Xenotransplantatie: een einde aan orgaanwachtlijsten?

Door Wouter Sinke

Wereldwijd wordt al jaren gekampt met grote tekorten op het gebied van donororganen. Zo moesten het afgelopen jaar 1411 Nederlanders wachten op een orgaan en is de gemiddelde wachttijd voor niertransplantatie vier en een half jaar. Ondanks grote publieksacties van de overheid blijken de Nederlanders niet echt warm te lopen om hun organen ter beschikking te stellen. Er zijn verschillende mogelijkheden om donororgaan tekorten te verminderen, één hiervan is xenotransplantatie. Xenotransplantatie houdt in dat organen, weefsels of cellen van dieren, zoals varkens, gebruikt worden voor transplantatie naar menselijke patiënten.

Xenotransplantatie: de toekomst? In een snel vergrijzend Europa waar de vraag naar donororganen groter wordt en het aanbod kleiner kan xenotransplantatie een oplossing bieden. Dankzij deze techniek zouden er altijd organen beschikbaar zijn. Nu is het vaak zo dat mensen zo lang wachten dat ze soms te ziek/zwak zijn om een zware operatie als een transplantatie kunnen weerstaan.

Om deze vorm van orgaantransplantatie voor menselijk gebruik toe te gaan passen, zijn er enige problemen, zowel op ethisch vlak en technisch gebied. Al jaren worden varkenshartkleppen gebruikt voor transplantatie (ze bevatten geen levend materiaal), het transplanteren van levend materiaal ligt echter een stuk gevoeliger. Om te bepalen hoe de Nederlanders hierover denken is in 2001 in opdracht van de overheid een onderzoek verricht door het Rathenau Instituut.

Hieruit bleek dat xenotransplantatie door een grote meerderheid van de Nederlandse burgers (84%) beschouwd wordt als in zekere mate risicovol. Bovendien heeft 58% hiertegen ook ethische bezwaren. Het speciaal ontwikkelen van embryo’s voor transplantatiedoeleinden wordt door ruim de helft van de ondervraagden negatief beoordeeld. Het gebruik van embryo’s overgebleven na IVF-behandeling ligt minder gevoelig. Van de ondervraagden wees 57% experimenten met restembryo’s niet af. Naar aanleiding van het hieruit vloeiende debat en de bespreking in de Tweede Kamer is besloten om in een wettelijk verbod op xenotransplantatie in te stellen.

Met name in de Verenigde Staten wordt op een aantal plaatsen xenotransplantatie-onderzoek gedaan. Frank Dor, chirurg-in-opleiding in het Erasmus MC Rotterdam, is de afgelopen twee jaar actief geweest in Boston aan de Harvard Medical School ten behoeve van zijn promotieonderzoek. Er wordt steeds meer terrein gewonnen op het punt van afstoting van organen van een andere soort.Deze vooruitgang is geboekt op het punt van de hyperacute afstoting. Bij deze vorm van afstoting worden lichaamsvreemde cellen/weefsels binnen enkele minuten vernietigd. Het menselijk afweersysteem reageert agressief op varkenscellen, met name op alfa-Gal.

Dit is een suikermolecuul op het oppervlak van elke varkenscel. De mens heeft natuurlijk voorkomende antistoffen tegen dit molecuul. Die antistoffen binden met alfa-Gal op de varkenscellen en zetten een reactie van het complementsysteem gang. Dit zijn eiwitten in het bloed die vreemde cellen razendsnel vernietigen.

 

Een grote doorbraak, op het punt van afstoting door lichaamseigen antistoffen , werd bereikt door de ontwikkeling van  varkens die door genetische manipulatie het alfa-Gal molecuul missen. In Boston konden Dor en collega’s als eersten ter wereld transplantaties doen met organen van deze zogenaamde knock-out varkens in bavianen (die ongeveer hetzelfde reageren op varkensorganen als mensen). Zo zijn onlangs  harten en nieren van deze varkens naar bavianen getransplanteerd. Normaal zou een varkensorgaan snel door het immuunsysteem van de aap worden afgestoten en vernietigd. Tot nu toe was het wel mogelijk om de anti-Gal antistoffen tijdelijk te onderdrukken, maar bleek dit nooit voldoende om afstoting door deze antistoffen te voorkomen. Met de komst van de knock-out varkens hoefde er geen zorgen meer gemaakt te worden over deze antistoffen. Er werd afstotingsremmende medicatie gebruikt die klinisch acceptabel is. Het is nu gelukt om de bavianen met een varkensnier  81 dagen in leven te houden, terwijl dat hooguit dertig dagen lukt met nieren van niet-knock-out varkens. Varkensharten overleven nog langer, en kunnen nu zo’n vier a vijf maanden probleemloos functioneren in een baviaan.

 

Het is volgens Frank Dor, de enige Nederlandse doctorandus die actief onderzoek verricht naar xenotransplantatie, een kwestie van enkele jaren voordat. harten van varkens een waardig alternatief zou kunnen zijn. Hij stelt dat met de komst van het Gal-knock-out varken, een cruciale periode is aangebroken voor de xenotransplantatie. Dor: “Ik denk dat we de komende vijf jaar met een goed antwoord moeten komen op de vraag of xenotransplantatie een klinische realiteit gaat zijn. Daarvoor is het wel noodzakelijk dat er klinische trials (operaties met mensen) opgestart gaan worden. Mijn verwachting is dat dit in de Verenigde Staten op korte termijn zal worden gedaan. Het meest logisch lijkt transplantaties met eilandjes van Langerhans (die insulineproducerende cellen bevatten) van varkens. Maar ook het varkenshart is een reële optie, om bijvoorbeeld een periode tot het ondergaan van een menselijke harttransplantatie te overbruggen.”

 

Nu er duidelijke vooruitgang is geboekt bij het voorkomen van de antistof-gemedieerde afstoting, kan er onderzocht worden hoe de afstotingsreacties van varkensorganen op langere termijn verlopen. Resultaten uit het laboratorium van Dor wijzen erop dat deze, voornamelijk door T lymfocyten (ontdekkers en vernietigers van vreemde eiwitten in het bloed) bepaalde reacties, waarschijnlijk niet veel heftiger zullen zijn als die van menselijke transplantaties. Maar meer onderzoek is noodzakelijk om dit met zekerheid te kunnen  stellen.

 

Ondanks deze progressie zijn er nog moeilijk te overbruggen problemen. Varkensorganen en –weefsels werken in een aantal belangrijke opzichten anders dan die van de mens. Voor weefsels en cellen met relatief simpele biologische functies, zoals bijvoorbeeld insulineproducerende cellen van de alvleesklier, hoeft het geen groot probleem te zijn. Suikerpatiënten krijgen bijvoorbeeld al tientallen jaren een effectieve behandeling met varkensinsuline. De insulineproducerende cellen van een varken zouden dus goed kunnen functioneren in een mens.

 

Het wordt echter anders bij de transplantatie van volledige organen. Dit komt doordat ze vaak meerdere functies hebben. Een nier produceert bijvoorbeeld een hormoon, erythropoïetine (EPO), dat de aanmaak van rode bloedcellen stimuleert. Uit proeven met apen blijkt het dat EPO dat door de geïmplanteerde varkensnier wordt geproduceerd  niet werkt in bavianen, en dus waarschijnlijk ook niet  in de mens. Hierdoor zou er zonder toediening van menselijk EPO op den duur bloedarmoede ontstaan bij xenotransplantatie-patiënten. 

 

Ondanks dit gegeven ziet Dor toch een verbetering van de huidige situatie. Ten eerste moesten nierpatiënten toch altijd al EPO gebruiken om de het aantal rode bloedcellen op peil te houden. Bovendien is zo’n  operatie veel patiëntvriendelijker: “Dialyse is nogal ingrijpend voor de patiënten, een varkensnier kan de kwaliteit van het leven enorm vergroten.” Tenslotte ziet hij een kostenreductie: “De rest van je leven vijf  dagen aan een dialyseapparaat is duur, een eenmalige operatie is waarschijnlijk  goedkoper.”

 

Gecompliceerder ligt het bij bijvoorbeeld de lever. Deze zuivert niet alleen het bloed, maar heeft ook een taak bij het uitscheiden van gal, het inactiveren van verschillende hormonen en de aanmaak van allerlei bloedcomponenten. Het verschil tussen mens en varken is bij dit orgaan dermate groot, dat het bijna niet denkbaar is dat het ooit permanent de rol van de zieke lever van de patiënt zal kunnen overnemen. Wel wordt nu onderzocht of het mogelijk is om met varkenslevercellen in een dialyseapparaat het bloed van ernstig zieke, acute leverpatiënten te zuiveren. Dit zou alleen kunnen als overbrugperiode totdat er een passende menselijke donorlever beschikbaar komt.

 

Naast deze nog verder te nemen hindernis is het probleem van virussen die kunnen overspringen van dier naar mens. Het is niet ondenkbaar dat na Aids, SARS en recentelijker de kippengriep als gevolg van xenotransplantatie nieuwe, onbekende of slapende virussen net zo actief en dodelijk worden. Deze virussen hebben hun erfelijk materiaal ’ingemetseld’ tussen het DNA van mensen en dieren. In deze hoedanigheid leiden ze een slapend bestaan. Pas onder bijzondere omstandigheden worden ze actief, bijvoorbeeld bij de transplantatie van een dierlijk orgaan naar een mens. Als dit gebeurt werkt xenotransplantatie contraproductief: wat bedoeld was om de geneeskunde te ontlasten zorg alleen maar voor meer patiënten en nieuwe problemen.

Volgens Dor is deze angst begrijpelijk, maar enigszins overdreven. Dor: “Het is de vrees voor het onbekende aangewakkerd door een slechte en eenzijdige informatie van de media. Alle varkensretrovirussen die zijn geïdentificeerd, zijn in het laboratorium niet in staat gebleken menselijke cellen te infecteren. In bavianen hebben werden ook geen aanwijzingen gevonden voor deze virusoverdracht. Ook zijn er patiënten die kortstondig varkensweefsel of zelfs organen hebben gehad, daar zijn geen gezondheidsproblemen mee geweest. Wat je niet kent hoeft er ook niet te zijn.” Hiernaast geeft Dor aan dat er ‘steriele’ varkens groot te brengen zijn die als het ware “virusvrij”zijn. Deze varkens zouden dan ook gehuisvest worden in een steriele omgeving tot aan transplantatie, waardoor virusoverdracht op de varkens via andere soorten zoals vogels wordt voorkomen. De virusdeskundige professor Robin Weiss van het University College in London, waarschuwde in de jaren ’90 nog voor de risico’s, maar is nu al wat genuanceerder. Bij de transplantatie van levend varkensweefsel naar minstens 200 patiënten in de afgelopen twee jaar, is niets gebleken van virusoverdracht.

 

Er zijn ook enkele alternatieven voor xenotransplantatie. Een hiervan is het gebruik van mechanische organen zoals een kunsthart of het nierdialyseapparaat. Waar het laatste apparaat een (uitwendig) kunstorgaan is dat al lang in gebruik is. Problematisch is het nog om kunstorganen te construeren die langdurig in het lichaam kunnen worden geplaatst. De ontwikkeling van een mechanisch kunsthart om in het lichaam te plaatsen is al redelijk ver. Dit hart kan een tijdelijke oplossing zijn totdat een menselijk donorhart beschikbaar komt. In de komende jaren zullen echter proeven gedaan worden met een kunsthart dat mogelijk permanent kan werken, in plaats van een donorhart. Hieraan zijn ook risico’s verbonden: in het kunsthart kunnen bloedstolsels ontstaan, ook kan het materiaal niet duurzaam genoeg zijn. Het nauwkeurig reguleren van de bloedstroom door het lichaam kan tevens een probleem zijn. Daarbij gaan ze slechts drie jaar mee.

 

Er zijn  onlangs grote vorderingen gemaakt in stamcelonderzoek. Zo zijn er in laboratoria in Zuid-Korea wetenschappers erin geslaagd om een menselijk embryo te klonen waaruit ze stamcellen hebben gewonnen. Bijzonder Hoogleraar Dierproefvraagstukken aan de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit van Utrecht Tjard de Cock Buning ziet hierin geen optie voor het ‘maken’ van organen. De Cock Buning: “Stamcellen om weefsels te maken die geen afstotingsreacties geven is een optie die goed is voor situaties waarin een deel van de weefsel moet worden vervangen. Nieuwe hartspiercellen na een hartinfarct bijvoorbeeld, of nieuwe hersencellen na een tumor operatie.  Maar echt een volledig orgaan vervangen, waarvoor xenotransplantatie staat, zie ik met stamcellen niet lukken.”

 

De technische obstakels binnen de  xenotransplantatie worden met rasse schreden genomen en de toepassingen zullen niet lang op zich laten wachten. Volgens Dor is de ethische kwestie er een van ‘als een schaap over de dam is’: “Op het moment dat er schrijnende gevallen geholpen kunnen worden met een varkenshart of nier zullen de ethische bezwaren snel verdwijnen. Als je de keuze zou hebben om je dodelijk zieke dochtertje met een varkenshart te kunnen redden, ofwel ze te laten overlijden bij gebrek aan een menselijk hart, lijkt het mij duidelijk. Zo zitten mensen nou eenmaal in elkaar. We moeten in een progressieve samenleving als de Nederlandse ook niet zo mysterieus doen over zaken als hersendood, transplantatie, en xenotransplantatie. Goede informatievoorziening is daarvoor onontbeerlijk, daar moeten we als deskundigen en media wat aan doen.”

 

 

 

Bronnen:

Gesproken


Drs. FJMF Dor, Afdeling Heelkunde, Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam
email:Frank@dorgroot.com
http://www.dorgroot.com/medicalhome.htm

Professor Tjard de Cock Buning, bijzonder Hoogleraar Dierproefvraagstukken, Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit van Utrecht: Tjard.de.Cock.Buning@falw.vu.nl.

sites

http://www.transplantatiestichting.nl/

www.rathenau.nl

www.xenotransplantatie.nl

http://www.crt-online.org/

http://www.nature.com/nsu/031201/031201-9.html

http://www.erasmusmc.nl/content/monitor/archief/monitor_juni2001.pdf

http://www.immergebt.com/press_room/2003_07_14.php

vakliteratuur

(viroloog) Jaap Goudsmid: De virusinvasie - over de overleving van virussen en de menselijke soort; 2003, Contact, Amsterdam, ISBN9025415741

meerdere exemplaren van het vakblad Xenotransplantation , The Official Journal of The International,Xenotransplantation Association, Print ISSN: 0908-665X

 

Wetenschappelijke publicaties van Dor et al. inzake experimentele xenotransplantatie.