|
|
Home
| sport
| svc
| links| diversen
| Weetjes| contact|
E-mail Me | About
| Guest
Book © 2002 Stanley Lonwijk All Rights Reserved. |

13 October, 2002
SVC
Donateurs
Het Christoforus Internaat in beeld. Een toelichting over het internaat door de huidige directeur
klik hier voor beeld
Hoe kan je donateur worden van SVC? Klik hier en maak contact met een van de bestuurslid of print deze machtgingsformulier en stuur dat naar onze contact adres
Voor u ligt de informatiemap van de Stichting Vrienden van Christoforus (SVC). Met de in deze map vervatte informatie willen wij u inzicht geven in het ontstaan, het doel, de werkwijze en de tot nu toe bereikte resultaten van deze stichting.
Tevens hopen wij dat u, op basis van de verstrekte informatie, betrokken voelt bij de doelstelling en werkwijze van onze stichting en door deze betrokkenheid uw bijdrage wilt leveren aan de realisatie van onze doelstellingen, hetzij in financiële zin of door het meewerken aan projecten met als doel de financiële positie van de stichting te versterken.
Tilburg, december 2000
Het bestuur van
de Stichting Vrienden van Christoforus
In dit hoofdstuk treft u een korte beschrijving van de jonge geschiedenis van de stichting SVC.
De Fraters van Tilburg zijn een congregatie van mannelijke
religieuzen. Zij zijn geen priester, maar stellen zich wel ten dienst
van Kerk en samenleving. Zij leven in communiteitsverband.Een van hun belangrijkste doelstellingen is vorming,
opvoeding en onderwijs van jeugdigen, vooral
van kansarmen.Deze congregatie werd gesticht in 1844 door Mgr. Zwijsen
te Tilburg. Tot 1890 beperkten zij hun werkzaamheden tot Nederland en
België. In 1890 begonnen zij met onderwijs op de Nederlandse Antillen.
In 1902 vestigden zij zich in Suriname. Zij hebben daar jarenlang hun
bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van het basis- en Mulo-onderwijs
en de opleiding van leerkrachten. Ook hebben zij er enkele internaten
gesticht.Één van deze internaten is het Christoforus internaat
te Paramaribo in Suriname. Het internaat is bedoeld voor kinderen uit
het binnenland van Suriname die voor het volgen van onderwijs aangewezen
zijn op scholen in Paramaribo. De reden hiervoor zijn o.a. de beperkte
mogelijkheden voor het volgen van met name middelbaar en hoger onderwijs
in het binnenland.Kinderen uit het binnenland van Suriname hebben in Paramaribo
meestal geen familieleden of kennissen waar zij terecht kunnen voor behuizing
en verzorging gedurende de tijd dat zij onderwijs moeten genieten. Ook
zijn de ouder van deze kinderen vaak niet in staat de financiële middelen,
voor hun in Paramaribo verblijvende kinderen, op te brengen.
Het resultaat van het werk van “De Vrienden van het eerste uur” was de statutaire oprichting van de Stichting Vrienden van Christoforus ( met behulp van financiële bijdrage van de Fraters) op 28 april 1994 te Tilburg. De stichting wordt kortweg SVC genoemd. De statutaire doelstellingen van deze stichting zijn:“het ondersteunen van de te Suriname gevestigde stichting “Christoforusstichting” die ten doel heeft het bevorderen van de opleiding en vorming van uit het binnenland van Suriname afkomstige jongens en meisjes, door het aanbieden van huisvesting en begeleiding met de bedoeling de ontwikkeling van het binnenland zowel in materieel, cultureel als godsdienstige en maatschappelijk opzicht te stimuleren; één en ander volgens katholieke principes. De stichting tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door het verlenen van financiële ondersteuning en door gebruik te maken van alle overige middelen waarmee voormelde doelstellingen gerealiseerd kunnen worden. Elke aktiviteit gericht op het behalen van winst is uitgesloten.” De stichting is statutair gevestigd te Tilburg en inschreven in de kamers van koophandel onder nummer 41098168.

Foto 1 : Het eerste bestuur van de SVC. Van links naar rechts ziet u: Misiedjan ( secreatris), Pater I. Gijsberts ( lid), D. Eersteling ( voorzitter), frater M. J. C. Mommers ( penningmeester), A. Antonius ( lid)
In het eerste levens jaar van de SVC hebben de activiteit
van het bestuur zich gericht op:
De economische en politieke
situatie in Suriname waren in de eerste levensjaren van dien aard dat,
naar verwachting van het bestuur, er niet veel vertrouwen bij mogelijke
donateurs zou bestaan om een financiële bijdrage te leveren.Het bestuur moest zich goed beraden en plannen maken
hoe zij, ten behoeve van het internaat in Suriname, wel het vertrouwen
kon krijgen van mogelijke donateurs. Één van de plannen was het uitgeven
van een “nieuwsbrief” waarmee donateurs en mogelijke donateurs geïnformeerd
werden over de SVC en de resultaten die geboekt werden met behulp van
hun bijdrage.
bekendheid geven aan de SVC
Naast de persoonlijke benadering van donateurs en kandidaat donateurs door middel van een “nieuwsbrief “, is via kranten artikelen gewerkt aan de bredere bekendheid van de SVC en haar doelstelling. Deze artikelen wierpen hun vruchten af in de vorm van spontane reacties van lezers.
kontakt met het internaat in Suriname
wisseling van de leiding in Suriname
In dit hoofdstuk willen wij uw inzicht geven in de geschiedenis
en ontwikkeling van het internaat te Paramaribo.
Alles
heeft zijn oorsprong, zo ook het Christoforus Internaat.
Op 31 augustus 1902 arriveerden de eerste vijf fraters van Tilburg in Suriname. Van meet af aan hebben zij zich voornamelijk bezig gehouden met onderwijs in Paramaribo. Door allerlei omstandigheden is het er nooit van gekomen om ook in de districten ( = vergelijkbaar met een provincie of gemeente in Nederland ) of in het binnenland schollen op te zetten. Toch heeft de zorg voor het onderwijs buiten Paramaribo vele fraters constant bezig gehouden. Op dit gebeid mag - zonder de anderen te kort te doen - zeker de naam genoemd worden van fr. Cornelius Janssen. Als het dan niet mogelijk was rechtstreeks aan de verbetering van dit onderwijs te werken, dan moest het maar indirect gebeuren, door een verbetering van de opleiding van de “boslandonderwijzers”.
Lange tijd was het zo dat iemand die de lagere school
voldoende goed had doorlopen en daarvan bewijzen kon afleggen, verlof
(“permit”) kon krijgen om als onderwijzer voor een boslandschool op te
treden. Dat deze mensen, die dan vaak voor eenmansschool stonden
en dus les moesten geven aan alle klassen tegelijk, maar matig succes
boekten, ligt voor de hand. Het ministerie van onderwijs bemoeide zich praktisch
niet met de scholen in het binnenland. Het boslandonderwijs was een zaak
van de Evangelische Broedergemeente en de R.K.-missie. Zij verzorgden
met de hun ter beschikking staande middelen de schooltjes en betaalden
de leerkrachten. Van de overheid kwam slechts een matige subsidie, niet
eens voldoende om het hoofd van de school een behoorlijke bestaan te verzekeren.
Vandaar dat zo’n schoolhoofd genoodzaakt was langs andere langs andere
wegen in zijn onderhoud te voorzien. Pas in 1962 werd bij een beschikking van de minister
van onderwijs en volksontwikkeling een regeling getroffen waardoor een
officieel examen werd ingesteld ter verkrijging van de bevoegdheid tot
het geven van onderwijs aan boslandscholen. Maar zo’n examen vroeg natuurlijk ook om een opleiding. Van katholieke zijde is het vooral de stuwing van frater
Cornelius Janssen en het werk van frater Tranquilinus Schalken geweest
die voor deze opleiding hebben zorg gedragen. In 1957 al was men begonnen met jongens uit het binnenland
naar Paramaribo te halen om hen een paar jaar lang beter toe te rusten
voor het onderwijs in het binnenland. Een twaalftal jongens werden daartoe ondergebracht in
het internaat van de fraters aan de Verlengde Gemene Landsweg in Paramaribo.
Voor de middag bezochten zij de gewone lagere school en in de namiddag
gaven de fraters hen extra lessen waarbij hen de grondbeginselen van de
pedagogiek en didactiek werden bijgebracht. Toch was de op het St. Jozef internaat niet ideaal voor
de jongens uit het binnenland. Hun leeftijdgenoten volgden Mulo of Ulo
en hadden heel andere aspiraties. De jongens uit het binnenland voelden
zich geïsoleerd. Daarom werd reeds het volgend jaar begonnen met een afzonderlijk
internaat in de Mgr. Wulfingstraat in de oude vlechtschool tegenover het
fratershuis. Zestien jongens werden daar ondergebracht, acht indianen
en acht boslandcreolen. Frater Tranquilinus had de verantwoordelijkheid
daarbij geholpen, voor de materiële gang van zaken, door frater Vergilius
én “tante Annie” de kokkin die als een moeder over haar kinderen waakte. Eigelijk was het geen echt “internaat “. Er was een reglement
waar men zich aan had te houden. Voortdurende controle en surveillance
was er niet. ´S Nachts was er geen frater in het “internaat”. Het instituut
heeft dan ook nooit de naam van “internaat” gedragen maar stond bekend
onder de naam “vormingscursus”. De leiding van de vormingscursus zelf was in handen van
frater William Heerkens die met veel inzet en ook met behoorlijk succes
zijn medebroeders wist te begeesteren voor dit
werk. In de loop der jaren hebben zij ook heel wat pupillen
geholpen om dat bosland “permit” te behalen.
Toch was de situatie niet ideaal.
De oude vlechtschool bestond uit drie etages. Op de begane
grond waren les en studie mogelijkheden, op de eerste etage was een “instuif”
voor vrije jeugdbeweging en op de bovenverdieping waren de slaapgelegenheid
voor de jongens uit het binnenland. Vooral de activiteit van de “instuif” veroorzaakten nogal
wat problemen. Men keek uit naar andere mogelijkheden en zo werden de
plannen gemaakt voor de bouw en inrichting van een afzonderlijk internaat,
los van de oude vlechtschool. Aan het eind van het jaar 1965 ging de bisschop van Paramaribo,
Mgr. Kuypers, naar Nederland alsook de toenmalige regionale overste van
de fraters in Suriname ( frater Vincentius Smeets). In datzelfde jaar was aan de zijde van de Nederlandse
regering de mogelijkheid geopend om ontwikkelingshulp te verkrijgen voor
projecten in de particuliere sector. Dit alles leidde er toe dat op 31 maart 1966 er een bespreking
plaats had bij het generaal bestuur van de fraters in Tilburg. Mgr. Kuypers verzocht de congregatie om, ten behoeve
van het pastorale werk in het binnenland, in Paramaribo een internaat
te exploiteren. Dit internaat moest een opvang zijn voor kinderen uit
het binnenland, die in Paramaribo verder gingen studeren, als zij daartoe
de capaciteiten hadden. In datzelfde internaat zouden dan ook de jongens van
de vormingscursus worden ondergebracht.
Deze plannen werden in de jaren 1966 - 1967 verder uitgewerkt met als resultaat dat in juni 1968 het Christoforus internaat aan de Prinssesestraat van start kon gaan.
Terug naar
In dit hoofdstuk laten wij u kennis maken met enkele oud-leerlingen van
het internaat. Zij vertellen in het kort hun ervaringen gedurende periode
dat zij in het internaat verbleven en waarom zijn het voorbestaan van
het internaat belangrijk vinden.
Aan het woord is Donald Eersteling. Voor de leerlingen uit zijn periode ook bekend als “Donna”.
Een korte indruk van mijn verblijf op het Christoforus
Internaat van ongeveer 1 oktober 1973 tot 31 augustus 1976. De heer Heerenveen
was toen directeur, met nog 4 personen als surveillanten, met uitzondering
van mevrouw Heerenveen. Twee van deze personen waren al bekenden van mij. Ik zat in de tweede klas van het Christelijk Pedagogisch
Instituut (opleiding tot onderwijzer) en had al een aantal jaren ervaring
met het “internaatsleven”. Mijn start was vrij slecht; ik kreeg vrij snel een conflict
met een der leidinggevenden. Ons contact is nooit meer goed gekomen. We
spraken niet of nauwelijks met elkaar. De directeur heeft mijn hierop
aangesproken, wat echter niet mocht baten. Met de anderen
was goed contact; lol hebben, met elkaar kletsen over alles en nog wat,
spelletjes doen…… De studie heb ik verder daar afgemaakt en goede relatie
met familie Heerenveen en de anderen van de leiding opgebouwd. Van de directeur genoot ik in mijn tweede en vooral derde
jaar vrij veel “vrijheid”. Ik denk dat ik die verdiende op grond van mijn
gedrag, ijver/prestaties op school en het in mij gestelde vertrouwen niet
schond. Naar medeleerlingen toe had ik m.i. een voorbeeldige
rol, soms ook in het negatieve maar het positieve had de overhand. Met
leeftijdgenoten was de band heel goed; vriendschappen en contacten opgebouwd
die nu nog bestaan. Wij ondersteunde elkaar en probeerden het gezellig
te maken: het leven is niet makkelijk op een internaat maar vonden het
voor onze toekomst wel van belang om er te zijn. Jongeren kregen van mij (de ouderen) veel steun in woord
en daad. Onze eigen motivatie probeerden wij, in woorden en daden op hun
over te brengen. Verder deden wij samen aan sport en andere spelen. Na die periode ben ik het onderwijs ingegaan voor twee
jaren. Ik heb in het distrikt Brokopondo (dorp Semoisi) gewerkt. In 1978
ben ik naar Ned. vertrokken waar
ik de opleiding orthopedagogie met succes volgde. Momenteel ben ik werkzaam bij Jeugdzorg Groningen en
bij het middelbaar beroepsonderwijs. Het voort bestaan van het internaat acht ik van wezenlijk
belang voor de ontwikkeling van jongeren uit het binnenland; het biedt
naast onderdak en voeding ook nog begeleiding op het gebied van onderwijs
veiligheid en wennen aan het stadsleven. Het nut van een internaat als
o.a. vormingsintituut is bewezen; veel jongeren/personen uit het binnenland
van Suriname die nu een middelbare, en hoger en of een universitaire opleiding
hebben genoten, hebben een of meerdere jaren op een internaat (ook Christo)
gezeten. Het internaat verdient alle steun van iedereen en is
het bestaan van SVC ook van belang. Een stichting die middels activiteiten
hier in Ned. middelen verzamelt ter ondersteuning van het internaat. Tot slot: Een anekdote schiet mij nu niet te binnen,
wel een situatie die mijn waardering en respect voor de heer .Heerenveen
deed toenemen. Het was in 1974 of begin 1975. Heerenveen had wat signalen
ontvangen van medewerkers van een relaties tussen twee pupillen. Hij besprak
het met de betrokkenen zonder daarbij verbiedend of bestraffend te zijn.
Hij wees wel op de mogelijke consequenties voor hun en mede leerlingen.
(Nu komt het ). “Ik kom graag op een huwelijksfeest van twee ex-leerlingen”,
zei hij tot slot. De twee personen konden weer naar de groep. In de ongeveer twee jaren dat ik er nog verbleef en tijdens
ontmoetingen daarna met Baas Hero en betrokkenen, heb ik nooit meer iets
hierover vernomen, alhoewel hij meer/beter wist. Een pracht mens!!!
Van de redaktie: Donald Eersteling was voorzitter van het eerste bestuur van de SVC..
Oorspronkelijk kom ik uit het district Marowijne en wel uit de plaats Albina die uitgegroeid was tot een leuke vakantieplek. Na de lagere school op Albina doorlopen te hebben vertrok ik naar Moengo. Omdat er toen op Albina nog geen Mulo-school aanwezig was maar wel in Moengo. In augustus 1965 ging ik op Moengo wonen bij een neef van mij die voor de bauxietmaatschappij Suralco werkte. Mijn neef die op gegeven moment het plan had opgevat om naar het buitenland te gaan, vertrok in januari 1966 via Frans Guyana naar Parijs. Na het vertrek van mijn neef ging ik bij een nicht van mijn vader wonen zodat ik dat schooljaar goed kon afronden.
In het nieuwe schooljaar dat was in1967 ging ik, op advies van pater Antoon Donici, naar het internaat te Abadoekondre nabij Moengo. Gelukkig was er een schoolbus beschikbaar die de route Commewijne - Moengo v.v. reed. Wij, de kinderen, van het internaat maakten ook gebruik van die schoolbus. Dit internaat werd geleid door de zusters van Ouden Bosch. Vanwege hun hoge leeftijd zijn al die nonnen nu in Nederland, zo nu en dan breng ik deze nonnen een beleefdheidsbezoek uit dankbaarheid voor wat zij voor mij betekend hebben. Op dit internaat heb ik drie jaren gewoond tot ik in juli 1969 mijn Mulo-diploma behaalde. Dit soort verblijfproblemen zijn vaak genoeg de oorzaak waarom heel wat kinderen uit de districten die wel de capaciteit hebben maar jammer genoeg hun schoolcarrière niet succesvol kunnen afronden. Wil je naar een vervolgstudie na de Mulo dan ben je aangewezen op Paramaribo. Op Abadoekondre hadden wij ook het nodige vertier en afleiding onder andere een goed draaiend voetbalteam en ook andere recreatieve vormen van sport. Wij draaiden mee met de jeugdcompetitie op Moengo. Daarnaast had het internaat een eigen tuin waar wij groenten verbouwden, wij hoefden geen groenten te kopen. Ik plantte zelf graag: -tajerblad, -antroewa, boulanger en spitskool. Terwijl andere jongens bijvoorbeeld liever kouseband, tomaten en amsoi plantten. Met genoegen denk ik terug aan de tijd op de Mulo-school doorgebracht. Aangezien wij op Moengo niet de mogelijkheid hadden voor boekenhuur waren mijn ouders genoodzaakt om gedurende mijn vier jaren op de Mulo alle leerboeken te kopen. Daarom ben ik mijn ouders bijzonder dankbaar voor de geboden mogelijkheid om naar school te gaan.
Ik had wel een oudere broer en twee oudere zussen met
hun gezin in Paramaribo wonen, maar mijn ouders wilden hun op de eerste
plaats niet belasten met de zorg over mij. En op de tweede plaats konden
mijn ouders ervan verzekerd zijn dat de leiding van het internaat garant
stond voor de nodige begeleiding. In Paramaribo bezocht ik de Middelbare
Handelsdag School ( MHS ) . In het weekend ging ik vaak naar mijn broer
of een van mijn zussen, dat was ook leuk. Toen ik op het internaat verbleef
had echtpaar de Keyer de leiding over het internaat. De leiding werd ook toen
bijgestaan door een paar heren die s’middags om de beurt toezicht hielden. In dat kader werd er ook
vaak een beroep gedaan op de vader van de directeur, de oude baas de Keyzer,
die als “ Ouwe” bekend stond onder de studenten. Zeggen en schrijven heb ik maar een jaar op het internaat
vertoefd. Ik heb toen ervaren dat de de kans klein was om je s’morgens
te verslapen, want we werden door frater Orantus gewekt. Hij had zijn
slaapkamer immers bij de jongens afdeling. Ik weet ook nog dat mevrouw
de Keyer vakantiewerk voor Antonius Lonwijk en mijn persoon had geregeld
bij drukkerij Leo Victor zodat wij wat zakcenten konden verdienen. Antonius
zat toen op de Kweekschool en ik op de Handelsschool. Mijn jongere broer
( nu wijlen) en een jongere zus hebben ook op het Christoforus internaat
gezeten. Mijn verblijf op het Christoforus Internaat heeft maar een jaar
geduurd. Ik kreeg namelijk tijdens mijn verblijf op het internaat een
studiebeurs om in Nederland te gaan studeren. Ik vertrok op 3 september
1970 met een groep van 8 mede beursalen naar Nederland. Al met al het
internaat heeft, behalve mijn ouders, in het bijzonder bijgedragen aan
wat ik vandaag heb bereikt. Ik kijk daarom met tevredenheid terug op de
tijd die ik op het Christoforus internaat heb doorgebracht. Deze jongen uit Marowijne is Martin, M. Misiedjan. Martin
was secretaris in het eerste bestuur van SVC.
Na het doorlopen
van de Boslandschool uit het dorp Kajapatie,vertrok ik in september 1970,door
bemiddeling van een zekere Pater Willebrands naar een internaat te Peninica(Commewijne)
,waar een GLO-school aan verbonden was.
Om u een indruk te geven van de dagelijkse gang van zaken op het internaat
treft u in dit hoofdstuk
de indrukken van frater Henk Schilders, zoals hij die optekende in het
voorjaar van 2000 bij zijn bezoek aan
het Christoforusinternaat .
Onderstaande tekst
is ontleend aan een artikel dat frater Henk Schilders schreef voor het
tijdschrift Ontmoetingen, contactblad voor familie, vrienden en kennissen
van de Fraters (aflevering 138, augustus 2000).
Onze westerse cultuur benadrukt nogal eens de nadelen van het opgroeien van jeugdigen in internaatsverband. Bij mijn bezoeken aan het internaat bleek gelukkig dat het bestuur en de directie van ‘Christoforus’ zich ervan bewust zijn dat zij de gezinssituatie nooit kunnen vervangen. Een groot gedeelte van het gesprek dat ik had met de directie, de Heer en Mevrouw Romalho, handelde dan ook hierover. Sinds vier jaren heeft dit echtpaar de directie. Zij kunnen met recht van spreken een oordeel geven, want zij zijn beiden afkomstig uit het binnenland, zijn oud-leerlingen van het internaat en hebben een docentenopleiding gevolgd. Bij het spreken over het opvangen van de nadelen van de internaatsopvoeding kwamen twee facetten aan de orde: de aandacht voor de affectieve vorming van de pupillen en de pogingen om de jonge mensen te betrekken bij de gang van zaken op het internaat.
Natuurlijk doen zich op het terrein van de affectieve en seksuele vorming problemen voor bij meisjes en jongens in de leeftijdscategorie van 13 tot 24 jaar die op een internaat verblijven. Het doet goed te mogen bespeuren hoe jongelui ongehinderd toegang hebben tot de Heer en Mevrouw Romalho en tot de surveillanten die hen terzijde staan. Dat zijn veelal oudere mensen, afkomstig uit het onderwijs, die voor begeleiding zorgen bij de studie, en toezicht houden bij het eten, bij de ontspanning en op de slaapzaal. In veel gevallen is er duidelijk sprake van een vertrouwensrelatie. Je ziet hoe een meisje een gesprekje met een van de dames afsluit met een arm om haar middel te slaan, om zich zo even te laten aanhalen. Het zal in veel gevallen minder zijn dan waaraan zo’n puber behoefte heeft, maar het geeft iets aan van de waarde die men hecht aan het persoonlijke accent in de betrekkingen Het valt dan ook op hoe Directeur Romalho in de loop van het gesprek enkele malen spreekt over een zowel zakelijke als liefdevolle benadering, al is hij zelf de eerste om te onderstrepen dat zich juist op dit laatste terrein de beperktheid van een internaatsopvoeding het duidelijkst doet gevoelen.
De cultuur van de Indianen en ook die van de Boslandcreolen
kent nauwelijks de elementen van inspraak en medezeggenschap. Gelukkig
kan echter gebruik gemaakt worden van andere elementen die hun wortels
wel in de volksaard hebben. Er is gevoel voor discipline en je bespeurt
bereidheid om verantwoordelijkheid te nemen voor de gang van zaken. Men
hanteert het systeem van zaal- en tafeloudsten, waarbij men zich laat
aanspreken door een tweetal jongens en meisjes (een Creool en een Indiaan)
op het naleven van gemaakte afspraken en het onderhouden van voorgeschreven
regels. Daarnaast verzorgt men zijn eigen was, en kent men corveegroepen
die de tafel verzorgen, het terrein schoonhouden, de gaten in het wegdek
dichten, de zalen op orde houden, de moestuin bewerken en bijzondere activiteiten
voorbereiden en begeleiden. Je krijgt dan ook de indruk van een ordelijk verlopend
geheel. De pupillen beleven de strakke regelmaat als middel om optimale
aandacht aan studie en huiswerk te besteden, en weten zich zo bevoordeeld
boven jongelui die in hun thuissituatie moeten studeren.
Maar er is in de cultuur van land en volk nog een ander
facet dat een rol speelt in de waardering van het internaatsleven. Je
hoort het Ramana verwoorden in een gesprekje dat ik met enkele pupillen
had, om te achterhalen hoe ze hun dagelijks leven op Christoforus gevoelsmatig
ervaren. Het klinkt op het eerste oog wat overdreven: ‘Wij leven hier
samen met mensen van verschillende bevolkingsgroepen. Wat ik daar mooi
aan vind is dat we proberen dat te doen als zusters en broers van elkaar’.
Haar standpunt wordt door sommige gespreksgenoten uitdrukkelijk
beaamd en door andere niet in twijfel getrokken, en wekt mede daardoor
de indruk van authentiek te zijn. De Surinaamse samenleving kent inderdaad een aantal verschillen
in cultuur en ras. Misschien draagt de huidige economische situatie er
wel toe bij dat de jongelui elkaar als lotgenoten beschouwen. In ieder geval tonen zij zich bereid de gevoeligheid
te ontwikkelen voor goede onderlinge verhoudingen en het creëren van een
prettige sfeer. Op mijn vraag wat ze het leukst vinden op het internaat
komen antwoorden die daarnaar verwijzen. Orlando zegt: ‘Het is voor mij
toch vooral het samenzijn met mijn internaats-genoten’. Ramana verwoordt
het zo: ‘Er is eenheid onder de leerlingen; er is sprake van een soort
broeder- en zusterliefde’ Regine zegt: ‘Ik vind het leuk om te studeren
en ik geniet van het omgaan met elkaar’, en Idris verwijst uitdrukkelijk
naar de recreatie- en de sporttijden waarop deze elementen voor haar het
duidelijkst aan de dag treden.
De vraag naar toekomst wordt door de pupillen begrijpelijkerwijs anders verstaan dan door het directeursechtpaar. Bij de studenten speelt vooral het punt of ze na afronding van hun studie in de stad terug zullen gaan naar de dorpen. Uit de antwoorden van de meisjes, en dan met name van diegenen onder hen die een leraressenopleiding volgen blijkt het voornemen daartoe heel duidelijk: ‘Ik ga terug, omdat er een tekort aan leerkrachten is in mijn dorp’, hoor ik één van hen zeggen, en een ander drukt het zo uit: ‘Ik ga ook zeker terug, omdat ik het belangrijk vind om bij te dragen aan de vorming van de kinderen in mijn dorp’ Bij jongens die te kennen geven piloot of accountant te willen worden is natuurlijk het verlangen om terug te gaan minder groot. Uit hun mond kun je optekenen: ‘Er is daar geen werkgelegenheid’. En van een antwoord in de geest van ‘Ja, ik ga terug, want ik vind het daar leuk’ of: ‘Mijn ouders wonen daar’ kun je je afvragen of het dan om beweegredenen gaat die later wel bestand zullen blijken tegen argumenten van meer financieel-economische aard. Bij de Heer en Mevrouw Romalho roept het woord ‘toekomst’ vooral kwesties op rond materiële voorzieningen die gerealiseerd dienen te worden. Ze zien na dertig jaar de noodzaak van renovatie van gebouw en inventaris op zich afkomen. Ze ervaren ook de gevolgen van de slechte economische situatie waarin Suriname verkeert. Zo is het voor hen niet mogelijk om hun pupillen dagelijks wat fruit te verstrekken, terwijl juist jongelui in deze leeftijdscategorie daar zozeer behoefte aan hebben. Hun zorgen op deze terreinen worden mee gedragen door het volijverige bestuur van het internaat dat maandelijks bijeenkomt onder voorzitterschap van Pater A.H. te Dorsthorst. De andere leden van het bestuur zijn: mevr. Y. Debs (penningmeester), mevr. Ch. Naarden, zuster E. F. Monk, dhr. E. N. Fannel, mr. B. G. Beckles (ondervoorzitter), frater Lambertus Berkers (secretaris) en frater Adolfus Mallens. Op hun vergaderingen gaat het overigens niet enkel over materiële zaken, maar komen ook het pedagogisch klimaat, de relaties met ouders en scholen, en de aandacht voor godsdienstige en maatschappelijke vorming ter sprake.
In 1996 bedroeg het kostgeld op het Christoforus-Internaat
nog 6.000 Surinaamse guldens per maand. In 1999 was dat opgelopen tot
25.000 guldens. En dat terwijl de werkelijke uitgaven toen al 60.000 Surinaamse
guldens per leerling per maand bedroegen. Als je van deze ontwikkelingen hoort, realiseer je jezelf
dat het welhaast onmogelijk moet zijn om de eindjes aan elkaar te knopen,
en al evenzeer dat van de ouders geen hogere bijdrage in de kosten kan
gevraagd worden. Dat betekent dat de toekomstmogelijkheden van jonge mensen
op het spel staan. Sinds vijf jaren is in Nederland de Steunstichting
‘Vrienden van Christoforus’ actief. Zonder de kansen die het internaat
biedt, hebben de Christoforuspupillen nauwelijks perspectief. Dat is de
overtuiging waarmee allen die zich beijveren voor de instandhouding en
het goed functioneren van het internaat zich laten leiden bij hun dagelijkse
inspanningen.
Over de stichting en het internaat zijn onder andere
de volgende artikelen in periodieken en nieuwsbladen verschenen.
In de weekkrant
Suriname:
05-11-1994 : Chistoforus internaat in Suriname moet overleven.
12-02-1997 : Nieuwe leiding bij Christoforus internaat
01-07-1998 : Christoforus internaat bestaat 30 jaar
08-09-1999 : Overleven in Suriname: kunst apart
29-11-2000 : Een plaats voor vorming voor het leven
Omhoog, bisdom
Paramaribo:
18-08-1996 : Directie wisseling Christoforus internaat
25-08-1996 : Pastoraal voor iedereen 46: Albert Heerenveen
13-04-1997 : Pastoraal voor iedereen 54: Lucius en Els Romalho-Swedo
29-11-1998 : Christoforus internaat: b.g.v. 30 jarig bestaan
De Ware Tijd,
dagblad in Suriname:
03-02-1998 : Christoforus Stichting krijgt US$ 20.100,00 van Alcoa stichting
20-10-1998 : Christoforus internaat organiseert fondsvormende activiteit.
De West, dagblad
in Suriname:
03-02-1998 : Alcoa Fundation schenkt Christoforus Stichting $ 20.100,00