Het heilige
Van
allerlei volken
zijn gewoonten
en
voorschriften
bekend die men
volgde bij
geboorte en
dood en waarvan
de zin voor ons
dikwijls
verborgen was.
Een vrouw die
een kind had
gebaard, mocht
men niet
aanraken,
tenzij met
ritueel
gewassen handen
onder het
uitspreken van
geheimzinnige
toverspreuken;
bij een dode
waakte men
zittende op een
zak en zich
bestrooiend met
as; bij de
begrafenis of
de verbranding
van het lijk
werden weer
allerlei
handelingen
uitgevoerd die
sedert eeuwen
voorschrift
waren.
Geleidelijk is
men gaan
begrijpen welke
gedachten er
aan deze
gebruiken ten
grondslag
lagen. Het
duidelijkst is
misschien nog
na te gaan, wat
bijvoorbeeld de
oude grieken
dachten bij de
begrafenis1. De
bedoeling was
zeker niet om
het lichaam
prijs te geven
aan de
vernietiging,
want de aarde
kent geen
vernietiging.
Uit haar komt
alle leven
voort. Tot haar
keert alle
leven weer. Zij
is de draagster
van een
onvernietigbaar,
eeuwig leven
dat zich
rusteloos
vernieuwt, dat
sluimeren kan
en ontwaken,
waarvan de
vormen gebroken
en vernieuwd
kunnen worden,
maar dat zelf
onvergankelijk
is. Door de
begrafenisplechtigheid
werd bij onze
voorouders de
gestorvene
ingewijd in het
eeuwige leven.
Het is niet het
leven dat de
mensen kennen,
dat immers is
eindig en
broos, het is
van een andere
orde en toch
heeft de mens
daaraan deel.
Wordt een kind
geboren, dan
treedt de
eeuwige
Levenskracht
binnen in het
dagelijks
bestaan, dan
staat de mens
plotseling
tegenover een
kracht, die hij
niet kent, die
hem zegenen
maar ook
verderven kan;
en daarom
'reinigt' hij
zich, om binnen
de onbekende
geheimzinnige
orde geen
schade te
duchten of aan
te richten.
In de religieuze voorstellingswereld en taal heeft men het woord 'heilig' gebruikt om het karakter van de geheimzinnige Levenskracht aan te duiden. Heilig was dus, wat niet tot de dagelijkse gang van zaken behoorde, wat dus noch te berekenen noch te verklaren viel, wat spontaan uit de bronnen opwelt, niet in de menselijke middelen laat vangen, eigen wegen gaat, eigen wetten volgt, waartegenover de mens in huiverende eerbied, in ontroerde schuchterheid staat.
Er zat zeker in
allerlei oude
gebruiken en
voorschriften
veel waarvan
het gelukkig
is, dat het
verdween. Veel
van wat ooit
heilig heette,
dus in wezen de
mens te boven
gaat, is
inmiddels
volkomen
doorzichtig en
duidelijk
geworden. De
kring van het
bekende, door
de mens en zijn
wetenschap
beheerste
levensgebied,
wordt steeds
groter.
Menigeen kent
wel het gevoel,
en heeft dus
blijkbaar een
'orgaan',
waardoor hij of
zij het
ondoorgrondelijke
Levensmysterie
met zijn
voorouders
meevoelt. Wij
zien de dingen
van het leven
op hun plaats
staan, het is
allemaal zo
gewoon en
bekend: de
stoelen, de
tafel, de
schilderijen;
in de
slaapkamer de
bedden, in de
straat de
huizen, op de
kaart de
plaatsen en de
landen wij
weten en kennen
alles zo goed.
Maar als een
kind van een
jaar of vier
drukke roerige
babbelaar in
de slaapkamer
komt, waar in
de nacht een
zusje geboren
werd, en de
oudste wordt
ineens stil om
dit grote
wonder welke
volwassene
beseft dan niet
één ogenblik
mee, dat hier
het
Levensmysterie
hem aanraakte?
Of als de dood
een plaats in
ons huis leeg
maakte, wie
wordt dan niet
stil om het
ondoorgrondelijke
dat ons bestaan
doorkruist?
Misschien staat
toch alles niet
zo vast en
bekend op zijn
plaats als wij
denken;
misschien is de
grond waarop
alles staat
niet zo veilig
en vertrouwd.
Het zou onjuist
zijn, wanneer
het woord
'heilig'
uitsluitend in
verband wordt
gebracht met
geboorte en
dood. Deze
voorbeelden
zijn gekozen
wegens het
vermoeden dat
bij deze
gebeurtenissen
ons orgaan voor
het mysterie
ons nog niet
geheel in de
steek laat.
Maar het
heilige kan ons
op alle
levensgebieden
raken, aan
allerlei
levensverschijnselen
openbaar
worden.
Rudolf Otto,
de beroemde
godsdienstonderzoeker
uit Marburg
heeft
voornamelijk
drie kenmerken
naar voren
gebracht van
het heilige,
zoals dat in de
religie naar
voren komt. Het
eerste is: het
mysterie
waarvoor de
mens huivert,
het wekt in de
mens een reeks
van
aandoeningen:
"Het gevoel van
dit mysterie
kan met milde
vloed het
gemoed
doortrekken in
de vorm van de
rustige,
verheven
stemming van
verzonkenzijn
van de
verzonken
aandacht. Het
kan overgaan in
duurzame
zielsklank, die
lang aanhoudt
en natrilt tot
zij
uiteindelijk
wegsterft en de
ziel weer in
het profane is.
Het kan ook met
krampachtige
stoten
plotseling uit
de ziel
doorbreken. Het
kan voeren tot
een vreemde
opwinding,
roes,
verrukking en
extase. Het kan
wild en
demonisch
worden. Het kan
geleidelijk
omlaaggaan tot
spookachtig
vrezen en
sidderen. Het
heeft zijn
ruwe, barbaarse
eerste uitingen
en laagste
vormen, en het
heeft zich
ontwikkeld tot
een teer,
gelouterd,
opgetogen
gevoel. En het
kan worden een
stil,
ootmoedig,
zwijgend
huiveren van
het schepsel
voor - ja
waarvoor? Voor
wat in
onuitsprekelijke
geheimenis
boven alle
schepselen is
Zo zeggen we
het, om toch
iets te
zeggen"2.
In de
religieuze
literatuur
vindt men dit
besef van het
heilige terug:
'Eer de bergen
geboren waren,
en Gij aarde en
wereld had
voortgebracht,
van eeuwigheid
tot eeuwigheid
zijt Gij God'
heet het in de
90e psalm.
(nbg/kbs: 'Voor
de bergen
ontstonden,
voor u de aarde
schiep, was u
al God. U bent
God, alle
eeuwen door.'
De Ambrosiaanse
lofzang
getuigt: 'die
Gij waart ten
allen tijd
blijft Gij ook
in de
eeuwigheid'.
In Goethe's
Iphigeneia
zingen aan het
eind van het
vierde bedrijf
als het donkere
noodlot zich te
voltrekken
schijnt:
|
In vrees
door de
goden |
Es fürchte
die Götter |
Waar dus de
mens in diepe
eerbied staat
tegenover het
overmachtige,
ondoorgrondelijke
der
levenswerkelijkheid,
die boven alle
orde van de
dagelijkse gang
van zaken
uitgaat, is
iets van het
besef van het
heilige.
Het tweede
kenmerk is: het
mysterie dat
boeit,
innerlijk
aantrekt,
fascineert.
"Zo
huiveringwekkend
het
demonisch-goddelijke
zich aan het
gemoed kan
voordoen, zo
lokkend en
betoverend is
het
tegelijkertijd.
En het schepsel
dat daarvoor
siddert, in
diepste
deemoed, heeft
toch steeds de
begeerte om
zich tot het
goddelijke te
wenden, ja zich
op een of
andere wijze
het toe te
eigenen. Het
mysterie is
niet slechts
het wonderbare,
het is ook het
wondervolle"3.
Als derde
element komt er
dan bij dat de
mens tegenover
het
overmachtige
mysterie eigen
nietigheid
leert beseffen.
Otto noemt dat
Selbstabwertung.
Tegenover het
bekende,
geordende
waarin hij
thuis is voelt
de mens zich
heel wat
tegenover het
heilige valt
dat alles
radicaal weg.
"'Ik ben een
mens onrein van
lippen en leef
te midden van
een volk, dat
onrein van
lippen is
Heer, ga weg
van mij, want
ik ben een
zondig mens'
zeggen Jesaja
en Petrus als
zij staan
tegenover het
goddelijke.
Spontaan, bijna
instinctmatig
geven zij dit
antwoord,
waarmee zij
eigen
onwaardigheid
uitspreken
het antwoord
komt niet op
grond van
overwegingen of
redeneringen,
maar ontstaat
als een
onmiddellijke
en
onwillekeurige
reflexbeweging
van de ziel"4.
Het leggen van
de nadruk op de
categorie van
'het heilige'
als wezenlijk
voor de religie
was zonder
twijfel
belangrijk.
Religie wordt
daarmee iets
anders dan het
voor juist
houden van een
aantal
inzichten en
redeneringen;
ook iets anders
dan braafheid,
die binnen de
perken van het
fatsoen of van
een menselijk
ideaal blijft;
anders ook dan
schoonheidsontroering
of uitbeelding.
Rudolf Otto
heeft duidelijk
gemaakt, dat
het heilige
niet is het
logische, het
ethische, het
esthetische,
dat het een
eigen alle
menselijk zijn
te boven gaande
geesteswerkelijkheid
aanduidt.
Vroeger werd er
veel over
getwist of men
voor de religie
een eigen plek
in het
menselijk
geestesleven
moest
reserveren, een
eigen 'vermogen
der ziel'. Men
erkende het
verstand, dat
de wetenschap,
het
levensbeschouwelijk
oordeel en de
wil, die het
levensbeschouwelijk
handelen en het
gevoel dat de
kunst
voortbracht
waar zou nu de
religie moeten
zetelen?
Gelukkig
redeneert men
thans niet meer
ze schematisch,
het is bekend
dat de mens een
eenheid vormt.
Een menselijke
ziel is niet
verstand+wil+gevoel,
drie (of
wellicht meer)
grootheden op
een of andere
wijze aan
elkaar
verbonden.
Wetenschap is
niet
uitsluitend een
kwestie van
verstand, zij
heeft ook haar
levensbeschouwelijke
kanten; evenals
het
levensbeschouwelijke
ook zijn kant
van
verstandelijke
doordenking
heeft; kunst is
niet alleen een
kwestie van
gevoel. Juist
het sterk
ontwikkelde
religieuze
leven heeft
zijn redelijke
kant, doet een
beroep op wil
en
levensbeschouwelijk
oordeel, en
houdt innig
verband met
kunst. De mens
is een eenheid
het is een
van de
belangrijkste
inzichten der
psychologie, en
zijn
geestesleven is
niet in stukjes
uit elkaar te
nemen.
Otto bracht
iets waardevols
in door het
religieuze
leven als iets
van een eigen
aard te
verstaan, niet
af te leiden
uit logisch
denken,
levensbeschouwelijk
idealisme,
schoonheidsbesef
het kan,
volgens Otto,
toch niet
geheel los van
deze gebieden
worden gezien.
Zonder twijfel
kan ethische
volmaaktheid,
ook het streven
daarnaar in een
mens
belichaamd,
juist dat
karakter
bezitten van
het mysterie
waarvoor wij
eerbiedig
huiveren, dat
ons nochthans
aantrekt en
onze eigen
'onwaardigheid'
leert beseffen,
het karakter
van het
heilige.
Als ik een mens
tegenkom in het
leven of in de
geschiedenis,
die misschien
zonder daarbij
de naam God te
noemen of te
willen noemen,
dagelijks met
zichzelf
worstelt om
innerlijke
trouw en ware
goedheid, als
hij eigen leven
volledig offert
voor de
heerschappij
van de
gerechtigheid,
dan is dat een
idealisme, een
streven waarin
heilige kracht
werkt: het
maakt mij klein
en deemoedig,
en het
fascineert mij
diep in de
ziel. Precies
zo kan het zijn
met een
hartstochtelijk
waarheidszoeker
ook het
denkend willen
stijgen naar de
waarheid kan zo
groot, zo
machtig, zo
boven de
dagelijkse
sleur uitgaande
zijn, dat wij
er stil en
eerbiedig van
worden. Alles
hangt hier af
van de ogen,
waarmee een
mens ziet, van
de innerlijke
houding waarmee
hij ontvangt.
Mist hij het
gevoelig oog,
dan zal hij het
doodgewoon
vinden dat een
mens kan
denken, en
dwaas wanneer
iemand ter
wille van de
waarheid liever
sterft dan
huichelt; dan
treft het hem
niet dat een
mens in
rusteloze
innerlijke
strijd streeft
naar goedheid
en
vervolmaking,
en oordeelt hij
overspannen
over wie zich
in
gewetenstrouw
offert. Anderen
zullen het als
een diep en
heilig wonder
blijven
beseffen, dat
de eindige
mensengeest
doorstraald
wordt door
oneindig
waarheidsstreven,
door louterende
volkomenheidsdrang,
door zegenend
schoonheidslicht.
Het zou voor de
religie naar
ons besef
fataal zijn,
wanneer
waarheid,
goedheid,
schoonheid als
het menselijke
gescheiden
werden van het
heilige als het
goddelijke.
Terecht kwam
Otto op voor
het
onherleidbare
van de religie,
het is een
eigen innerlijk
leven, het
richt zich op
eigen wijze op
de eeuwig
geldige
waarden.
Terecht
evenzeer noemde
een der
allergrootste
religieuze
genieën,
Augustinus, God
superior
illa luz, qua
mens humana
illustrateur,
het hogere
licht waardoor
de mensengeest
verlicht wordt.
Het licht der
goddelijke
waarheid
oerbron van
alle waarheid
erkennen;
eeuwige
goedheid raakt
ons geweten, zo
dat wij in dit
licht ons
richten naar
goedheid.
Men voelt, dat
dit precies het
omgekeerde is
van het
verklaren der
menselijke
waarheid tot de
goddelijke, van
het opleggen
van onze
idealen aan het
leven. Wie in
gebrekkig
menselijk
zoeken, het
zondige
menselijk
volkomenheidsstreven
nochthans de
instraling van
het goddelijk
licht erkent,
doet dit in het
diepe
religieuze
besef van te
staan tegenover
het heilige
wonder dat
zich openbaart
maar heilig en
wonderbaarlijk
blijft.
Het heilige
wonder is in
het leven, in
de simpele
dingen daarvan;
het is in een
grote liefde,
het is in een
stil ontvangen
geluk; het is
in de dood, die
een hoogheid
heeft met
mensenhand niet
aan te raken;
het is de
louterende
smart; in de
martelingen van
het berouw en
de zegen van
het weer
opgericht
worden. Het
heilige wonder
is in alle
dingen van het
leven, omdat
het de oergrond
is waaruit de
dingen treden
in de tijd. Het
is naar Vondels
woord: der
eeuwigheden
glans en ader,
waarvan al het
zijnde in z'n
vergankelijkheid
de stille
afglans draagt.
1
William Brede
Kristensen
(1867-1954),
Het leven uit
den dood;
studiën over
Egyptischen en
Oud-Griekschen
godsdienst,
Haarlem 1926
2 Rudolf Otto,
Het heilige,
Amsterdam 2001,
pagina 14
3 Idem, pagina
63
4 Idem, pagina
91
(De vertaling
van de citaten
zijn van Willem
Banning zelf en
zijn dus
enigszins
anders dan de
vertaling van
Jo Dippel waar
hier naar
verwezen
wordt.)
*Johann
Wolfgang von
Goethe:
Iphigeneia in
Tauris, in
Nederlandsche
verzen
overgezet door
P.C. Boutens,
Amsterdam 1908
Willem
Banning
(1888-1971)
volgde zijn
onderwijzersopleiding
in Haarlem, was
actief in de
geheelonthoudersbeweging
en studeerde
theologie aan
de
Rijksuniversiteit
Leiden. Hij
werd na een
predikantschap
in Haarlo en
Sneek in 1929
directeur van
de Vereniging
Woodbrookers en
leidde vanaf
1931 het
conferentiecentrum
van de
Arbeidersgemeenschap
der
Woodbrookers te
Bentveld.
Banning
promoveerde in
1931 op Jean
Jaurès. Van
1931 tot 1937
was hij lid van
het
partijbestuur
van de SDAP en
hij speelde rol
bij oprichting
van de PvdA in
1946.
In september
1940 werd hij
predikant te
Haarlem en
stond zeer
kritisch
tegenover de
Duitse
bezetters; hij
werd als
gijzelaar in
Sint
Michielsgestel
gevangen
gehouden van
mei 1942 tot
december 1943.
In februari
1944 werd hij
predikant te
Naaldwijk en
was betrokken
bij de
oprichting van
vormingsinstituut
Kerk en Wereld
en was
vervolgens
directeur van
1945 tot 1953.
Willem Banning
was hoogleraar
kerkelijke
sociologie
Rijksuniversiteit
Leiden van 1946
tot 1958 en
tevens
buitengewoon
hoogleraar in
Rotterdam.
De
Vereniging AG
Trefpunt voor
Zingeving en
Democratie
beschouwt
zichzelf als de
eigentijdse
voortzetting
van de vroegere
door dr. W.
Banning
opgerichte
AG der
Woodbrookers.
Als zodanig
komt ze voort
uit stromingen
die hun bron
hebben in de
joodse en
christelijke
traditie en in
het humanisme.
In geestelijk
politiek
opzicht is er
een sterke
verwantschap
met die
bewegingen die
zich ingezet
hebben voor
humanisering
van de
samenleving,
met name als
het gaat om
democratisering,
solidariteit en
emancipatie.
In de lijn van
deze traditie
stelt de
Vereniging AG
tegenover de
huidige
dominantie van
het
utiliteitsdenken
de noodzaak van
een
cultuurkritische
benadering,
waarbij er ook
in het
politieke debat
sprake is van
een constante
bezinning op en
discussie over
de waarden die
aan politiek
handelen ten
grondslag
liggen. En aan
het mensbeeld
dat daarbij in
het geding is
en aan de vraag
naar de zin der
dingen, zodat
de betekenis
onderkend wordt
van de
culturele
dimensie van
politiek
handelen, en
ook weer
duidelijk wordt
welke politieke
krachten zich
identificeren
met de
kwaliteit van
het publieke
domein en zich
willen inzetten
voor de sociale
cohesie,
daarbij
beseffend dat
moderne
politiek zich
bewust situeert
in het
spanningsveld
tussen
mondigheid en
solidariteit.
(Keizersgracht
102, 1015 CV
Amsterdam)
|
|