"Mijne bedoeling is altoos geweest iedereen goed en niemand kwaad te doen"
In 1802 verschijnt te 's-Gravenhage bij J.C. Leeuwestyn De ridder
Don Quichot van Mancha, beschreeven door Miguel de Cervantes de Saavedra.
Versneeden naar den Hedendaagsche smaak, en verrijkt met afbeeldingen eener
nieuwe uitvindinge. Deze vertaling van Don Quijote bestaat uit
twee delen en is van de hand van Pieter van Woensel (1747-1808).
Voorafgaand aan de tekst beschrijft Van Woensel het leven van Cervantes1. Hij vertelt de lezer aan het begin van deze levensbeschrijving dat Cervantes tijdens zijn leven als oud vuil werd behandeld en geen erkenning kreeg voor zijn schrijverschap. De verhouding tussen auteur en publiek is volgens Van Woensel in de twee eeuwen sinds Cervantes niet veranderd. Nog steeds hoeven auteurs geen respect te verwachten! Van Woensel vindt het een belangwekkend onderwerp; hij besteedt maar liefst drie pagina's aan deze uiteenzetting2. Hij lijkt een overeenkomst te willen zien tussen zichzelf en Cervantes: ook hij krijgt immers geen waardering van zijn tijdgenoten. In de loop der jaren heeft hij, door zijn lezers voortdurend te bekritiseren, een behoorlijk verstoorde relatie met zijn publiek opgebouwd.
Zo verschijnt er in 1792, ruim 10 jaar voor het verschijnen van zijn Don Quichot-vertaling, in de Monthly Review een recensie op de Aanteekeningen3 van Van Woensel. In deze reisbeschrijving haalt Van Woensel uit naar het christendom. De lezer moet zijn kritiek echter niet al te serieus nemen, vindt hij. Hij heeft immers meer kennis van Cervantes dan van de bijbel4. De Monthly Review voelt zich genoodzaakt te reageren:
Het lijkt echter onwaarschijnlijk dat Van Woensel, zoals hij in de Aanteekeningen beweert, de bijbel niet goed kent: hij neemt veelvuldig citaten uit de bijbel op in zijn werk. In 1792 noemt hij de bijbel en Cervantes nogmaals in een samenhangend verband. In De Lantaarn, een almanak die hij in eigen beheer uitgeeft, spreekt hij over de onhebbelijke gewoonte van mensen om de baas over elkaar te spelen6. Vooral christenen en islamieten lijden aan deze kwaal. Veelgodendienaars als de Romeinen hadden er geen last van:
Van Woensel is geen bedaarde huisvader. Integendeel, hij heeft zijn leven lang veel gereisd en is, voor zover bekend, nooit getrouwd geweest. Op 25-jarige leeftijd vertrekt hij om onduidelijke redenen naar Rusland. Hij werkt daar zes jaar als arts bij het adellijke land-cadettencorps van St. Petersburg. Terug in Nederland wordt hij arts bij de marine in Amsterdam.
In 1784 gaat hij weer op reis, ditmaal naar Turkije, de Krim en Rusland. De Aantekeningen doen verslag van deze reis. Het is onbekend waarom hij deze reis onderneemt en hoe hij tijdens de reis in zijn bestaan voorziet. Waarschijnlijk is hij enige tijd als arts in dienst van de Russische vloot.
Reizen is voor Van Woensel doel op zich. Hij is van mening dat de mens door ervaringen en kennis op te doen, een onafhankelijke, doordachte mening kan vormen7. Het reizen wordt ook een ziekte voor hem. Hij vermeldt dat hij nergens meer kan aarden en dat alles hem zeer snel verveelt8. Terug in de Republiek wordt hij weer marine-arts. In die functie maakt hij in 1794 een reis naar West-Indië. Ook verblijft hij in 1796, in opdracht van de Commissie van Buitenlandse Zaken, een half jaar in St. Petersburg. Tot zijn dood, in 1808, verblijft hij in Nederland en publiceert hij nog verschillende werken, onder andere over Rusland.
Intussen geeft Van Woensel ook een almanak uit, De Lantaarn9. Zowel in dit jaarboekje, als in zijn overige werk steekt Van Woensel zijn mening over religie, politiek en zijn medemensen niet onder stoelen of banken. Het lijkt alsof hij zich niet bekommert om stijl - zijn werk is ook nu nog zeer toegankelijk -, maar alleen met de inhoud bezig is. Vaak springt hij van de hak op de tak, omdat een bepaald onderwerp hem aan een ander doet denken en hij de lezer zijn gedachten hierover niet wil onthouden. Vooral in zijn vele voetnoten leeft hij zich uit en deelt hij de nodige `uppercuts' uit.
Door deze houding maakt hij zich niet geliefd bij het publiek. De kritiek die hij ontvangt, legt hij echter naast zich neer. Hij is ervan overtuigd dat hij er goed aan doet geen blad voor de mond te nemen en de mensen te bekritiseren om hun bekrompenheid en hypocrisie. Zo draagt hij een hoofdstuk in de Aanteekeningen op aan de bijbelpassage Mattheus XIII, v. 57:
In 1802 verschijnt de Don Quichot-vertaling van Van Woensel; 70 jaar na de laatste herdruk van de vertaling van Van den Bos. Waarom maakt Van Woensel een nieuwe vertaling? Zijn liefde voor de Don Quichot is aannemelijk. Hij noemt het boek in 1800 zelfs zijn vademecum10. Deze liefde hoeft echter op zichzelf geen reden voor een nieuwe vertaling te zijn. Waarschijnlijk kende hij de vertaling van Van den Bos. In een verantwoording voorafgaand aan de vertaling, "Aanhangzel van den Nederduitschen uitgever", vertelt Van Woensel dat hij het boek opnieuw vertaald heeft en tegelijk danig ingekort.
Van welke editie zal Van Woensel gebruik gemaakt hebben voor het maken van zijn vertaling? Hij zal in ieder geval zijn uitgegaan van een anderstalige editie. De vertaling van Van Woensel bevat namelijk elementen die nog niet eerder in een Nederlandstalige editie verschenen. Het gaat hierbij om twee voorredes van Cervantes (in deel 1 en deel 2) en op de opdracht aan de graaf van Lemos in deel 213. Van Woensel geeft een vrije vertaling van deze onderdelen, maar inhoudelijk komen ze overeen met het origineel14. Van Woensel las hoogstwaarschijnlijk geen Spaans15, maar Franse, Duitse en Engelse vertalingen waren in overvloed voorhanden.
Van Woensels levensbeschrijving van Cervantes, waarover ik al eerder sprak, doet vermoeden dat Van Woensel goed gedocumenteerd was over deze auteur en zijn oeuvre. De beschrijving is zeer uitgebreid en natuurlijk kon Van Woensel het niet nalaten hier en daar zijn eigen stempel op het verhaal te drukken. De titel van de beschrijving, "Het leeven van Miguel de Cervantes de Saavedra", is meteen al voorzien van een voetnoot:
Deze kritische houding is ook terug te vinden in voetnoten bij de vertaling. Daarin geeft hij de lezer achtergrondinformatie, maakt hij hem attent op leuke passages18 en onvolkomenheden in het werk van Cervantes.
Vanwege deze onvolkomenheden is Van Woensel ook niet zo negatief over het apocratiefe tweede deel van Don Quijote als veel Cervantes-adepten. Dit tweede deel was geschreven door Alonso Fernández de Avellaneda en verscheen in 1614. Van Woensel vindt het boek van Avellaneda niet zo goed als het boek van Cervantes, maar is van mening dat het Cervantes wel aanzette tot het publiceren van het tweede deel van zijn Don Quijote in 1615. Bovendien had Avellaneda volgens hem in sommige kritiek op Cervantes gelijk. Hij verwijst in dit verband naar het XIe hoofdstuk van Avellaneda, getiteld "'t welk men niet met vooroordeel moet lezen"21. In dit schitterende hoofdstuk wordt de Don Quijote van Cervantes besproken. Drie mannen, waaronder Don Quichot zelf, discussiëren over ongeloofwaardige avonturen en inconsequenties in het boek van Cervantes.
De vertaling van Van Woensel is dus om een aantal redenen opvallend. Allereerst geeft hij in voetnoten, en in het voorwerk tussen de regels door, commentaar op het werk van Cervantes. Verder heeft Van Woensel naar eigen goeddunken een aantal passages weggelaten. Hij voegt echter ook voor het eerst in een Nederlandse vertaling de beide voorwoorden en de opdracht aan de graaf van Lemos toe. Daarmee tilt hij het verhaal uit boven het niveau van een onderhoudende geschiedenis. De lezer maakt kennis met de auteur. Een auteur bovendien die gezond verstand heeft en die, zoals in zijn voorredes blijkt, in veel opzichten een zielsverwant is van Van Woensel. Zo zegt Cervantes niet te willen smeken om goedkeuring door het publiek. Hij weet echter dat het publiek zich vaak laat misleiden door valse uiterlijke schijn en maakt zich zorgen of het publiek zijn werk zal waarderen. Een dergelijke uitspraak zou in geen enkele publikatie van Van Woensel zelf misstaan.
Wat vond het publiek van deze vertaling van Van Woensel? Veel is hierover niet bekend. De Algemeene Vaderlandsche Letteroefeningen geeft een positieve recensie in 180324.
Van Woensels vertaling was zeker niet de laatste die op de Nederlandse boekenmarkt zou verschijnen. Zij staat samen met de vertaling van Lambertus van den Bos en de bewerking van Jacob Campo Weyerman aan de basis van een lange, rijke traditie. Van Woensels vertaling is ook nu nog zeer onderhoudend en goed leesbaar. Ze getuigt van respect voor Cervantes èn voor de vertaler zelf. Van Woensel laat zich bij de vertaling duidelijk leiden door zijn eigen smaak en opvattingen. Hij vertaalt de Don Quijote omdat hij van mening is dat de tijd vraagt om een nieuwe vertaling: "Op dat een auteur geleezen worde, moet hij zich schikken naar de mode van zijn tijd" (Van Woensel, 1802, dl. 1, p. VII).
Of Van Woensel zich met zijn vertaling conformeert aan de mode van zijn tijd is nog maar de vraag. Zijn overige werk getuigt van een tegengestelde houding. Hij komt daarin naar voren als een heuse Don Quichot: een onvermoeibare ridder, wiens goede bedoelingen niet echt gewaardeerd worden.
Noten
1. "Het leeven van Miguel de Cervantes de Saavedra", Van Woensel, 1802, dl. 1, p. IX-XXXVI.
2. Van Woensel, 1802, p. IX - XII.
3. Aanteekeningen gehouden op eene reize door Turkijen, Natolien, de Krim en Rusland in de jaaren 1784 -89, (2 dln.) 1791-1795.
4. Aanteekeningen, dl. 1, p. 216.
5. Aanteekeningen, 1791, dl. 1, p. 55, p. 216, p. 384; Aanteekeningen [...], 1795, dl. 2, p. 15, p. 62, p. 89; De Lantaarn, 1792, p. 119, p. 123; De Lantaarn, 1798, p. 158; De Lantaarn, 1800, p. 49, p. 146; De Lantaarn, 1801 (herdruk van 1800 met uitbreiding), als bij 1800 en p. 109. Er zijn geen verwijzingen gevonden in Rusland beschouwd [...], 1804; De staat van Rusland [...], 1781; Monitor [...], apr.-aug. 1780; De Lantaarn, 1793, 1796.
6. Van Woensel haalt overigens in dit verband een uitspraak van Sancho Panza aan: "Heerschen is aangenaam, was ['t] ook, zegt SANCHE, over eene kudde varkens." (De Lantaarn, 1792, p. 119).
7. Aanteekeningen [...], dl. 1, p. 1-2.
8. Aanteekeningen [...], dl. 1, p. 5-6.
9. De Lantaarn, uitgegeven onder het pseudoniem "Amurath-Effendi, Hekim-Bachi", waarschijnlijk bij Van Cleef in Den Haag: jrg. 1792, 1793 (herdruk van 1792 met toevoeging), 1796, 1798, 1800, 1801 (herdruk van 1800 met toevoeging).
10. De Lantaarn, 1800, p. 48-49.
11. Wanneer Van Woensel een groot stuk tekst weglaat, vermeldt hij dat. Zoals in Van Woensel 1802, dl. 1, voetnoot p. 220.
12. Van Woensel, 1802, dl. 1, voetnoot p. 46.
13. De opdracht aan de Hertog van Béjar in deel 1 van de oorspronkelijke versie van Cervantes heeft Van Woensel niet opgenomen.
14. Ik heb de editie van Van Woensel op dit punt vergeleken met de editie van Werumeus Buning en Van Dam (eerste druk 1941), welke in het algemeen beschouwd wordt als een getrouwe vertaling van het origineel van Cervantes.
15. Van Woensel verwijst in zijn oeuvre veelvuldig naar gebruikte bronnen, echter nooit naar Spaanstalige bronnen.
16. Bijvoorbeeld de meningsverschillen over de geboorteplaats van Cervantes (Van Woensel, 1802, dl. 1, p. XII-XIII).
17. Van Woensel gelooft bijvoorbeeld niets van de verhalen over Cervantes' gevangenschap in Algiers. "Dergelijke onnatuurlijkheden boezemen bij een nadenkend lezer mistrouwen in [...]" (Van Woensel, 1802, dl. 1, p. XIX). Hij kent de situatie in islamitische landen en stelt dat Cervantes al lang opgehangen zou zijn als hij zich echt zo gedragen had als beweerd wordt.
18. Van Woensel, 1802, dl. 2, voetnoot p. 259: "Zo moet onze ridder, die zich op zo veele dingen verstondt, ook kennisse gehad hebben van 't kouzen stoppen! Wat zeg ik? stoppen... van het maasen zelfs".
19. Van Woensel, 1802, dl. 1, voetnoot p. 187.
20. Van Woensel, 1802, dl. 1, voetnoot p. 106 en dl. 2, voetnoot p. 23.
21. Van Woensel, 1802, dl. 1, p. XXVI. Het bedoelde hoofdstuk is terug te vinden in deel 2, p. 416 ev. van een Nederlandse vertaling, Nieuwe Avantuuren van den Vroomen en Wijzen Don Quichot de la Mancha, Oorspronkelijk in de Spaansche Taal beschreeven door Alonso Fern. de Avellaneda, En nu om derzelver geestigheid voor de eerste maal in 't Neederduits gebracht. Verçiert met Kopere Platen, uitgegeven bij W. Broedelet te Utrecht in 1706 (eerste druk), bij J. Ratelband en A. van Damme te Amsterdam in 1718 (tweede druk) en bij H.W. van Welbergen te Deventer in 1725 (tweede druk).
22. Van Woensel zelf heeft ook geen al te hoge pet op van zijn collega-auteurs en zijn publiek. Lees ter vergelijking de voorrede van de Aanteekeningen [...], 1791-1795.
23. Dit blijkt uit een brief van de heer S. Moulijn (1866-1948, schilder en geschiedschrijver van de lithografie), gedateerd op 21-5-1926. Deze brief is opgenomen voorin het UBA-exemplaar van deel 1 van Van Woensel, 1802. De etsen zijn te vinden in dl. 1: t.o. p.6, p.35, p.135, p.415 en p.451; in dl. 2: t.o. p.15, p.193, p.344 en p.354.
24. Er zijn geen recensies gevonden in de Algemeene Konst en Letterbode, De Recensent, ook der Recensenten, het Vaderlandsch Magazijn, van Wetenschap, kunst en smaak en de Maandelijksche Uittreksels of Boekzaal der geleerde wereld.
25. Fondslijst van J.C. van Kesteren, Bibliotheek van de Koninklijke Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels, Amsterdam.