De Geschiedenis

1814

G.K. Hogendorp

In 1814 maakte zuidelijk Nederland zich los van de Fransen. Het noordelijke gedeelte had dat het jaar ervoor al gedaan, na hooguit 3 jaar. Na de Franse overheersing komt er een commissie van wijze mannen onder leiding van G.K. Hogendorp tot stand. Die hebben de taak een nieuwe grondwet te ontwerpen. In deze grondwet zit reeds een begin van het tweekamerstelsel. Omdat de soevereine (oppermachtige) vorst Willem niet alleen de verantwoording wil hebben mogen ook edelen of ridderschappen van iedere provincie mee beslissen.

1815

Titelblad van de Grondwet

De Eerste Kamer is in 1815 opgericht door koning Willem I. Toen België en Nederland samen gingen, was er een nieuwe wet nodig. De Belgen waren bang dat ze hun macht zouden verliezen als ze het éénkamerstelsel aanhielden. Daardoor drongen ze aan om een tweede kamer op te richten. De leden moesten minstens 40 jaar zijn, ze moesten economisch gebonden zijn aan hun land. De leden werden toen benoemd door de koning zelf, het waren vertrouwelingen van de koning en werden door hem voor het leven benoemd. In 1815 werd ook de nieuwe grondwet aangenomen (goedgekeurd). Op 10 mei, op een vergadering over de Staten Generaal, zijn ze begonnen te denken over 2 kamers. Toen is ook besloten dat de 2 kamers samen deel uit maakten van de Staten Generaal. Op 24 augustus 1815 werd de nieuwe grondwet in het staatsblad gepubliceerd. Toen vergaderde men nog in Brussel.

Samenstelling :

Bij koninklijk besluit op 1 september 1815 werden 43 Eerste-Kamerleden benoemd. In Noord-Nederland bedankten er 3 voor de eer en in Zuid-Nederland maar 1. De eerste voorzitter was Ch.I.Ph. graaf de Thiennes de Lombisse. Hij was voorzitter van 1815 tot 1818.

 

Ch.I.Ph. graaf de Thiennes de Lombisse

 

Klik op het plaatje om hem groot te zien.

Landkaart 1817

1830

Op 13 september 1830 is er een buitengewone zitting geweest, van de Staten Generaal in Den Haag, omdat er rellen waren in Brussel en Luik. Nu wilden ze eigenlijk niet verder samen gaan met Zuid-Nederland, maar ze hebben besloten toch samen verder te gaan. Tussen 1830 en 1840 stierven er 16 leden. In diezelfde tijd werden er 18 nieuwe leden benoemd. Ook al waren deze leden wat jonger, toch werd het idee van een pensioenfonds versterkt. In die tijd zijn totaal 15 leden een vol jaar of langer afwezig geweest. Nooit nam iemand ontslag, want men was immers voor het leven benoemd. De som van 3000 gulden per jaar als Eerste-Kamerlid, die volgens de grondwet voor "reis- en verblijfkosten" diende, werd blijkbaar in tijden van afwezigheid beschouwd als aanvulling op pensioen of als beloning voor in het verleden bewezen diensten en trouw. Toen waren ook 7 ‘burgers’ Eerste-Kamerleden. Zij waren wel edelman of zij bezaten de academische titel van meester in de Rechten.

1840

Op 12 juni 1840 werd met 14 stemmen voor en 1 tegen aanvaard dat het aantal Eerste-Kamerleden van 20 naar 30 was verhoogd. Op 6 augustus 1840 kwam de dubbele kamer in een buitengewone zitting bijeen. In deze dubbele kamer waren door de Staten van verschillende provincies onder andere de liberaal J.R. Thorbecke en de christelijk historisch en anti-revolutionaire publicist G. Groen van Prinsterer als buitengewoon lid gekozen. Groen van Prinsterer had uitvoerig het woord. Hij vond dat de Eerste Kamer niet deugde. Na de afscheiding van België bleef de Eerste Kamer gehandhaafd, de Grondwet werd herzien en Willem I besloot af te treden.

1844

Thorbecke

In december ’44 diende een negental Tweede-Kamerleden onder leiding van Thorbecke een eigen voorstelling tot wijziging van de Grondwet. De jaren 1845 tot 1848 werden gekenmerkt door politieke en sociale ontevredenheid. In 1846 durfde slechts enkele ministers of vertrouwensman van de koning erop aan te dringen bij Willem II op herziening van de Grondwet. Maar hij wilde dat niet.

1848

In 1848 wordt de Grondwet toch aangenomen, dat betekent : de Eerste Kamer blijft bestaan, de leden worden niet meer door de koning benoemd maar door de Provinciale Staten verkozen uit de zeer rijke mensen van de afgelopen 9 jaar, met aftreding van de helft om de 3 jaar. Daarmee kwam een eind aan de invloed van de koning op de Eerste Kamer. De toenmalige koning Willem II betreurde dat zeer. Hij schonk in die dagen een levensgroot portret van hemzelf aan de Eerste Kamer. "Zo ben ik toch altijd bij u", moet hij bij die gelegenheid hebben gezegd. Het schilderij hangt nu nog steeds achter de voorzittersstoel in de vergaderzaal van de Eerste Kamer.

1887

In 1887 zit de Eerste Kamer behoorlijk stevig in het zadel. Na de Grondwet herziening in 1887 was hun positie tamelijk positief. Het aantal leden van de Eerste Kamer wordt nu uitgebreid tot 50, ook bekleders van hoge functies mogen nu gekozen worden. Nu niet meer bevolkt door vrienden van de koning, maar door gekozen door de maatschappij ontwikkelt de kamer zich tot een college met politiek verantwoordelijkheids gevoel.

1917

Carrie Pothuis-Smit

Sinds de grondwet herziening van 1887 zijn er belangrijke veranderingen in het Nederlandse Staatsbestel opgetreden in 1903 werden er voorstellen ingediend voor invoering van het algemeen kiesrecht. Van alle pogingen, om de positie van de Eerste Kamer te versterken of juist te doen verdwijnen, komt niets terecht. In 1905 stelt de Staatscommissie voor om de positie van de Eerste Kamer te versterken, door haar het recht amendement te geven. Dat recht houdt in dat de Kamer wijzigingen mag aanbrengen in wetsvoorstellen. Bij de grondwet herziening van 1917 wordt het algemeen mannenkiesrecht met evenredige vertegenwoordiging ingevoerd voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer. En aan vrouwen werd het passieve kiesrecht verleend, ook zij konden dus voortaan gekozen worden. De Eerste Kamer zou niet langer per provincie gekozen worden (districtenstelsel), maar de stemmen van alle statenleden worden voortaan bij elkaar geteld (evenredige vertegenwoordiging). In 1920 werd de eerste vrouwelijke senator gekozen, ze heette Carrie Pothuis-Smit. Zij was lange tijd de enige vrouw in het mannengemeenschap.

1922

In 1921 werden concrete stappen ondernomen om de Eerste Kamer op te heffen. Die pogingen mislukten. Vervolgens (1922) dient de Regering nieuwe voorstellen in waarin met de wensen van de Eerste Kamer rekening wordt gehouden. Daarin stelt zij voor de Eerste-Kamerleden te laten verkiezen voor een periode van 6 jaar door de Provinciale Staten volgens het stelsel van evenredige vertegenwoordiging met tussentijdse aftreding van de helft om de 3 jaar. Hoewel er geen groot enthousiasme voor dit voorstel bestond, werd het toch aanvaard. Verwerping ervan zou tot handhaving van het verouderde meerderheidsstelsel hebben geleid. In 1923 werd het nieuwe kiesstelsel ingevoerd.

1954 / 1956

In haar eindrapport stelt de staatscommissie van Schaik voor het budgetrecht te beperken en de zittingsduur van de leden van de Eerste Kamer van 6 jaar terug te brengen op 4 jaar met afschaffing van de aftreding. Verder wil de commissie de tweede lezing van de Grondwetsherzieningsontwerpen opdragen aan een apart te verkiezen college, de Grondwetskamer. Bij de Grondwetsherziening van 1956 wordt het aantal leden van de Eerste Kamer uitgebreid tot 75 en wordt, in het 4e lid van artikel 101 van de Grondwet, bepaald dat de wetgever regels kan stellen omtrent de vergoedingen van de kosten welke uit de vervulling van het lidmaatschap van de Eerste Kamer voortvloeien.

1966

In het ontwerp van de nieuwe Grondwet wordt, in navolging van de Staatscommissie van Schaik voorgesteld de zittingsduur van de leden op 4 jaar te stellen. Wel blijft de Eerste Kamer volgens dit voorstel verkozen door de Provinciale Staten, verder wil het ontwerp aan beide kamers de bevoegdheid geven in Verenigde Vergadering te beraadslagen en te besluiten ook buiten de gevallen waarin de Grondwet een verenigde vergadering voorschrijft. Dat kan zijn in alle onderwerpen die de Kamers belangrijk achtten. Zowel voor het verenigt beraadslagen als voor het verenigt besluiten is een besluit nodig van elk van de beide kamers afzonderlijk. Verder stelt het ontwerp voor de Eerste Kamer het recht van initiatief te geven. Dat recht houdt in dat de leden zelf een wetsvoorstel in mogen dienen, al gebeurt dat niet vaak.

1971

In het eindrapport van de Staatscommissie van advies inzake de Grondwet en de Kieswet, in de wandeling genoemd de commissie Cals/Donner welke ingesteld was door het Kabinet-De Jong. Wordt door de meerderheid van de leden van deze commissie voorgesteld de Eerste Kamer net als de Tweede Kamer direct door de kiezer te laten aanwijzen. Verder meent de Staatscommissie de Eerste Kamer buiten de vaststelling van Begrotingswetten te moeten laten. En de 2e lezing van Grondwetswijzigingen over te brengen naar de Verenigde Vergadering. De Eerste Kamer zou, volgens de Voorstellen van de commissie Cals/Donner, wat haar wijze van samenstelling betreft een doublure van de Tweede Kamer worden, waarbij tevens haar bevoegdheden zouden worden ingeperkt. De commissie bracht dat jaar het eindrapport uit.

1974

Het kabinet-Den Uyl kwam in 1974 met een nota over de Grondwetsherziening. De conclusie van het kabinet ten aanzien van de reden voor het voortbestaan van een Eerste Kamer komt op hetvolgende neer : heroverweging van een door de Tweede Kamer aangenomen wetsontwerp door de Eerste Kamer acht het kabinet gewenst. Ze willen liever dat de Eerste Kamer de wet bekijkt dan dat de Tweede Kamer de wet voor een tweede keer doorneemt. En de voorstellen van de commissie Cals/Donner. Er kwam echter niets terecht van deze "goede voornemens". Bij de behandeling van de Nota in de Tweede Kamer nam deze de Motie-De Kwaatsteniet aan waarin werd aanbevolen om de Eerste Kamer door de leden van de Provinciale Staten te doen verkiezen voor 4 jaar binnen 6 weken na hun beëdiging, en om haar de thans toekomende taken en bevoegdheden te laten behouden. Deze motie is op 28 januari 1975 aangenomen door de Tweede Kamer met 68 stemmen voor en 63 tegen.

1983

De Grondwetsherziening* die in 1983 werd afgerond had als resultaat dat de zittingsduur en de wijze van verkiezing van de Eerste Kamer werden gewijzigd. De zittingsduur werd eindelijk 4 in plaats van 6 jaar en alle provincies zouden voortaan tegelijkertijd de Eerste Kamerleden kiezen. De verkiezingen door groepen provincies vervielen daarmee.

* Grondwet (citaat uit Parlement en Politiek) : staatsstuk dat de grondbeginselen voor de regering van een staat bevat alsmede samenstelling, functies en bevoegdheden van de voornaamste staatsorganen. Herziening is een verandering.

Inhoud < > Het Binnenhof