Wanneer men twee uur van het hele leven samen is, en de stem
wordt dieper; alles versnelt, seizoenen vlagen over ons, voorbije eeuwen
leven op in flitsend licht. Er waren, als altijd, woestijnen vol goud en
woeste donkerte, en dan het gloren ex oriente lux - er waren
verzen Perzische strofen, die we zegden, en de verzen nog ongezongen
speelden onderhuids in de beweging van je levendig gelaat, over het zachte
zeemleer van je leden.
Wie zich hervindt vergaat, en wie vergaat die
leeft tot eeuwigheid. Als ik mij nu laat gaan is het niet enkel maar om
jou, die ik uit vrees voor groter leed niet eens vaarwel zei; is het ook
om de eeuwen door verspeelde kansen verklankt in lied, geschilderd op
paneel, gedanst met lichamen, brekend over de grens. Hoe vaak herkennen
wij: hier, hier is het gebeurd.
Er is geen antwoord. Waarom kruiste ik je
pad twee uren, waarom overschatte ik mezelf, wees ik af wat je gaf: mijn
ideaal gegroeid tot mensenkind, een kruidig lijf, een hoofd van schaduw en
van pracht, en een lief hart vol vrolijkheid en speelse poëzie.
Waar
boet ik voor, nu ik, volkomen leeg en waardeloos onder de sterren sta en
niets zie en niets weet, en enkel honger, alleen maar luister of er is een
stap, een groet die iets verraadt van je bestaan nu ik je gaan liet,
naamloos niet, maar toch voorgoed verloren in het brandende geweld van
wereld en van tijd.
Hans Warren, Verzamelde Gedichten.
(Amsterdam: Bert Bakker, 2002).