Behalve linde, tamarinde en banaan. Jammer genoeg heb ik het bundeltje niet meer. Vermoedelijk uitgeleend en nooit teruggekregen. Het had, als ik mij goed herinner, een roodkoperkleurige kaft. Ik kreeg het toen ik een jaar of vierentwintig was. Ik woonde op Texel, waar ik een paar jaar eerder was neergestreken omdat ik er een baan kon krijgen als journalist bij een kleine krant; niet alleen voor de verslaggeving, maar ook voor de fotografie - van flits en ontwikkelbad tot en met cliché.
Het was mijn eerste kennismaking met Hans Warren, én de bovenmeester: 'Onthouden, jongens: alle boomen zijn mannelijk, behalve linde, tamarinde en banaan.' Ik vond het een prachtig bundeltje. Sensueel, exotisch. En ik herkende er een weemoed in, een ongeneeslijke weemoed:
Heel vroeg hield ik al van de schemering
en van een makker voor de avondval.
Het zat ook in zijn manier van praten, vond ik, toen ik hem in 1998 thuis opzocht. Hij wachtte me op aan het einde van het pad, voorbij de irissen. Mario maakte koffie. Ik stelde hem bij die ontmoeting ondermeer de vraag waar ontroering en verdriet elkaar raken.
'Ik denk dat ontroering en verdriet in elkaars verlengde liggen,' antwoordde hij. 'Je kunt huilen om iets wat mooi is. De ontroering ligt in het besef van de kortstondigheid. Vergankelijkheid is een van de bronnen van weemoedig verdriet. Schoonheid vergaat, een bloem bloeit kort.'
Later dat jaar verloor ik mijn zusje aan kanker. Ik stuurde Hans en Mario het artikel dat ik over mijn afscheid van haar had geschreven, en Hans reageerde per ommegaande met een briefje vol aardige woorden waar ik bijna verlegen van werd. Hij had het artikel met veel waardering gelezen, schreef hij. 'Knap hoe je over al die moeilijke en hoogst persoonlijke dingen schrijft en je juist door niet in algemeenheden te vervallen je relaas een universele strekking geeft.' Ik was er blij mee, voorzover je blij kunt zijn op zo'n moment. In diezelfde brief gaf hij me toestemming de neerslag van mijn bezoek aan het Pijkeswegje op te nemen in mijn interviewbundel Gelijk het gras, die als thema de vergankelijkheid heeft. Door allerlei toestanden is dat boek nota bene pas dit jaar verschenen, na mijn roman, waarvan Hans slechts heeft geweten dat die in wording was. Ik mocht er ook de gedichten bij plaatsen die in ons gesprek aan de orde waren geweest. Een daarvan was Vroeger met de zuidenwind, uit Een roos van Jericho:
Vroeger met de zuidenwind
ontving ik soms een boodschap
geur uit je straat, stof van je drempel.
Of met de noordenwind
gaf ik een vogel mee
die een woord voor woord geleerde lofzang floot.
Er waren veel wegen en schepen
en de aarde draaide gewillig,
hier jij, daar ik.
Toen je pas verloren was
bleven er veel denksystemen
en berekeningen om in te nemen
als slaapmiddel.
Later het gevecht met de taal.
Bezweren je leeft en ik heb je nog lief,
want ik zeg het.
Weer later kwam je alleen
in de windstilte van de slaap
soms naast mij liggen.
Nu de wind van alle kanten komt
ontvang ik vaak een boodschap
geur uit je straat, stof van je drempel.