Ik stel mij voor dat in een later eeuw een man die voor
een dissertatie of enkel uit nieuwsgierigheid vergeten dichters uit
vergeten tijd opzoekt dit vers zal vinden. Eén moment zal dan als uit de
tombe van een farao voor hem een goddelijke geur opslaan, én huivering van
doodsangst om de bron waaruit wij allen drinken.
Ik teken hem het
laatste beeld: een jongen die met een strak gezicht de nacht inloopt, een
man, die hunkerend de andere weg gaat en helaas niet meer omkijkt - de
regen stroomt er over, eerste voorjaarsregen, een merel wekt met zoet
gefluit meer verdriet in dit zinloos afscheid.
Mogelijk leven wij niet
eens voor nu maar leven wij voor vroeger, later. Gegroet dan lezer, Taieb
en Hans zwerven eindeloos voort in de verkeerde richting, mogelijk dat gij
hen een dag herkent.
Hans Warren, Verzamelde Gedichten.
Amsterdam: Bert Bakker, 2002.