
Psychologie
en geloof;
Een kroniek en een standpunt
Rudolf Otto schrijft vanuit
een "zarte Empirie, die sich mit dem Gegenstand innigst identisch
macht und dadurch zur eigentlichen Theorie wird", een boek
dat de lezer bladzij na bladzij verrast en verrukt. Het werk kreeg
grote bekendheid, beleefde tientallen herdrukken en werd in vele
talen vertaald. De inhoud bestaat in een haast speelse beschrijving
van de eigenschappen van Das Heilige (de titel van het
boek), en de terugslag daarvan op de mens die dit heilige ervaart.
Een korte samenvatting van de inhoud lijkt mij niet mogelijk;
om een indruk te krijgen moet je het werk zelf ter hand te nemen.
Een enkel woord echter
over de titel: Das Heilige. Er staat niet "Der
Heilige". Met het onzijdige lid-woord wil de schrijver
uitdrukken, dat het hem gaat om een universeel en daardoor nog
naamloos oergegeven van buitenredelijke aard, dat ons direct,
gevoelsmatig aanspreekt. Wie het heilige of numineuze ervaart,
ervaart het mysterie in en achter alle dingen, een mysterie dat
hem vreemd is, dat hij niet kent noch al redenerend vermag te
kennen, een macht die hem overweldigt, hem klein en bevreesd maakt,
die hem evenwel tegelijk fascineert en enthousiasmeert.
De ervaring van het heilige is niet de ervaring van God. God is
de verpersoonlijking van het heilige. God "ontstaat"
uit het heilige, is jonger dan het heilige. Niettemin ontleent
Otto voorbeelden aan de bijbel, waarmee het heilige tevens het
gewaad wordt waarmee God zich kleedt. Zo bewijst God zich aan
de mens: als drager van het heilige.
Samengevat: het heilige is in de eerste plaats eigenschap van
de kosmos, grond der dingen, macht van het al, geweld der schepping,
al datgene daarbuiten ons wat ons aanspreekt, be-roert, ontroert,
overweldigt, wegvaagt - en vervult met gloed en bezieling. In
de tweede plaats is het heilige: wat ons in het omgaan met ding
en mens uitnodigt tot geloof in een persoonlijk God.
Het neutrale en onpersoonlijke lidwoord "das" hangt
stellig ook samen met Otto's kantiaanse oriëntering, en met
de theo-logie van het begin der 20e eeuw, waaraan Otto zich niet
kon ontworstelen. Het was al revolutionair genoeg het heilige
cen-traal te stellen - en niet het innerlijk. Barth had zijn Römerbrief
nog niet geschreven.
Dr. J. H. van den Berg: Psychologie en geloof, Nijkerk 1958
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |