functie. Hij koos hierin zeer beslist positie, wat tot irritatie bij het conservatieve gedeelte van de kerken leidde. Wat hij op dit punt inhoudelijk bepleitte, week trouwens niet af van wat hij in de jaren vijftig had betoogd. Belangrijk was dat hij altijd een expliciet theologische of in ieder geval een geloofsfundering aan het politieke standpunt gaf.
Aangezien hij de gave had ieder schijnbaar verloren kwartiertje toch te benutten, gingen al deze activiteiten niet ten koste van het wetenschappelijke werk. Uit zijn Leidse periode noemen we de volgende studiën, die voor het merendeel niet groot van omvang zijn, maar wel erg invloedrijk waren: De katholiciteit der kerk (1962), De leer van de Heilige Geest (1964), Gegronde verwachting (1968) en vooral het grote werk Christelijk geloof (1973).1
De jaren zestig gaven over de hele wereld, ook in Nederland, een sterke verschuiving in het theologische denken te zien, die ook inhield dat men minder belangstelling ging tonen voor speculatief theologische vragen, de menswetenschappen binnen de theologie meer ruimte wilde geven en het belang van de macro-ethische vragen accentueerde. Aangezien dit gedeeltelijk wel aansloot bij de visie op geloof en theologie die Berkhof altijd had gehad, hoefde hij in die jaren het roer niet om te gooien en niet ineens te gaan bestrijden wat hij eerst had bepleit of andersom. Hij had er geen enkele moeite mee dat vakken als godsdienstsociologie en -psychologie een vaste plaats kregen binnen de theologische opleiding.
Toch geven deze jaren ook bij hem wel een zekere verschuiving te zien. In deze tijd verandert hij van een rechtzinnige calvinist in een oecumenisch theoloog met een reformatorische achtergrond. Berkhof genoot tot het begin van de jaren zestig altijd een groot vertrouwen binnen de rechtzinnige meerderheid in de kerk. Dat kwam omdat hij zich vanaf zijn Geschiedenis der kerk altijd een pleitbezorger van de rechtzinnige standpunten had betoond. Dit kwam heel duidelijk tot uitdrukking in zijn visie op het vroegkerkelijke dogma inzake de triniteit en de persoon van Jezus Christus en op de reformatorische genadeleer. Het was hem in die jaren waarschijnlijk zelf niet helemaal duidelijk dat zijn visie op de triniteitsleer toch afweek van de gangbare orthodoxie, aangezien het hem veel meer om de beweging van de ene God door de geschiedenis dan om de eeuwige drie goddelijke personen in het ene goddelijke wezen ging. In de jaren zestig zal hij (voor het eerst in De leer van de Heilige Geest) expliciet kritiek op het trinitarische dogma uiten. Hij komt dan sterk onder invloed van het relationele denken, dat hij in zijn inaugurele oratie in Leiden God voorwerp van wetenschap? nog op een genuanceerde manier had bestreden. Het gaat Berkhof steeds meer om de beweging van God, waarin God de mens wil opnemen en vernieuwen. De oude denkkaders zijn voor een juist verstaan hiervan naar zijn mening vaak een belemmering. Toch is Berkhof nooit een 'nieuwlichter' geworden, die de band met de traditie verbrak. Wel wilde hij de traditie op een kritische manier doortrekken. De verschuiving die in dit opzicht in zijn denken valt aan te wijzen, had tot gevolg dat zijn oorspronkelijke achterban in de kerken hem ging wantrouwen, en hij veel meer weerklank vond bij de progressieve minderheid in de kerken, die overigens wel sterk de theologische discussie beheerste.
Naast de dogmatiek was ook de bijbelse theologie zijn leeropdracht. De bijbelse exegese was sinds het midden van de jaren zestig op een afstand van de typisch theologische vraagstellingen komen te staan en meer analytisch-historisch geworden. Berkhof wilde de bijbelse theologie in nauwe voeling met de wetenschappelijke bijbelwetenschap beoefenen en aanvaardde daarom graag de uitdaging die daarin voor de dogmatiek gelegen was. Hij was trouwens van het begin af van mening geweest dat er van de Schrift een kritische invloed op geijkte dogmatische posities uit moest gaan. De verschuivingen in zijn eigen dogmatische denken zijn stellig mede daardoor beïnvloed.
Een bewegelijke geest als Berkhof bleef ook na zijn emeritaat in 1981 doordenken en doorwerken.2 Zijn afscheidscollege droeg dezelfde titel als zijn inaugurele oratie. Hij liet daarin zowel de continuïtiet als de discontinuïteit in zijn ontwikkeling zien. Alleen als beide kunnen worden aangewezen, kan er naar zijn mening sprake zijn van een ontwikkeling. Die ontwikkeling was op zichzelf bij zijn emeritaat wel voltooid, maar de vruchten ervan zouden in de tien jaar daarna nog zichtbaar worden. In 1985 verschenen een herziene (vijfde) druk van zijn Christelijk Geloof en de studie 200 Jahre Theologie. Ein Reisebericht. In de nieuwe druk van zijn geloofsleer trachtte hij de theologische ontwikkeling van de afgelopen tien jaar te verwerken en te reageren op de kritiek die van verschillende kanten op zijn werk was geuit. De substantie van het boek blijft evenwel onveranderd. Van belang is zijn afwijzende reactie op de zogenaamde 'proces-theologie', die niet als vooronderstelling heeft dat God in een beweging is, waarin Hij de mens wil opnemen, maar dat God zelf een ontwikkeling doormaakt, waarin God ook door de mens in zijn handelen tot aanzijn wordt gebracht of 'verwezenlijkt'. Dat is volgens Berkhof strijdig met de grondgedachte van het christelijke geloof dat God in soevereine vrijheid de relatie tot de mens en de wereld tot stand brengt.
In het boek 200 Jahre Theologie blijkt Berkhofs veranderde visie op de manier van theologiseren. In zijn Geschiedenis der kerk had hij het -- verregaand aansluitend bij wat Barths visie hierop leek te zijn -- zo voorgesteld dat de ontwikkeling van de theologie sinds de Verlichting eigenlijk een vergissing is, en dat het de taak van de dogmatiek in de twintigste eeuw behoort te zijn om terug te keren tot de reformatoren. Reeds in de jaren zestig had hij Schleiermacher, en de theologie sinds de Verlichting in het algemeen, gelijk gegeven in de stelling dat de moderne mensen vreemd staan ten opzichte van het overgeleverde geloof, en dat de theologen de opdracht hebben het christelijke geloof voor de eigen tijd te vertolken, zodat men zich het op zichzelf vreemde christelijke geloof eigen kan maken. Met grote sympathie beschrijft hij in 200 Jahre Theologie hoe men dat gedurende de laatste twee eeuwen heeft trachten te doen. Hierbij herziet hij hier en daar radicaal zijn veroordeling van de kritische theologen in de Geschiedenis der kerk. Er is geen sprake meer van dat iemand verraad aan het evangelie heeft willen plegen. Maar evenwichtig als hij was tracht Berkhof in dat boek ook recht te doen aan die theologen uit die periode van de kerkgeschiedenis, die in hun tijd als conservatief en confessioneel golden (bij voorbeeld Herman Bavinck).
In 1990 werd Berkhof getroffen door een hersenbloeding, die tot gevolg had dat hij niet meer kon publiceren en in een verpleeghuis moest worden opgenomen, waar na een aanvankelijke opleving zijn lichamelijke en geestelijke krachten achteruitgingen. Vlak vóór kerstmis 1995 nam de kerkelijke en universitaire wereld afscheid van Hendrikus Berkhof. Bij die gelegenheid zullen sommigen van mening zijn geweest dat Berkhof als een leidinggevend persoon in de kerk soms te diplomatiek te werk is gegaan, maar zeer velen zagen terug op iemand die als gelovige, als predikant, als wetenschappelijk theoloog en als bestuurder gedurende meer dan een halve eeuw een gezaghebbende en vaak verrassende gesprekspartner was geweest.
NOTEN
1. Voor de
ontvangst van
dit boek, zie:
Weerwoord.
Reacties op
Berkhof's
'Christelijk
Geloof'.
Aangeboden aan
prof.dr. H.
Berkhof ter
gelegenheid van
zijn zestigste
verjaardag.
Nijkerk 1974.
2. Bij zijn
emeritaat
verscheen:
Bruggen en
Bruggenhoofden.
Een keuze uit
de artikelen en
voordrachten
van prof.dr. H.
Berkhof uit de
jaren
1960-1981,
verzameld en
uitgegeven ter
gelegenheid van
zijn afscheid
als kerkelijk
hoogleraar in
Leiden.
Nijkerk 1981.
3. Literatuur
over Berkhof:
Waar is God
in deze tijd?
De betekenis
van de
geschiedenis in
de theologie
van dr. H.
Berkhof.
Leiden 1994;
E.P. Meijering,
Hendrikus
Berkhof. Een
theologische
biografie.
Kampen 1997.