Met
zoveel liefde heb ik van je gehouden dat, nu ik bijna je vergeten
ben, het zeggen van je naam mij is gebleven een liefkozing, waar ik
dagen op kan leven.
En dit is de liefste herinnering: hoe op het
plein, een honinglied van linden, vanuit de schaduw over witte
straten je aan kwam lopen. Speelse zomerwinden
sloegen de gele
zijde van je kleed tegen je ranke lichaam, en je ogen waren van
heimwee raadselig verwijd. Hoevele zomers zijn sindsdien
vervlogen.
Met zoveel liefde toch heb ik van je gehouden dat, nu
ik bijna je vergeten ben, het een liefkozing der lippen is
gebleven je naam te zeggen als ik eenzaam ben.
Hans
Warren, Verzamelde Gedichten. (Amsterdam: Bert Bakker,
2002)