De donder jaagt
met knetterende zwepen Een felle witte vogelstoet naar huis Over de
Schelde, maar ze talmen even, Waar een vis uit het groezlig water
stuift.
Twee meisjes roepen met klinkende stemmen, Gelouterd en
geschaduwd door het vuur; Nooit zal ik ze na dit moment
herkennen, Deze profielen, angeliek en puur.
En groter gaat het
wilde waaien heersen, Het water wordt een zandwoestijn gelijk; Een
schorre vogel houdt niet op te krijsen, als 't lood der regens op de
golven strijkt.
Hans Warren, Verzamelde Gedichten.
(Amsterdam: Bert Bakker, 2002)