Talen en Schriften van het oude Italië

Door Ivo Westerlaken

Het oude Italië kende vele talen die we -met uitzondering van het Latijn en het Grieks- uitsluitend van inscripties kennen; ze zijn ons dus niet in handschriften overgeleverd. De belangrijkste van deze talen waren aanvankelijk het Etruskisch en het Oskisch.

De bekendste taal uit het oude Italië is het Latijn en teksten in het Latijn dateren vanaf de derde eeuw v.Chr.; de oudste inscripties gaan tot 600 v.Chr. terug. Nauw verwant met het Latijn is het Faliskisch, uit de stad Falerii, ten noorden van Rome. Onze kennis van deze taal is door het geringe aantal inscripties beperkt. Men beschouwt de taal wel als een dialect van het Latijn. Samen met het Latijn vormt het een aparte groep (het Latino-Faliskisch) in vergelijk met de Etruskische groep schriften. Het enige andere Latijnse dialect waar we inscripties van hebben is het Marsisch.

De nauwste verwant van het Latino-Faliskisch is de Osco-Umbrische groep, ook wel Sabellisch genoemd. Behalve van enkele kleine inscripties kennen we het Umbrische alfabet van de zeven bronzen platen uit Iguvium (huidige Gubbio; het Umbrisch heet men ook wel Iguvinisch), die een uitgebreide rituele tekst in het Umbrisch en Latijn bevatten. Het Oskisch werd in grote delen van midden en zuid Italië gesproken. Inscripties in het Oskische alfabet zijn onder andere te Pompeï en Capua teruggevonden. Zowel het Oskische- als het Umbrische alfabet werden in de zesde of vijfde eeuw v.Chr. van een latere vorm van het Etruskische alfabet geleend. Het Latino-Faliskisch en het Osco-Umbrisch vormen samen de Italische tak van de Indo-Europese talen.

In Apulië in het uiterste zuidoosten van Italië vinden we inscripties in het Iapygisch, of Messapisch (vijfde tot eerste eeuw v.Chr.). Het Iapygisch was een Indo-Europese taal met enkele verwantschappen met het Illyrisch. De sprekers van deze taal schijnen over zee uit Joegoslavië naar Italië gekomen te zijn. Van de Iapygiërs (Dauniërs, Peucetiërs en Messapiërs) bezitten we enige opschriften; hun alfabetten komen van de Grieken. De Messapii behoorden overigens tot de Illyriërs.

Tussen de 6e en 5e eeuw v.Chr. werd het noorden van Italië en het grootste deel van het Alpengebied bewoond door mensen wier dialecten nog niet juist geklassificeerd zijn, maar naar wie meestal verwezen wordt als de Liguriërs, daar hun gebied ruwweg correspondeert met de historische Liguriërs. In deze dialecten vinden we Indo-Europese elementen op een pre Indo-Europese substraattaal. Het Ligurisch kennen we vrijwel alleen uit namen.


Venetische inscriptie
In Venetia, Istria en Cornolia in het noordoosten van Italië werd een dialect gesproken dat men Venetisch noemt. Volgens sommigen is het een Indo-Europese taal, doch verwantschap met het Italisch, Keltisch, Germaans en Illyrisch wordt vermoed. Venetisch behoort tot de Oostelijke of Adriatische taalgroep, doch deze talen zijn geen linguïstisch geheel. Toponymische gegevens en traditie verwijzen ons naar de kusten van Illyrië en de Illyriërs, hoewel er geen eenduidige betekenis aan het woord Illyrisch gegeven kan worden door de geleerden, vooral daar de hedendaagse Albaanse dialecten (de Albanen stammen af van de Illyriërs) geen affiniteit met het oude Venetisch of het Iapygisch van de Apulische cultuur bezitten.

In Picenum aan de Italiaanse noordoostkust komen we enkele dialecten tegen waar we weinig van weten. Er leefde daar een volk, dat in de Umbrische tekst van de Iguvine-tafels Iapuzci genoemd wordt. Deze naam lijkt sterk op die van de Iapodi van Istria en de Iapygi van Apulia. Men vermoed dan ook dat de Illyriërs eveneens hun ethnische en linguïstische stempel op Picenum drukten.

De Venetische cultuur van Ateste (Este) heeft sterke Etruskische invloeden ondergaan. Deze bereikte het noorden van Italë vermoedelijk eerst via het 'Villanovische' Bologna, en later via directe contacten met de Etruskische Po-vallei. Hetzelfde kan gezegd worden van het kustgebied en het landinwaarts gelegen gebied van Liguria, evenals van het Raetisch. Het Raetisch en het Ventisch, samen met het Lepontisch, voegt men samen tot de zogenaamde Alpenalfabetten. Deze zijn vrijwel geheel van het Etruskisch afgeleid en de inscripties in deze alfabetten geschreven stammen vrijwel allemaal uit de laatste drie eeuwen voor Christus. In de eerste eeuw v.Chr. nam het Latijnse alfabet in dit gebied de plaats van het Etruskisch in. De Lepontische inscripties vinden we rond de grote meren in Noord Italië. Ze zijn in het Keltisch opgetekend en bevatten enkele Etruskische kenmerken. De noorditaliaanse inscripties in de Gallische taal zijn ook in een alfabet geschreven dat vrijwel identiek is met het Lepontisch. De Kelten drongen voor 400 v.Chr. Noord Italië binnen en brachten hun taal, het Gallisch, mee. Teksten zijn er nauwelijks van deze Kelten, slechts twee inscripties, en we zijn dan ook vooral op indirecte sporen aangewezen: zo is de naam Milaan Keltisch.

Van het Raetisch bezitten we ook maar enkele inscripties en ook van deze taal weten we vrijwel niets. De inscripties werden in het gebied tussen Verona en Innsbruck gevonden. Volgens Livius (V 33, 10 e.v.) sprak dit volk een vorm van Etruskisch en hadden ze ook dezelfde oorsprong als de Etrusken. Men betwijfelt de laatste mededeling, hoewel enkele elementen in de taal volgens sommige geleerden aan Etruskisch doen denken. Men noemt het dan ook een Etruskisch dialect met Keltische invloeden (Jensen), maar ook wel een pre Indo-Europese taal die enige affiniteiten met Etruskisch bevat (Pallottino). Volgens anderen is de taal zoals we die uit de inscripties kennen geen Etruskisch. Verder zegt men dat het historsch en archeologisch onwaarschijnlijk is, dat de Etrusken zó ver naar het noorden gekomen zijn. Doch, zoals boven al gezegd, bestonden er contacten met de Etrusken in de Po-vlakte vanwaar de Etruskische elementen het Raetisch binnengedrongen kunnen zijn. Van een inscriptie op een hertshoorn kennen we de naam van een godin uit het Raetisch; zij wordt mogelijk Rita of Rite genoemd en is wel dezelfde godin die we als Retia of Rehtia kennen van de Veneti.

Van Syracuse tot Napels was de Italiaanse kust Grieks; Zuid Italië en Sicilië werden dan ook Groot Griekenland genoemd, Magna Graecia. Op Sicilië hebben we verder het Elymisch in het westen en het Siculisch in het oosten. Van beide talen vermoeden we dat ze Indo-Europees zijn; helaas is er weinig van over.

Tot besluit nog een schematische verdeling van de verschillende talen of dialecten in Italië tussen 600 en 200 v.Chr. Niet opgenomen zijn de dialecten van de Griekse koloniën en het Etruskisch.

Indo-Europees

Keltisch Gallisch
Lepontisch
Italisch Lat.-Fal. Latijn
Faliskisch
Marsisch
Osk.-Umbr. Oskisch
Umbrisch
Paelignisch, etc.
Zuid-Piceens
Venetisch Venetisch
Illyrisch? Iapygisch
Venetisch
Piceens
Indo-Europees? Ligurisch
Siculisch
Elymisch
? Raetisch

Bronnen
Beekes & Van Der Meer, De Etrusken Spreken, 2, 6.1
Encyclopædia Britannica, vol. 12, art. 'Italy'; vol. 23, art. 'Volsci'
Encyclopædia Britannica Online, 'ancient Italic people'
J. Friedrich, Entzifferung verschollener Schriften und Sprachen, II 3b
H. Jensen, Sign, Symbol and Script, XV, G 3, 4, 5, 6
Pallottino, The Etruscans, dl. 1, pp. 25, 27, 28-29, 41, 98



Index | Oude Volken van Italië | Talen en Schriften van het oude Italië | Het Liber Linteus | De Discus van Magliano | De Lever van Piazenca | De Tegel van Capua | De Sarcofaag van Laris Pulenas | Inscripties op spiegels | Toscaanse folklore | Een korte woordenlijst | Lijst van namen | Twee bizarre verhalen