Inleiding doctoraalscriptie:

"Diagnose: Genderdysforie"

Sekse en gender vanuit transseksueel perspectief

 

Inleiding

“Mijn genderdysforie is tweezijdig. Ik heb een hekel aan een aantal vrouwelijke kenmerken van mijn lichaam. Ik wil een platte borstkas, ik wil spierkracht, ik wil een tanig lichaam. Maar er is dus meer. Al heel mijn leven haat ik het om als vrouw behandeld te worden. Ik haat het als mannen de deur voor mij open houden. Ik haat het als ze mij een typisch vrouwenkadootje geven zoals bloemen of een kaars. Ik haat het als mannen gereedschap uit mijn handen nemen en zeggen: ‘kom meisje, ik zal het wel even voor je doen’. Ik wil als man behandeld worden, of beter gezegd, ik wil als mezelf behandeld worden” (internetter Tommy).

Gemiddeld melden zich in Nederland ongeveer 100 mensen per jaar in diverse ziekenhuizen aan voor een geslachtsaanpassende behandeling. Ze hopen zo snel mogelijk hormonen en een aantal operaties te verkrijgen om hun sekse aan te passen aan hun genderidentiteit. Tot nu toe hebben ongeveer 3000 mensen dit proces doorlopen. Met een aantal van deze ‘transseksuelen’ heb ik gesproken.

In deze scriptie wil ik laten zien dat transseksualiteit een complex fenomeen is, waarbij verschillende processen een rol spelen. In bovenstaand citaat komt een aantal facetten die van belang zijn voor het bestuderen van transseksualiteit naar voren. Tommy spreekt over kenmerken van zijn lichaam waar hij ontevreden over is. Deze kenmerken kunnen ‘sekse’ genoemd worden. Daarnaast is het voor hem belangrijk hoe anderen hem zien en behandelen, dit aspect noem ik ‘gendertoeschrijving’. Ook laat Tommy merken hoe hij zich voelt; een man. Dit is zijn ‘genderidentiteit’. Tot slot spreekt hij over gedrag van mannen; dit kan ‘genderrol’ genoemd worden.

Transseksuelen vormen een diverse groep, met uiteenlopende identiteitsbelevingen. Sommigen beschouwen zichzelf als niet anders dan ‘biologische’ mannen dan wel vrouwen. Deze mensen noemen zichzelf meestal niet transseksueel, maar ‘gewoon’ man dan wel vrouw. Anderen identificeren zich wel als transseksueel, of bijvoorbeeld als ‘persoon met een transseksueel verleden’. Overeenkomstig voor alle transseksuelen is dat hun genderidentiteit afwijkt van die behorende bij de gender die hen bij de geboorte is toegewezen. In deze scriptie zal ik bespreken wat de betekenis van gender is voor transseksuelen en wat hierbij de relatie is tussen individuele beleving en invloeden vanuit de omgeving.

Hoofdvraag

Hoofdvraag

De benadering van mijn onderzoek en scriptie is grotendeels emic; ik ga uit van de perceptie van transseksuelen zelf. Deze emic benadering betekent niet, dat transseksuelen als afgezonderde individuen bestudeerd zouden kunnen worden. In deze scriptie wil ik de interactie tussen transseksuelen en hun omgeving bij de betekenisgeving aan gender bespreken. Mijn hoofdvraag hierbij is:

Hoe komt gender bij transseksuelen aan de hand van individuele en culturele processen tot stand?


Deelvragen

Belangrijk bij onderzoek naar transseksualiteit zijn de begrippen ‘sekse’ en ‘gender’. Naast het onderscheiden van sekse en gender verdeel ik, in navolging van Kessler en McKenna (1978), gender in vier componenten; genderidentiteit, genderrol, gendertoewijzing en gendertoeschrijving. Ik wil betogen dat al deze vier componenten van gender voor transseksuelen van belang zijn. Mijn eerste deelvraag is:

Wat is de relatie tussen de vier componenten van gender: genderidentiteit, genderrol, gendertoewijzing en gendertoeschrijving?

Gender komt tot stand door interactie tussen verschillende personen. Ik zal aantonen dat gender bepaald wordt door een wisselwerking tussen processen van zelfdefiniëring en externe categorisering. Beide processen zijn zowel tekenen van individuele keuzevrijheid als gevolgen van cultureel determinisme. Mijn tweede deelvraag is:

Wat is hierbij het verband tussen zelfdefiniëring en externe categorisering, individuele keuzevrijheid en culturele bepaaldheid?


Onderwerpskeuze en relevantie

In gender ben ik reeds geruime tijd geïnteresseerd. Ik ben altijd van mening geweest dat de gender behorende bij de direct na de geboorte toegewezen sekse, van grote invloed kan zijn op iemands leven. Vanuit deze gedachte ben ik me gaan interesseren in transseksualiteit; ik beredeneerde dat de invloed van sekse en gender op het leven van een individu heel goed aantoonbaar zou zijn bij transseksuelen.

Mijn belangrijkste veronderstelling bij de keuze van transseksualiteit als onderwerp was dat de omgeving bij hen verstrekkende invloed heeft. Mijn uitgangspunt was dat door processen vanuit de omgeving mensen zich gedwongen voelen zich te conformeren aan een genderrol, wat vervolgens kan leiden tot zo’n ingrijpende operatie. In eerste instantie beoordeelde ik de invloed van de omgeving voor transseksuelen als zeer negatief. Ik dacht dat als mensen uit de omgeving transseksuelen meer ruimdenkend en met meer respect zouden benaderen, mensen zich vrijer zouden voelen in het kiezen van hun genderrol en het aanpassen van het geslacht van transseksuelen door middel van een operatie overbodig zou zijn.

Tijdens mijn onderzoek heb ik ontdekt dat de relatie tussen invloeden vanuit de omgeving en de eigen keuzevrijheid van transseksuelen veel ingewikkelder is. Transseksuelen voelen zich zo overtuigd van hun genderidentiteit dat ze vaak zeggen dat de operatie noodzakelijk is onafhankelijk van wat mensen uit hun omgeving zouden zeggen. Dit in ogenschouw nemende, is het niet zomaar mogelijk te zeggen dat transseksuelen door de omgeving gedwongen worden tot bepaalde handelingen, maar zijn het transseksuelen zélf die het noodzakelijk achten de operaties te ondergaan.

In deze scriptie wil ik aantonen dat er bij de bepaling van gender sprake is van een wisselwerking tussen individuen en hun omgeving. De omgeving heeft invloed op hoe mensen zichzelf zien, en deze zelfdefiniëring heeft invloed op de perceptie vanuit de omgeving. Bij de bestaande medische en psychologische theorieën wordt vooral naar het ‘afwijkende’ individu gekeken. Aan deze theorieën hoop ik een bruikbare antropologische benadering van transseksualiteit toe te voegen door niet alleen naar het individu, maar de wisselwerking tussen het individu en zijn omgeving centraal te stellen.


Concepten

Een aantal termen die ik gebruik zijn voor verschillende interpretaties vatbaar. Hier zal ik de definities en een korte uitleg geven van de belangrijkste begrippen zoals ik deze in mijn scriptie hanteer.


Transseksueel, transseksualiteit

Er zijn verschillende definities van transseksualiteit in gebruik. Het belangrijkste verschil tussen deze definities is het antwoord op de vraag: op welk moment in het leven wordt een persoon transseksueel genoemd? Voor de operatie, tijdens de operatie, na de operatie, of gedurende het gehele leven? Vaak noemen mensen zichzelf voor de operatie wel transseksueel, maar na de operatie niet meer. Ik heb gekozen voor een definitie die zowel de al geopereerde, als de nog niet geopereerde mensen omvat.

De definitie van transseksueel die ik hanteer is: persoon die een discrepantie ervaart tussen toegewezen gender en genderidentiteit. Deze definitie combineert de perceptie van de omgeving (gendertoewijzing) met de subjectieve ervaring van het individu (genderidentiteit). Zoals gezegd noemen niet al deze mensen zichzelf ‘transseksueel’. Daarom moet de lezer in ogenschouw nemen dat onder mijn definitie mensen vallen die zichzelf niet als transseksueel benoemen.

Transseksualiteit is niet altijd zichtbaar. Het is zeer goed mogelijk dat er mensen zijn die een discrepantie ervaren tussen toegewezen gender en genderidentiteit maar dat hun hele leven verbergen. Andere mensen zijn zich niet bewust van deze discrepantie. Deze mensen heb ik voor mijn scriptie niet kunnen bereiken.

Voor mijn onderzoek heb ik naast een definitie een operationalisatie gemaakt van het begrip transseksueel: Ik versta onder transseksuelen al die mensen die zelf aangeven ooit serieus te hebben overwogen door middel van een chirurgische ingreep te veranderen van geslacht. Dit overwegen van een operatie is het onderscheidende criterium waaraan alle mensen binnen mijn onderzoeksgroep voldoen.

 

MV-transseksueel, VM-transseksueel; vrouw, man

Transseksuelen zijn te verdelen in twee groepen: man-naar-vrouw-transseksuelen (MV’s) en vrouw-naar-man-transseksuelen (VM’s). MV-transseksuelen hebben bij de geboorte de mannelijke gender toegewezen gekregen en hebben een vrouwelijke genderidentiteit. VM-transseksuelen kregen bij de geboorte een vrouwelijke gender toegewezen en hebben een mannelijke genderidentiteit.

Een etic definitie van MV-transseksuelen zou zijn ‘man die zich vrouw voelt’ (zie bijvoorbeeld Vara Gids 31 mei 2003). Een emic definitie van MV-transseksueel is ‘vrouw geboren met een mannenlichaam’. Ik hanteer emic definities. Daarom ga ik niet uit van sekse, maar van genderidentiteit voor het aanduiden van iemand als ‘man’ dan wel ‘vrouw’. Een MV-transseksueel is zodoende een ‘vrouw’, een VM-transseksueel een ‘man’.


Sekse, gender, geslacht

Sekse wordt gezien als de biologische definiëring van mannen en vrouwen. Gender wordt opgevat als de sociale invulling van mannelijkheid en vrouwelijkheid. Op deze begrippen zal ik verder ingaan bij de bespreking van de theoretische uitgangspunten.


Genderdysforie

Genderdysforie is een medische term, gedefinieerd als “gevoelens van onvrede of onbehagen met het man of vrouw zijn” (Cohen-Kettenis 1986: 15). Binnen de medische literatuur wordt deze term gebruikt om aan te geven dat deze gevoelens in meer of mindere mate bij een persoon aanwezig kunnen zijn. Transseksualiteit wordt hierbij omschreven als “de meest extreme vorm van genderdysforie die gepaard gaat met de wens om verlost te worden van de eigen primaire en secundaire geslachtskenmerken, en om zo volledig en permanent mogelijk te leven als iemand van het andere geslacht” (Behandelingsprotocol 1997: 12).

Geslachtsaanpassende behandeling, transitie

De geslachtsaanpassende behandeling is de behandeling zoals de transseksuele patiënten deze verkrijgen in het ziekenhuis. Ongeveer 90 % van deze behandelingen vindt plaats in het ziekenhuis van de Vrije Universiteit (VUMC) (Kuiper 1991: 26). Hiernaast zijn er een aantal kleinere ziekenhuizen, waarvan de grootste het Academisch Ziekenhuis in Groningen is (Klene 2003). Een aantal transseksuelen wordt op meerdere locaties, of deels in het buitenland, behandeld.

De behandeling verloopt in vier fasen:

1. eerste diagnostische fase: tentatieve diagnose
Tijdens deze fase moeten transseksuelen gesprekken voeren met de psycholoog. Ze hopen hun identiteit zo snel mogelijk te ‘bewijzen’ om met de behandeling te mogen beginnen.

2. eerste behandelingsfase: start hormoonkuur; ‘real-life-test’
Het beginnen met de hormoonkuur is de eerste stap in het behandelingsproces. Na het innemen van de eerste hormonen zijn transseksuele patiënten verplicht te beginnen met de ‘real-life-test’. Tijdens deze fase die tenminste anderhalf jaar duurt worden ze geacht zich in alle aspecten van het leven te presenteren als persoon van het gewenste geslacht.

3. geslachtsaanpassende operatieve ingrepen
De chirurgische geslachtsaanpassing bestaat meestal uit meerdere ingrepen. Ik zal deze in het kort omschrijven in paragraag 4.4. De operatie wordt wettelijk erkend; na het ondergaan van de diverse chirurgische ingrepen mag men juridisch van geslacht veranderen.

4. postoperatieve fase: nazorg.
Ook na de operatie moeten transseksuelen regelmatig terugkeren naar het ziekenhuis voor controle. Tevens blijven ze hun gehele leven hormonen innemen.

De transseksuelen die ik gesproken heb bevinden zich in diverse stadia van het behandelings-proces. Onder de ‘transitie’ versta ik de eerste 3 fasen van dit proces.


Genderteam

De behandelend artsen binnen de ziekenhuizen waar transseksuelen behandeld worden vormen gezamenlijk het genderteam. Binnen het VUMC bestaat dit team uit: een coördinator, internisten, artsen, psychologen, psychiaters, plastisch chirurgen, kaakchirurgen, verpleeg-kundigen, een gynaecoloog en een KNO-arts (Behandelingsprotocol 1997: 6). Het team werkt met de ‘Standards Of Care of Gender Identity Disorders’ van de Harry Benjamin International Gender Dysphoria. Dit is een internationaal aanvaard behandelingsprotocol, samengesteld door een commissie waar een aantal leden van het genderteam van het VUMC deel uit maken. Deze ‘Standards of Care’ stelt als doel van de behandeling “Lasting personal confort with the gendered self in order to maximize overall psychological well-being and self-fulfillment” (Harry Benjamin International Gender Dysphoria Association 1998: 3).


Transgender

Transgenders zijn personen met een genderidentiteit tussen mannelijk en vrouwelijk in. Het merendeel van de transgenders wenst geen geslachtsaanpassende behandeling te ondergaan. Sommige van hen willen slechts een deel van de behandeling doorlopen. Dit wordt echter in principe door het genderteam afgewezen.


Travestiet

Travestieten zijn personen die zich kleden als persoon van de andere sekse. Travestieten zijn meestal personen geboren als man, met een mannelijke identiteit die veel sterker is dan de vrouwelijke genderidentiteit (zie bijvoorbeeld Vennix 2001: 10). Deze ‘mannen’ verkleden zich meestal met als doel seksuele opwinding.


Interseksueel, hermafrodiet

De term interseksueel staat voor ‘mensen met een niet te duiden geslachtsorgaan’ (NRC-handelsblad 10-11 mei 2003). Bij deze mensen is het bij de geboorte vaak niet mogelijk duidelijk de sekse te bepalen. De term interseksualiteit wordt vaak verward met de term hermafroditisme.

Hermafroditisme kan worden uitgelegd aan de hand van de bipotentialiteit van de geslachtelijke differentiatie. Op basis van de genetische codering XX of XY ontwikkelt het menselijk lichaam zich in verschillende stadia tot vrouw dan wel man. De spontane ontwikkeling van het organisme is om zich als vrouw te differentiëren, voor de ontwikkeling in mannelijke richting zijn extra factoren noodzakelijk (Gooren 1990: 10-14). Bij een hermafrodiet persoon ontwikkelt een deel van de organen zich vrouwelijk, en een deel van de organen zich mannelijk.

Transseksuelen zijn duidelijk te onderscheiden van hermafrodieten omdat bij hen de geslachtsorganen en de inwendige geslachtsklieren tot het zelfde geslacht ontwikkeld zijn. Bij een lichamelijk onderzoek kan bij hen dan ook geen afwijking worden vastgesteld.

Recentelijk is er een theorie ontwikkeld die stelt dat ook de hersenen een geslachtelijke differentiatie ondergaan (Chung in Volkskrant 11 januari 2003, Zhou e.a. 1995). Na de geboorte ontwikkelt de hypothalamus zich vrouwelijk of mannelijk. Bij transseksuelen heeft zich volgens deze theorie een vergelijkbare stoornis voorgedaan als bij hermafrodieten: bij MV’s is het lichaam als man ontwikkeld maar hebben de hersenen een vrouwelijke kern. De hypothalamus bij VM’s heeft een differentiatie zoals een man die als man geboren is. Omdat deze ontwikkeling pas in het 3e of 4e levensjaar plaatsvindt, is het niet duidelijk of deze differentiatie een biologische of psychische oorzaak heeft (Gooren in tot op het bot, AT5 juni 2002). Een andere variant van de theorie is dat de hypothalamus bij transseksuelen na inname van de hormonen verandert.


Theoretische uitgangspunten

Sekse en gender

Bij het spreken over transseksualiteit is het belangrijk onderscheid te maken tussen ‘sekse’ en ‘gender’. Sekse verwijst naar de biologische categorieën ‘mannen’ en ‘vrouwen’, terwijl het bij gender gaat om de sociale invulling van mannelijkheid en vrouwelijkheid. Bij het onderscheiden van sekse en gender wordt meestal aangenomen dat gender voortkomt uit de sekse van een persoon. Gender staat zodoende voor de consequenties die verbonden zijn aan de perceptie van de omgeving welke sekse een persoon heeft.

Het onderscheid dat gemaakt wordt tussen sekse en gender doet vermoeden dat sekse een biologisch vaststaand ‘feit’ is, terwijl gender door de cultuur ingevuld zou zijn en daarbij minder ‘waar’ is. Stolcke is één van de auteurs die de authenticiteit van dit biologisch onderscheid ter discussie stelt: “Natural facts may themselves turn out to be cultural constructs” (1993: 17). Ook Butler betoogt: “(…) the body is figured as a mere instrument or medium for which a set of cultural meanings are only externally related. But ‘the body’ is itself a construction (1990: 8). Deze auteurs bedoelen dat wat onder ‘sekse’ verstaan wordt, cultureel bepaald is.

Als we in de antropologie onderscheid maken tussen sekse en gender, vermelden we meestal enkel dat sekse een ‘biologische categorie’ is. Hóe we die biologische indeling precies maken, specificeren we vaak niet. Sekse zou echter op verschillende manieren bepaald kunnen worden: chromosomen (46 XY is een ‘man’, 46 XX is een ‘vrouw’), hormonen (testosteron hoort bij ‘man’, oestrogeen hoort bij ‘vrouw), inwendige geslachtsorganen (prostaat voor ‘man’ en eierstokken voor ‘vrouw’), uitwendige geslachtsorganen (een penis voor een ‘man’ en een vagina en borsten voor een ‘vrouw’). Aan welk biologisch ‘feit’ we in het dagelijks leven het grootste belang hechten, is cultureel bepaald. Meestal als we over sekse en gender spreken, baseren we ons voor het bepalen van de sekse op uitwendige geslachtsorganen.

In onze samenleving lijken we veel belang te hechten aan het verband tussen sekse (vooral bepaald door uitwendige geslachtsorganen) en gender. Iemand moet óf man, óf vrouw zijn, in alle aspecten. Het lijkt voor ons onmogelijk om een gender te hebben die afwijkt van de sekse. Transseksualiteit biedt een interessant perspectief op dit verband tussen sekse en gender. Transseksualiteit toont aan dat je niet per se een penis hoeft te hebben om je man te voelen; sekse en genderidentiteit komen bij transseksuelen niet altijd overeen. Tegelijkertijd blijkt dat het merendeel van de transseksuelen het belangrijk vindt om de sekse aan te passen aan de genderidentiteit. Pas als sekse en gender in overeenstemming zijn, zijn ze ‘echt’ man dan wel vrouw. Hiermee wordt aangetoond dat het biologische ‘feit’ dat sekse is, niet altijd vast hoeft te staan, maar aangepast kan worden aan gender.

Het meest bruikbare aan het onderscheid tussen sekse en gender is dat het verwijst naar de invloed van de cultuur op gender, de consequentie van sekse. Ik heb echter ook beschreven dat het soms verwarrend kan zijn om sekse en gender te onderscheiden. Als de invulling van ‘sekse’ cultureel bepaald is, zou sekse eigenlijk ook ‘gender’ genoemd kunnen worden. De verschillende aspecten van sekse en gender kunnen nader toegelicht worden aan de hand van de vier componenten van gender.


Gender: identiteit, rol, toewijzing en toeschrijving

Gender kan op verschillende manieren verdeeld worden in meerdere componenten. Het onderscheid dat ik maak is die tussen genderidentiteit, genderrol, gendertoewijzing en gender-toeschrijving. Dit onderscheid heb ik ontleend aan Kessler en McKenna (Kessler en McKenna 1978: 8-12 en 36-40, Bornstein 1994: 22-30). Dit onderscheid bleek voor mij bruikbaar omdat deze zeer toepasbaar bleek op mijn onderzoeksresultaten. Hieronder zal ik het onderscheid tussen deze vier componenten beschrijven. Hierbij zal ik aangeven waar mijn invulling afwijkt van die van Kessler en McKenna.


Genderidentiteit

Kessler en McKenna omschrijven genderidentiteit als volgt: “Gender identity refers to an individual’s own feeling of whether she or he is a woman or a man, or a girl or a boy. In essence gender identity is self-attribution of gender” (Kessler en McKenna 1974: 8). Kessler en McKenna zien genderidentiteit als een ‘ware’ identiteit. Volgens deze visie is genderidentiteit iets wat moeilijk te meten is met een test.

Deze visie van genderidentiteit als een onveranderlijke realiteit delen Kessler en McKenna met het merendeel van de Nederlandse auteurs op het gebied van transseksualiteit. Zo is voor Doorn genderidentiteit een ‘onderliggende, gefixeerde identiteit’ (1997: 134). Gooren stelt dat genderidentiteit voor transseksuelen ‘waar en onveranderlijk’ is (1996: 5).

Bovenstaand uitgangspunt van genderidentiteit als een ‘ware identiteit’ impliceert dat de genderidentiteit een vorm van zelf-toeschrijving is, wat alleen door de persoon zelf te meten is. Het probleem aan deze visie is dat het de invloed van de omgeving bij het totstandkomen van de identiteit verhult. Een genderidentiteit kan voor een persoon zeker als ‘waar’ en ‘onveranderlijk’ aanvoelen. Echter alvorens iemand zijn of haar genderidentiteit kan omschrijven, heeft diegene toch te maken gehad met een omgeving die deze identiteit kan hebben beïnvloed.

Uit mijn onderzoek is gebleken dat genderidentiteit inderdaad voor veel transseksuelen als ‘waar’ gezien wordt. Ik wil echter niet suggereren dat voor het tot stand komen van deze identiteit, de omgeving geen enkele invloed heeft gehad. Bij de visie van Kessler en McKenna wil ik daarom aantekenen dat genderidentiteit een proces is wat tot stand komt aan de hand van ervaringen van personen. Ik zie genderidentiteit daarom inderdaad als vorm van zelf-toeschrijving, maar wel als een zelftoeschrijving die niet per definitie onveranderlijk is. De definitie die ik hier zal hanteren is: Genderidentiteit is (een momentopname van) iemands eigen perceptie van man of vrouw zijn.


Genderrol

Kessler en McKenna omschrijven genderrol als “a set of expectations about what behaviors are appropriate for people of one gender” (1978: 11). Ik wil hieraan toevoegen de interpretatie van gedragingen als mannelijk dan wel vrouwelijk, en de uitvoering van deze gedragingen. Genderrol is dan zowel de ideeën van mensen over welke gedragingen mannelijk en welke gedragingen vrouwelijk zijn, als de daadwerkelijke uitvoering van mannelijk en vrouwelijk gedrag.



Gendertoewijzing

Bij de gendertoewijzing komt het onderscheid én de overeenkomst tussen sekse en gender het meest duidelijk naar voren. Gendertoewijzing geschiedt bij de geboorte. Bornstein omschrijft het als een fallocentrisch proces: er wordt gekeken naar de aan- of afwezigheid van een penis (Bornstein 1994: 22). Na het bekijken van de genitaliën wordt een kind een sekse toegewezen. Tegelijkertijd met het toewijzen van een sekse, wordt een kind ook een gender toegewezen. Dit is één en hetzelfde proces, echter met verschillende implicaties. Met het benadrukken van het woord gender bedoel ik dat het kind niet alleen een ‘geslacht’ toegewezen krijgt, maar dat er ook consequenties verbonden worden aan deze toegewezen gender.

Gendertoeschrijving

Terwijl gendertoewijzing specifiek bij de geboorte geschiedt, vindt gendertoeschrijving plaats in het dagelijks leven. Anders dan bij de toewijzing van gender bij de geboorte, geschiedt attributie niet op basis van de genitaliën, maar op basis van andere factoren, meestal de zelfpresentatie van een persoon als man of vrouw. Ik sluit me aan bij de stelling van Kessler en McKenna: “We make a gender attribution, that is we decide whether someone is male or female, every time we see a new person” (Kessler en McKenna 1972: 2). Dit impliceert dat gendertoeschrijving zeer vaak plaatsvindt en als gevolg daarvan een grote invloed heeft tijdens vele momenten van het leven.


Gender is dus samengesteld uit genderidentiteit, genderrol, gendertoewijzing en gender-toeschrijving. Vaak wordt beredeneerd dat vanuit de gendertoewijzing bij de geboorte, men een genderidentiteit ontwikkelt (zie bijvoorbeeld Money 1972). Deze genderidentiteit is vervolgens de ‘beslissende factor’ (zie bijvoorbeeld Oakley 1972) voor de genderrol. Deze genderrol geeft ten slotte aanleiding voor gendertoeschrijving in het dagelijks leven. Uit deze scriptie zal blijken dat deze componenten inderdaad vaak in onderling verband staan. Ik stel echter dat deze relatie niet zomaar causaal is, zoals hier beschreven, maar dat er sprake is van een complexere wisselwerking.


Zowel de vaststelling van genderidentiteit, de uitgevoerde genderrol, als de gendertoewijzing en gendertoeschrijving geschiedt dor interactie tussen individu en omgeving. Hieronder zal ik de processen omschrijven waarbij individu en omgeving elkaar beïnvloeden.


Individuele keuzevrijheid en cultureel determinisme

Tennekes bespreekt in zijn boek De onbekende dimensie. Over cultuur, cultuurverschillen en macht (1990) het dilemma van individuele keuzevrijheid versus cultureel determinisme. Hij stelt dat het handelen van de individuele mens altijd bepaald wordt door de cultuur in zijn of haar omgeving. Tegelijkertijd beïnvloedt ieder persoon door zijn of haar handelen in meer of mindere mate deze omgeving.

Tennekes licht zijn standpunt toe aan de hand van twee processen: internalisatie en externalisatie. Internalisatie is het zich persoonlijk eigen maken van de inzichten waarmee men in aanraking komt (Tennekes 1990: 24). Dit proces geschiedt grotendeels onbewust. Volgens Tennekes is de invloed van het proces van internalisatie vergaand, omdat mensen in hun denken, spreken en handelen ongemerkt diepgaand beïnvloedt worden door de omgeving.

De inzichten die mensen zich in de loop van hun leven eigen maken door het proces van internalisering, gebruiken zij in hun dagelijks leven. Tennekes noemt het proces van uitdragen van deze inzichten externalisering (Tennekes 1990: 43). Door externalisering worden de geïnternaliseerde inzichten in tact gehouden.

Een aanhanger van het standpunt van cultureel determinisme zal stellen dat de invloed van internalisering en externalisering allesbepalend is. Volgens deze visie wordt alles wat mensen denken en doen bepaald door de inzichten die zij zich onbewust vanuit de omgeving eigen maken. Omdat zij vervolgens deze processen weer externaliseren, houden ze de cultuur in stand.

Transseksuelen leven in een omgeving waarin het gebruikelijk is dat men een genderidentiteit ontwikkelt die overeenkomt met de sekse. Als elk zijn, denken en handelen inderdaad cultureel bepaald zou zijn, zouden ook transseksuelen een genderidentiteit ontwikkelen overeenkomend met de hun toegewezen gender. Bij transseksuelen wordt de identiteit echter onafhankelijk van de toegewezen gender ontwikkeld.

Met het ontwikkelen van een identiteit onafhankelijk van de toegewezen gender biedt transseksualiteit een voorbeeld van het feit dat de eigen identiteit niet geheel cultureel bepaald is. Als tegenhanger van het proces van cultureel determinisme, bestaat het concept van individuele keuzevrijheid. Terwijl cultureel determinisme zou impliceren dat de mens ‘gevangen’ is in culturele structuren, betekent individuele keuzevrijheid juist dat een ieder vrij is zijn of haar eigen weg te gaan onafhankelijk van de omgeving.

In deze scriptie stel ik de vraag hoe gender aan de hand van individuele en culturele processen tot stand komt. Deels lijkt bij transseksualiteit sprake te zijn van individuele keuzevrijheid, omdat transseksuelen onafhankelijk van hun sekse hun eigen genderidentiteit ontwikkelen. Dit betekent echter niet dat de rol van cultureel determinisme verwaarloosd kan worden. Ik zal aantonen dat bij de invulling van hun gender, transseksuelen wel degelijk veel inzichten van hun omgeving overnemen.

Door het in deze paragraaf besproken proces van internalisatie nemen individuen inzichten uit de omgeving met betrekking tot uiteenlopende aspecten van het dagelijks leven over. In de volgende paragraaf zal ik ingaan op processen die betrekking hebben op identiteitsvorming.


Zelfdefiniëring en externe categorisering

Bij mijn benadering van identiteit baseer ik mij op de ‘introduction’ van Barth (1969: 9-37). Zijn theorieën zijn oorspronkelijk gericht op etnische identiteit. Een identiteit wordt ‘etnisch’ genoemd, als er verwezen wordt naar “een (al dan niet vermeende) gemeenschappelijke oorsprong, afstamming en geschiedenis” (Verkuyten 1999: 185). Omdat er bij gender geen sprake is van een gemeenschappelijke achtergrond is het niet mogelijk om gender als etnische identiteit te beschouwen. Daarom laat ik het woord ‘etnisch’ buiten beschouwing en gebruik in plaats daarvan het ruimere begrip ‘identiteit’.
Barth hecht belang aan onderlinge contacten tussen verschillende groepen actoren bij het totstandkomen van identiteit. Cruciaal zijn hierbij de ‘boundaries’: symbolische grenzen, tussen verschillende groepen. Het gaat hierbij om grenzen die niet vast liggen, maar tot stand komen door onderlinge interactie.

Identiteit komt tot stand door twee processen die elkaar beïnvloeden: zelfdefiniëring en externe categorisering. Bij zelfdefiniëring gaat het om “categories of ascription and identification by the actors themselves” (Barth 1969: 10). Zelfdefiniëring is dus hoe een persoon zichzelf ziet. Jenkins legt uit dat het hier niet alleen om een individueel, maar ook om een groepsproces gaat: “(…) it only make sense to talk of ethnicity in an individual sense when the identity being defined and its expressions refer to a recognizable collective identity and draw upon a repertoire of culturally specified practices” (Jenkins 1997: 53). Met andere woorden, mensen definiëren zichzelf aan de hand van culturele categorieën. In het geval van gender gaat het om cultureel bepaalde kenmerken van mannelijkheid en vrouwelijkheid.

Bij externe categorisering gaat het om “ascription by others” (Barth 1969: 13). Dit is dus toeschrijving door de omgeving. Deze processen van zelfdefiniëring en externe categorisering beïnvloeden elkaar: hoe iemand zichzelf identificeert en presenteert heeft invloed op de externe categorisering. Tegelijkertijd heeft hoe iemand door anderen wordt gezien invloed op de zelfdefiniëring. Deze processen gaan ongemerkt in elkaar over: “In the complexity of day-to-day social life, each is chronically implicated in the other in an ongoing dialectic of identification” (Jenkins 1997: 53).

De verschillende componenten van gender kunnen worden onderverdeeld in processen van zelfdefiniëring en externe categorisering. Bij genderidentiteit is er vooral sprake van zelfdefiniëring. Daarentegen zijn gendertoewijzing en toeschrijving processen van externe categorisering. Genderrol neemt hierbinnen een bijzondere plaats in. De interpretatie van de genderrol van een persoon is externe categorisering. Genderrol kan echter bewust ingezet worden. Zodanig heeft genderrol als zelfpresentatie een grote invloed op dit proces van toeschrijving van buitenaf.

Zowel zelfdefiniëring als externe categorisering zijn processen van zowel individuele keuzevrijheid als culturele bepaaldheid. Mensen kunnen hun eigen genderidentiteit bepalen. Deze keuze baseren ze vaak op identificatie met mensen die door hen dezelfde gender-toeschrijving krijgen of op identificatie van de bij deze gender behorende normen en waarden. Deze normen en waarden hebben zij geïnternaliseerd. Ook bij het categoriseren van anderen baseren mensen zich op eigengemaakte inzichten van mannelijkheid en vrouwelijkheid.

Uit deze scriptie zal blijken dat zelfdefiniëring en externe categorisering voor transseksuelen van wezenlijk belang zijn. De sterke zelfdefiniëring leidt tot het aanvangen van het proces van de geslachtsaanpassende behandeling. De erkenning van het zelfbeeld versterkt de zelfdefiniëring. Transseksuelen proberen vaak, door het inzetten van een bepaalde genderrol, deze externe categorisering bewust te beïnvloeden.


Methodologie

Het uitgangspunt bij het onderzoek is dat transseksuelen niet als losstaande groep gezien kunnen worden, maar dat ze juist een wezenlijk deel uitmaken van de samenleving. Met het onderzoeken van de relatie van transseksuelen met hun omgeving heb ik getracht te analyseren hoe transseksuelen door de omgeving gevormd worden.

Zoals gezegd was mijn onderzoek een emic onderzoek. Ik wilde vooral onderzoek doen naar onderwerpen die voor transseksuelen zelf van belang zijn, besproken in de termen zoals transseksuelen die hanteren. Daarom ben ik begonnen met een zo open mogelijke vraagstelling. Vervolgens ben ik ingegaan op de onderwerpen die belangrijk bleken.

Ik heb mijn onderzoek gericht op Nederlandse transseksuelen in de Nederlandse samenleving. Voor ‘de’ Nederlandse cultuur zal ik uitgaan van een bruikbaar uitgangspunt dat Tennekes gebruikt: ik zal uitgaan van situaties waarin ‘Nederlanders als leden van de Nederlandse samenleving met elkaar te maken hebben’ (Tennekes 1990: 221). Dit neemt echter niet weg dat transseksuelen toch in aanraking kunnen komen met inzichten uit het buitenland.

Het verrichte onderzoek is te verdelen in onderzoek verricht per e-mail, onderzoek verricht aan het VUMC en overige bronnen.


Onderzoek verricht per e-mail

Begin november 2002 ontdekte ik op internet een ‘yahoo-groep’, waarop gediscussieerd wordt over transseksualiteit. Een yahoo-groep is een internetgroep over een bepaald onderwerp, waar mensen zich al dan niet anoniem op kunnen inschrijven. Op het moment dat ik lid werd had de groep 31 leden, eind juni 2003 was dit aantal verdubbeld. In de periode november 2002 – juni 2003 heb ik ruim 200 e-mails ontvangen. Het merendeel van deze e-mails waren berichten gericht aan de hele groep. Met een aantal mensen heb ik daarnaast rechtstreeks e-mail contact gehad. Dat waren berichten persoonlijk aan mij gericht, die niet voor iedereen leesbaar waren.

Aanvankelijk heb ik mij beperkt tot berichten lezen zonder te reageren. In januari heb ik mezelf voorgesteld en gevraagd of de leden van de groep bereid zouden zijn aan mijn onderzoek mee te werken. Vanaf dat moment heb ik ongeveer eens per week een open vraag gesteld. Elke e-mail die via deze pagina gestuurd wordt, is voor iedereen leesbaar. Omdat iedereen alle reacties lezen kan, werd er ook gereageerd op de antwoorden die verschillende leden, naar aanleiding van mijn vragen, stuurden. Voor mijn volgende vraag haakte ik altijd zoveel mogelijk in op de reacties die op mijn eerdere vraag gekomen zijn. In bijlage 3 geef ik een overzicht van de vragen gesteld via het internet.

Voor dit onderwerp heeft het werken via het internet mijns inziens een aantal voor- en nadelen. Een nadeel is de anonimiteit van het internet. Dit zou er toe kunnen leiden dat mensen uitspraken doen die ze niet menen, of regelrecht liegen. Ik denk echter niet dat er mensen zijn geweest met de bedoeling mij voor de gek te houden. De meeste deelnemers hebben een persoonlijk profiel opgesteld met daarin een aantal persoonlijke gegevens. Bovendien interpreteer ik de tijd en moeite die gestoken wordt in het beredeneerd antwoorden van mijn vragen als een teken van dat mensen eerlijk over dit onderwerp willen spreken.

Een ander nadeel is dat het verschil tussen denken en doen via het internet moeilijk te achterhalen is. Bovendien kan er een discrepantie zijn tussen wat mensen per e-mail vertellen en wat mensen in een face-to-face situatie zouden vertellen. De verhalen via het internet waren echter niet zeer afwijkend van wat ik in de persoonlijke contacten heb gehoord.
Over een laatste nadeel schrijft Hine : “There is a general pratice on newsgroups that agreeing with a posting is nog enough to justify posting a message saying that you agree. This avoids the newsgroup being filled with messages that consist of nothing besides ‘me too’. It has the effect, however, that the newsgroup can come to seem wholly combative, since disagreeing with a message is seen as a justification for the author to post. Disagreement is often easier than agreeing with the previous poster and also adding something further to the discussion” (2000: 125). Het probleem wat Hine voorziet in onderzoek via het internet is volgens mij niet in mijn onderzoek voorgekomen. Een aantal respondenten grepen elke vraag aan om een persoonlijk verhaal te vertellen. Dit onafhankelijk van of eerdere briefschrijvers reeds een soortgelijk verhaal vertelden.

Tegenover de nadelen staan ook een aantal voordelen. Internet kan het luisteren naar wat mensen zelf zeggen zonder interventie van vooroordelen van de onderzoeker stimuleren. De kans op een eventuele vertekening van de werkelijkheid die kan worden veroorzaakt door een foutieve interpretatie van het gedrag van transseksuelen kan zo worden vermeden. Dit neemt natuurlijk niet weg dat ik het geschrevene heb moeten interpreteren. Het risico tot vertekening is dus niet helemaal weggenomen.

De indirectheid van het internet waarborgt een bepaalde mate van anonimiteit. Deze anonimiteit kan niet alleen als een nadeel, maar ook als een voordeel gezien worden. Bij een gevoelig onderwerp als transseksualiteit kan de anonimiteit ervoor zorgen dat mensen zich vrij voelen in het open over de gevoelens spreken. Hiernaast kan het de kans op sociaal wenselijke antwoorden verkleinen.

In deze scriptie zal ik als ik een citaat uit een e-mail als volgt weergeven: (internetter [naam]). Alle namen die ik in deze scriptie gebruik zijn schuilnamen. Twee personen van het internet zal ik extra vaak aan het woord laten. Dit zijn Tommy en Wanda. Van allebei heb ik een groot aantal e-mails ontvangen. Tommy omschrijft zijn genderidentiteit als volgt: “Ik ben een mens die er uitziet als een vrouw maar heel erg mannelijk denkt en graag de mannenrol wil aannemen in de maatschappij. Ik wil helemaal niet mijn vrouwelijke zijde benadrukken” (internetter Tommy).

Wanda is een MV-transseksueel die haar motivatie voor de geslachtsaanpassende operatie als volgt uitlegt: “De rol die de maatschappij me oplegde was op zich niet zo zwaar, maar ik voldeed gewoon niet in die rol. Ik zag de dingen anders dan de andere mannen om me heen. Ik hield graag deuren open voor dames, maar ook voor heren. Als het gesprek tussen de heren weer eens over auto’s ging en hoe duur dat ding van hun wel niet was, dan stelde ik ze voor om hem weg te doen en voortaan met de fiets of openbaar vervoer te komen. Met sport hoef je bij mij al helemaal niet mee aan te komen. Ik hou van planten en van thee op mijn werk, van poezen en van dieren in het algemeen. Ik hou van kleuren die bij elkaar passen. Ik kleedde me nogal onstandaard (niet direct vrouwelijk, maar afwijkend van wat ‘done’ is). Ik praat graag en veel en liefst over gevoelens en relaties. Ik hou niet van domme sexueel getinte mannen-mopjes, en ik kijk geen vrouwen na, laat staan dat ik ze wat achterna roep als ze passeren. Ik ga niet naar de hoeren en ik heb niet aan elke vinger een aantal vrouwen. Ik hou van lang haar. Ik hou van geuren. Ik ga op een mannentoilet ook op de pot, want ik vind die piesdingen walgelijk smerig, snap niet dat mannen daarin kunnen piesen. Ik kan de lijst nog wel wat extenderen als je dat leuk vindt, maar het volstaat om te zeggen dat ik een beetje afwijk van mannen in het algemeen. Het is daarom dat men al snel het predikaat ‘homo’ op je plakt, maar dat klopt ook al niet zo erg. Men snapt je niet en mijdt je. Je merkt dat aan weinig sociale contacten op je werk, je hebt geen zin om naar je werk toe te gaan, je hebt eigenlijk niet zo'n zin in leven. Je hebt maar weinig vrienden en de vrienden die je hebt kun je niet alles bij kwijt. Het liefst ben je eigenlijk dood, maar dat is ook weer zo'n gedoe allemaal. De rol die de maatschappij je oplegt (in bv je werk) past niet en daar zie je graag verandering in” (internetter Wanda).

De opzetten van de hoofdstukken, en later de geschreven hoofdstukken, heb ik op de pagina van deze yahoo-groep geplaatst. Het doel hiervan was te controleren of deze transseksuelen het met mijn bevindingen eens zijn. Ik heb helaas niet erg veel reacties gekregen. Tommy’s reactie was: “Ik vind het een leuke tekst om te lezen. Maar jouw vakgebied zegt mij niet zoveel en de theoretische stukjes heb ik diagonaal gelezen. Veel meer dan dat ik het met plezier gelezen heb kan ik er dan ook niet over zeggen.” Wanda reageerde: “Mooi document heb je ervan gemaakt, kan me voorstellen dat je er wel trots op bent. (…) Het was als aanvulling bij het verhaal dat ik beschreef.” Eén persoon gaf inhoudelijk commentaar. Ik hoop dat dit gebrek aan kritische reacties geïnterpreteerd kan worden als instemming met mijn bevindingen.


Onderzoek verricht aan het VUMC

De informatie die ik via het internet verkreeg wilde ik graag uitbreiden met informatie uit persoonlijke contacten. Het uitvoeren van participerende observatie geeft echter bij dit onderzoek een aantal problemen: de vraag is dan vooral wáár die participerende observatie dan zou moeten plaatsvinden. Een mogelijkheid zag ik in het bijwonen van bijeenkomsten van zelfhulpgroepen. Hierin zag ik echter meerdere problemen: Ten eerste zou het ‘opgaan in de massa’ tijdens zo’n bijeenkomst nooit kunnen lukken omdat ik zelf immers geen transseksueel ben. Ten tweede komen op zulke bijeenkomsten vaak ook travestieten, wat niet mijn doelgroep is. Ten derde zijn deze gelegenheden plaatsen waar zich onevenredig veel transseksuelen bevinden. Bovendien gaan niet alle transseksuelen naar zulke bijeenkomsten. Ik wilde juist transseksuelen onderzoeken ‘in de natuurlijke omgeving’; tijdens het gewone, dagelijks leven. Omdat het ‘gewone, dagelijks leven’ geen bepaalde plek van samenzijn met andere transseksuelen is, maar zich op per individu verschillende plaatsen afspeelt, leek mij het doen van participerende observatie zeer moeilijk.

Om in contact te komen met zo veel mogelijk verschillende transseksuelen heb ik begin februari 2003 contact gelegd met de coördinator van het genderteam van het VU-ziekenhuis. Mijn plan was om via een advertentie die ik bij het genderteam zou ophangen, contacten te leggen. De coördinator bleek open te staan voor mijn onderzoek, en stelde me voor dat ik die advertentie niet zou ophangen. In plaats daarvan mocht ik elke dinsdag op het spreekuur komen, alwaar hij mij zou voorstellen aan de patiënten.

In de periode februari 2003 – april 2003 heb ik elke dinsdag en een aantal donderdagen in het VU-ziekenhuis onderzoek gedaan. Zoals vermeld vindt hier ongeveer 90 % van de behandelingen plaats. Een voordeel van het onderzoek doen via het VU-ziekenhuis, is de diversiteit aan transseksuelen die hier komen: zowel mensen die nog aan het begin van het behandelingstraject staan, als mensen die de transitie reeds geruime tijd afgerond hebben. Zowel mensen die geen behoefte aan contact hebben met andere transseksuelen, als mensen die dit wel hebben. Ik heb onder hen op verschillende manieren onderzoek gedaan.

De belangrijkste onderzoeksmethode die ik aan het VUMC gehanteerd heb is het afnemen van face-to-face interviews. Ik heb 24 open interviews afgenomen, met een gespreksduur tussen 20 minuten en 2 uur. In bijlage 1 achterin deze scriptie heb ik een overzicht van deze interviews opgenomen. Hierin kan de lezer zien dat het gaat om zowel mannen als vrouwen, van verschillende leeftijdscategorieën, die zich in verschillende fasen van het behandelings-proces bevinden. Als ik in mijn scriptie spreek over iemand waarbij ik een interview heb afgenomen, vermeld ik dat door enkel een naam aan te geven. Ten behoeve van de anonimiteit zijn al deze namen schuilnamen. Voor nadere informatie over de betreffende personen kan de lezer de bijlage ‘overzicht afgenomen interviews’ raadplegen.

Alle mensen die ik heb geïnterviewd zijn aan mij geïntroduceerd door Jos Megens, de coördinator van het genderteam. Ik heb het idee dat hij mij aan zo veel mogelijk verschillende transseksuelen voorstelde omdat hij mij meestal voorstelde aan de persoon die op het desbetreffende moment in de wachtruimte aanwezig was. De mogelijkheid van een eventuele door hem verrichtte voorselectie kan ik helaas echter niet met zekerheid uitsluiten. Een voordeel van het leggen van contact in het VU-ziekenhuis via deze persoon, is dat mensen in een context verkeren waarin ze gewend zijn vragen te beantwoorden en met onderzoeken mee te doen. Normaal gesproken zijn dit vragen van psychologen en onderzoeken van artsen. Ook bij deze gesprekken worden ze meestal voorgesteld door de coördinator. Ze zijn dus gewend om te spreken met personen aan wie ze door Jos Megens worden voorgesteld en zijn daardoor minder snel geneigd om ‘nee’ te zeggen op zijn vraag of ze met mij willen praten.

Net als bij de internetcontacten, ben ik de interviews ingegaan met een zo open mogelijke houding. Aanvankelijk bereidde ik geen vragen voor. Na een aantal interviews ben ik mij gaan richten op bepaalde onderwerpen die ik voor mijzelf omschreef als ‘vraag van de dag’. Dat betekent dat ik op bepaalde onderwerpen net zo lang inging totdat ik voor mijn gevoel een bevredigend antwoord verkregen had. Deze onderwerpen benoemde ik niet als zodanig tegenover de door mij geïnterviewde persoon. Een aantal van deze vragen zijn weergegeven in bijlage 3.

Naast interviewen heb ik in het VU-ziekenhuis andere onderzoeksmethoden gehanteerd. Een groot deel van de tijd in het VUMC bracht ik door in de kamer van de coördinator, waar de coördinator zich meestal bevindt samen met een van zijn secretaresses. Ik mocht meeluisteren met telefoongesprekken die de coördinator of zijn secretaresses voerden met transseksuelen. Het gaat hier om gesprekken met betrekking tot onder andere het doorgeven van een adreswijziging, het maken van een eerste afspraak, en vragen omtrent de operatie, zoals de methode van opereren en de tijd en plaats van de operatie.

In de kamer van de coördinator kwamen regelmatig personen in en uit lopen. Het gaat hier zowel om transseksuelen, waarmee Jos Megens altijd een praatje maakt, als om behandelend artsen. Ik heb meerdere gesprekken die deze mensen voerden kunnen volgen. Soms heb ik meegesproken, meestal heb ik enkel geluisterd. Tussen de bedrijven door heeft Jos Megens mij regelmatig informatie gegeven, bijvoorbeeld over de transseksuelen waarmee ik vlak daarvoor sprak, of over andere transseksuelen. Deze gesprekken hebben voor mij gediend als een bruikbare toetsing van mijn onderzoeksresultaten.

In de kamer van de coördinator en op de gangen in het ziekenhuis, heb ik korte informele gesprekken gevoerd met transseksuelen en behandelaars. Bij twee behandelaars (een psycholoog en een arts) heb ik een formeel interview afgenomen. Hiernaast heb ik een vergadering van het genderteam bijgewoond. Dit is bruikbaar omdat hier een diversiteit aan casussen werd besproken. Tot slot ben ik met Jos Megens meegegaan naar een voorlichtings-bijeenkomst, waar hij en twee van zijn patiënten voorlichting gaven aan een groep uit Noorwegen.


Overige bronnen

Naast deze belangrijkste methoden van onderzoek heb ik een aantal andere bronnen gebruikt. De website http://www.continuum.nl heb ik in de periode november 2002 – juni 2003 wekelijks bezocht. Dit is de pagina behorende bij het tijdschrift ‘het continuüm’, waarop regelmatig artikelen omtrent transgenderisme worden gepubliceerd en transseksuelen en transgenders zelf oproepen kunnen plaatsen. Van het blad van de ‘t & t’, Transformatie, heb ik de laatste 3 jaargangen bestudeerd. De informatie verkregen uit deze bronnen heb ik vooral gebruikt om mijn hypotheses te toetsen.

Ik heb een aantal televisiedocumentaires bekeken en het transgenderfilmfestival bezocht. Dit festival vond plaats in ‘De Balie’ in Amsterdam. Ook de informatie uit deze bronnen heb ik vooral gebruikt voor het toetsen van mijn hypotheses.

Tot slot heb ik secundaire literatuur bestudeerd. Hoewel mijn onderzoek gericht is op Nederlandse transseksuelen, bespreek ik ook literatuur uit het buitenland. Nederland bevindt zich immers in een geglobaliseerde wereld. Als gevolg hiervan hebben inzichten uit het buitenland invloed op de transseksuelen in Nederland. Het is overigens niet altijd mogelijk onderscheid te maken tussen secundaire literatuur en velddocumenten. Zo heeft een aantal transseksuelen een dagboek gepubliceerd, wat een velddocument genoemd kan worden. Ook wetenschappelijke publicaties kunnen echter mijns inziens velddocumenten genoemd worden, omdat ook die door transseksuelen gelezen worden.


Eerder onderzoek

Er is veel meer over transseksualiteit geschreven dan dat ik in eerste instantie verwachtte. Het merendeel van deze literatuur komt vanuit de medische wetenschap of vanuit de psychologie. Vanuit de medische wetenschap zal ik drie auteurs beschrijven. Dit zijn Benjamin (1966), Money (1972) en Gooren (1986, 1990, 1996). Ik behandel deze drie wetenschappers omdat hun werk gezaghebbend is en de meeste praktische consequenties heeft voor de behandeling van transseksuelen in Nederland.

Benjamin is een van de eerste auteurs die geschreven heeft over transseksualiteit. Zijn boek The Transsexual Phenomenon is zeer bekend. Benjamin is een groot voorstander van de geslachtsaanpassende behandeling: “There is hardly a person so constantly unhappy (before sex change) as the transsexual. (…) forever a candidate for self-mutilation, suicide, or its attempt” (Benjamin 1966: 66). Hij gaat er van uit dat de genderidentiteit van transseksuelen niet door psychotherapie te veranderen is. De enige manier om hun levensvreugde te vergroten is het aanpassen van het lichaam aan de genderidentiteit.

Moneys belangrijkste werk over interseksuele kinderen verscheen in 1972. Hij gaat uit van het bestaan van een onveranderlijke kerngenderidentiteit. Het is belangrijk om interseksuele kinderen (net als alle andere kinderen) zo spoedig mogelijk na de geboorte een geslacht toe te wijzen. De genderidentiteit wordt ná de geboorte ontwikkeld in de richting van dit toegewezen geslacht. De leeftijd van drie jaar oud wordt daarbij gezien als ‘point of no return’, dat is wanneer de genderidentiteit vaststaat en nooit meer veranderd kan worden (Gooren 1990: 18). Een consequentie van zijn werk is dat er van uit gegaan wordt dat ook bij transseksuelen de genderidentiteit een harde waarheid is.


Naast het behandelen van transseksuelen wordt er aan de VU ook wetenschappelijk onderzoek verricht. In 1989 is hier de enige leerstoel ter wereld in de ‘Transseksuologie’ ingesteld. Deze wordt bekleed door prof. Dr. L.J.G. Gooren, die tevens voorzitter van het genderteam is. Gooren refereert in zijn artikelen talloze malen aan het werk van Benjamin en Money. Evenals Money gaat hij er van uit dat de genderidentiteit een harde waarheid is, en dat dientengevolge voor transseksuelen de genderidentiteit ‘waar’ is. Net als bovengenoemde auteurs stelt hij dat dit niet door psychotherapie veranderbaar is (Gooren 1996: 5). Daarom ziet hij, en met hem het gehele genderteam, als de meest adequate oplossing voor het probleem van transseksuelen ‘het aanpassen van het lichaam aan het als eigen ervaren geslacht’.

Het enige antropologische onderzoek dat er in Nederland over transseksualiteit verschenen is, is afkomstig van De Waal (1982). Zij heeft onderzoek gedaan naar travestieten en transseksuelen in Nederland. Haar onderzoek richtte zich op de onderlinge omgangsvormen en de houding ten opzichte van de buitenwereld binnen de ‘subcultuur t & t’ (De Waal 1982: 18). De Waal richtte haar onderzoek op travestieten en transseksuelen, en geeft aan dat de meerderheid van deze mensen zichzelf travestiet noemt. Ze heeft uitsluitend ‘biologische mannen’ gesproken, die zij, onafhankelijk van de genderidentiteit, ‘man’ noemt. Het grootste verschil tussen haar en mijn onderzoek is dat terwijl zij zich uitsluitend richt op mensen die komen naar bijeenkomsten van travestieten, ik juist mensen onderzocht buiten de context van deze ‘subcultuur’.

Buiten Nederland is het meest bruikbare antropologische werk mijns inziens In Search of Eve. Transseksual Rites of Passage van Bolin uit 1988. Net als De Waal richt Bolin zich uitsluitend op MV-transseksuelen. Evenals De Waal is haar methode participerende observatie tijdens zelfhulpbijeenkomsten. Haar rite-de-passage benadering is interessant. Volgens haar doorlopen transseksuelen door het bijeenwonen van deze bijeenkomsten een rite-de-passage. Tijdens de bijeenkomsten leren ze de nieuwe rol als vrouw. Mijn kritiek op haar onderzoek is dat volgens Bolin transseksuelen de separatie en transitie fase doorlopen via deze bijeenkomsten. Dit doet voorkomen alsof transseksuelen in deze fase buiten de gewone wereld geplaatst worden. Transseksuelen hebben echter ook een ‘dagelijks leven’ buiten deze bijeenkomsten.

Tot slot wil ik hier door transseksuelen zelf geschreven literatuur vermelden. Het eerst verschenen dagboek van een transseksueel is Conundrum van Morris (1974). In Nederland is het bekendste dagboek Uit een oude jas vol stenen van Stoute (1999). Hiernaast verscheen het boek Man of vrouw. Min of meer van De Jong (1999), met interviews met transgenders en transseksuelen (waaronder een interview met Stoute en een interview met een persoon die ik ook geïnterviewd heb).


Indeling scriptie

Centraal in mijn scriptie zijn de vier componenten van gender en de onderlinge verhouding tussen deze componenten. In de indeling van mijn scriptie komen deze componenten terug. In elk hoofdstuk zal één component centraal staan. Hiernaast zal in elk hoofdstuk een aantal casussen besproken worden. Omdat het niet mogelijk is over elke individuele transseksueel zeer gedetailleerd te spreken, moeten de casussen die ik bespreek gezien worden als illustrerende thema’s.

In hoofdstuk één zal ik genderidentiteit bespreken. De vraag die ik hierbij stel is: Hoe werden mensen zich bewust van hun eigen genderidentiteit en op welk moment gingen ze hun genderidentiteit in verband brengen met transseksualiteit? Het hoofdstuk zal beginnen met de Sapir-Whorf hypothese. Het zal blijken dat kennis aangereikt vanuit de omgeving, bijdraagt aan het al dan niet kunnen interpreteren van de eigen gevoelens.

Het twee hoofdstuk zal ingaan op de volgende component van gender: genderrol. De vraag hierbij is: Wat is de relatie tussen genderidentiteit en genderrol? Ik zal in dit hoofdstuk de visie van Doorn en Butler op de relatie tussen die twee componenten van gender vergelijken met mijn eigen onderzoeksresultaten. Hieruit zal blijken dat transseksuelen zich kunnen uiten met een rol die overeenkomt met de genderidentiteit, maar zich ook kunnen uiten met een rol die juist tegenovergesteld is aan de genderidentiteit.


In het daarop volgende hoofdstuk komt de component gendertoeschrijving aan bod. Hierin bespreek ik de perceptie van transseksuelen op de toeschrijving door belangrijke mensen uit hun omgeving. Deze toeschrijving heeft vervolgens invloed op zowel de genderidentiteit, als op de genderrol. Aan de hand van de theorie van Verkuyten zal ik mogelijke gevolgen van verschillende manieren van gendertoeschrijving bespreken.

De vraag bij het vierde hoofdstuk is: Wat is de relatie tussen gender en sekse? De component van gender die ik hierbij bespreek is gendertoewijzing, welke meestal geschiedt op basis van de uitwendige geslachtsorganen. Dit wordt in het dagelijks leven ‘sekse’ genoemd. Aan de hand van het rite-de-passage model zal ik bespreken of mensen door het doorlopen van het proces van geslachtsaanpassende behandeling definitief van sekse veranderen.


[1] ‘Patiënten’ is de term waarmee transseksuelen door de behandelaars van  het ziekenhuis worden aangeduid.

[2] Vooral vanwege de lange wachtlijsten gaan mensen naar Duitsland, België of Thailand voor de behandeling.

[3] Deze theorie kan van belang zijn omdat het een biologische verklaring van transseksualiteit biedt. Er is echter veel discussie mogelijk over de validiteit van deze onderzoeksresultaten (zie bijvoorbeeld Rothblatt 1995: 50-51). Ik ga verder niet op dit onderzoek in omdat het een discussie op medisch terrein betreft, waarvan de resultaten nog te onzeker zijn.

[4] Kessler en McKenna spreken hier over ‘gender assignment’ (1974: 8).

[5] Kessler en McKenna spreken hier over ‘gender attribution’ (1974: 1-20).

[6] Ik stel in mijn scriptie dat het ontwikkelen van een eigen genderidentiteit onafhankelijk van de omgeving, een teken is van individuele keuzevrijheid. Ik laat hierbij een ander belangrijk vraagstuk achterwege. Namelijk of dit ook tegelijkertijd een teken is van biologisch determinisme.

[7] Bepaalde feministische teksten geven de indruk dat bij sekse wel degelijk sprake is van een gemeenschappelijke geschiedenis: “No man can have the history of being born and located in this culture as a woman” (Raymond 1994: 114). Simone de Beauvoir stelt: “Je komt niet ter wereld als vrouw, je wordt vrouw” (1990: 323). Zij bedoelt dat een persoon met een sekse vrouw, juist door het hebben van deze sekse in deze maatschappij een vrouwelijke gender zal aannemen. Sekse vormt voor deze auteurs de gemeenschappelijke oorsprong op basis waarvan genderidentiteit wordt vormgegeven.

[8] Deze aanpak is vergelijkbaar met de ‘grounded-theory’ benadering van Glaser en Strauss (zie o.a. Strauss en Corbin 1998).

[9] Hine haar boek Virtual Ethnography (2000) geeft aanwijzingen over het verrichten van antropologisch onderzoek via internet.

[10] Zij vroeg mij onder andere wat emic betekent, en verbeterde mijn woord ‘hermafrodie’ in ‘hermafroditisme’.

[11] Dit staat voor travestie en transseksualiteit.

[12] Hij gaat overigens in 2004 met emeritaat.

[13] Misleidend is dat Morris’ voornaam na de transitie ‘Jan’ is. Voor de Nederlandse lezer lijkt dit een mannennaam. Morris is echter een MV-transsseksueel die haar naam veranderde van ‘James’ naar ‘Jan’.