 |
Een beweging, een organisatie die aan het eigen Volk
leiding wil geven op alle terreinen van staatkundig, cultureel en sociaal leven
heeft de verplichting om de eerlijkheid van haar bedoelingen zoowel als
haar innerlijke kracht reeds in de periode van den strijd tot uitdrukking
te brengen. Zij kan dit doen door in het eigen verband, in de eigen rijen een
voorbeeld re geven van alle deugden en waardevolle eigenschappen, die zij aan
het geheele Volk in de toekomst wil doen deelachtig worden. De eensgezindheid
van allen onder alle omstandigheden, de offerbereidheid en geschiktheid om de
gemeenschap te dienen, het terzijde stellen van kunstmatige tegenstellingen en
het overbruggen van bestaande, natuurlijke verschillen: Al deze geestelijke
programmapunten van de Nationaal-Socialistische Beweging dienden het eerst en
het best te worden verstaan in de kringen der nationaal-socialisten zelf.
Onderlinge saamhorigheid en
kameraadschap van menschen die in
denzelfden kring, groep of buurt van de organisatie waren opgesteld, vormden
hiervan een organisch begin. De Landdagen, die de Leider reeds vanaf 1933
bijeenriep leverden in de strijdjaren, en leveren ook nu nog de gewenschte
uitbreiding van de gemeenschap der strijders van het geheele land. In de eerste
jaren waren het nog slechts eenige honderden of duizenden, die gehoor gaven aan
den oproep van den Leider voor een Landdag. Zij verzamelden zich in een gunstig
gelegen stad, in een der groote, later zooveel mogelijk in de grootste zaal van
het land. Reeds in 1935 was er geen zaal meer groot genoeg de tienduizenden
zwarte soldaten te bevatten. De vierde Landdag moest daarom in een tent gehouden
worden, die uit den aard der zaak slechts tijdelijk kon worden opgetrokken. De
verdere uitbreiding van de Beweging heeft ook hieraan een einde gemaakt. De
eenige mogelijkheid die nog overbleef en die daarom benut moest worden was die
van een openluchtvergadering.
Op deze wijze is uit den gezonden groei der Beweging de
traditie voortgekomen die voor alle Nederlandsche nationaal-socialisten
eenzelfde, grootsche beteekenis heeft, en die hen aandrijft om zich op den
Tweeden Pinksterdag ter Hagesprake te begeven.
|