Microchirugie
Er zijn verschillende microchirurgische ingrepen voor de behandeling van glaucoom. Bij de meest voorkomende, de zogenaamde filtrerende operatie, (zie afbeelding 18) worden openingen gemaakt in de karnerhoek en in de iris waardoor het kamervocht gemakkelijker de voorste oogkamer kan bereiken en zich van daaruit kan verspreiden onder de buitenste lagen van het oog, om tenslotte in het bloed te worden opgenomen.

Afbeelding 18: Schematische doorsnede van de voorste en achterste oogkamer. Er is een gaatje gemaakt in een deel van de kamerhoek en in de iris.

Afbeelding 19: Schematische voorstelling van een oog waarvan het oogwit is geopend. Daardoor is toegang verkregen tot de voorste oogkamer. In de rechter afbeelding is het sneetje in het oogwit gehecht. Het gaatje in de iris is net zichtbaar.
Om bij de iris en de kamerhoek te kunnen komen, moet de oogarts een klein sneetje maken in het oogwit, (zie albeelding 19).Microchirurgie voor glaucoom kan bij volwassenen meestal onder plaatselijke verdoving plaatsvinden. Bij sommige jonge volwassenen en bij kinderen zal de operatie onder narcose worden uitgevoerd. Ook gecompliceerde ingrepen worden onder narcose uitgevoerd. De operatie gebeurt met behulp van een sterk vergrotende operatiemicroscoop.
Doordat het kamerwater na de operatie onder de buitenste lagen van het oog vloeit zal een zogenaamde filtratieblaas ontstaan. Dit is een licht verheven gebied, dat meestal bleker is dan de omgeving. Soms ziet men echter heel weinig van zo'n filtratieblaas. Overigens is er voor de buitenstaander aan het oog niet veel te zien, noch van het gaatje in de iris en de kamerhoek, noch van het sneetje in het oogwit.
Het uitvoeren van de filtrerende operatie vereist een korte opname in het ziekenhuis en een nauwkeurige en frequente controle na de operatie. De eerste maand na de operatie wordt men over het algemeen wekelijks gecontroleerd. In deze periode dient men rust te houden. Dit houdt in dat men dan niet mag sporten, geen zware dingen tillen en niet lang voorovergebogen mag werken. Het is van belang het oog goed te beschermen. De patiënt dient daarom overdag bijvoorkeur een bril te dragen. Ook is het raadzaam om een plastic beschermkapje voor het geopereerde oog te plakken bij het douchen, haren wassen en voor het slapen gaan.
Vlak na de operatie is de oogdruk meestal erg laag. Men zal daarom de eerste weken na de operatie niet zo scherp zien als voor de operatie. Een enkele keer blijft de oogdruk te laag. Het afvoermechanisme werkt in dat geval te goed. Een te lage druk kan leiden tot wazig zien door aantasting van het netvlies ((hypotonie maculopathie) of door lensvertroebeling (staar of cataract). Het kan dan nodig zijn om het oog opnieuw te opereren, om bijvoorbeeld het afvoertje opnieuw te hechten of om de troebele lens te vervangen. Meestal is echter het omgekeerde het geval : de oogdruk gaat weer stijgen. Het afvoertje dat bij de operatie wordt gemaakt is namelijk een wondje waarvan het de bedoeling is dat het niet geneest, d.w.z. niet dicht groeit. Om deze natuurlijke neiging tegen te gaan en de kans op dichtgroeien te verkleinen, wordt tijdens de operatie vaak een medicijn (Mitocymine) toegediend. Ook de oogdruppels en eventueel zalf, die men voor gebruik na de operatie krijgt voorgeschreven, zijn daarop gericht. Soms is het nodig de oogbol te masseren, of met laserlicht enkele hechtingen door te snijden. De operatie heeft tot doel de oogdruk te verlagen, liefst naar waarden tussen de 10 en 15 mm kwikdruk, en liefst zonder gebruik te hoeven maken van oogdrukverlagende oogdruppels. In circa 30% van de gevallen zijn aanvullende oogdrukverlagende oogdruppels ook na de operatie echter nog nodig. En bij circa 1 op de 10 patiënten is een heroperatie op den duur, soms pas na jaren, niet te vermijden. De kans op dichtgroeien van het afvoertje is groter op jonge leeftijd, bij een donkere huidskleur en na eerdere ingrepen aan het oog.
Zoals iedere operatie kan ook de glaucoommicrochirurgie tot complicaties leiden. Bij het stellen van de indicatie voor een operatie wordt hiermee rekening gehouden. Bij het ongecompliceerde primair open kamerhoek glaucoom is de kans dat de operatie slaagt ongeveer 75%; met extra medicijnen zelfs 90%. Er zijn echter andere vormen van glaucoom waarbij het succespercentage niet zo hoog ligt. Vooral bij jongere patiënten kan het moeilijk zijn om de opening open te houden, omdat deze een sterkere neiging tot littekenvorming hebben. Als een filtrerende operatie niet lukt zijn er nog andere chirurgische mogelijkheden om de oogdruk naar beneden te krijgen. Soms wordt gekozen voor het plaatsen van een glaucoom-implant ('Baerveldt implant'). Bij het plaatsen van een glaucoom- implant wordt een hol buisje in de voorste oogkamer gebracht. (Zie afbeelding 20) Via dit buisje wordt het oogvocht afgevoerd naar een kunststof plaatje dat verder naar achteren op de harde oogrok (sclera) wordt vastgezet. (zie afbeelding 21) Over deze implant wordt het bindvlies weer gesloten. Via het buisje kan het oogvocht makkelijker weg en de druk van het oog daalt daardoor op den duur.
Afbeelding 20: Een voor beeld van een oog waarin operatief bij de iris een buisje is geplaatst om het kamerwater af te voeren.

Afbeelding 21: Een voorbeeld van een implant die voor een 'Baerveldt operatie' kan worden toegepast.