
|
Baden-Powell, Robert Stephenson Smyth (Londen 22 febr. 1857 - Kenia 8 jan. 1941), Brits generaal en jeugdopvoeder, diende als militair in Brits-Indië en Zuid-Afrika. In 1899 publiceerde hij een boekje Aids to scouting, een methode om soldaten beter op te leiden. Tijdens de Boerenoorlog verwierf Baden-Powell zich in zijn vaderland grote populariteit door de verdediging van Mafikeng aan de grens van de Kaapkolonie. Tijdens de verdediging bemerkte hij welke goede diensten jongens kunnen bewijzen, als ze behoorlijk getraind zijn. Deze ervaring bracht hem ertoe een trainingsprogramma op te stellen; het resultaat daarvan, neergelegd in Scouting for boys (1908), werd wereldwijd bekend. Op aanraden van koning Edward VII bedankte Baden-Powell voor zijn functies in het leger en ging hij zich geheel wijden aan de organisatie van de padvinderij. In 1920 werd in Richmond de eerste internationale bijeenkomst van jongens (Jamboree) gehouden, waar Baden-Powell werd uitgeroepen tot Chief-Scout van de gehele wereld. Tot 1937 bleef hij de spil van de organisatie. In 1909 kreeg hij de titel Knight en in 1929 werd hij verheven tot Baron Baden-Powell of Gilwell. Scouting, vroeger padvinderij, van oorsprong Britse jeugdorganisatie, in 1907 gesticht door Robert Baden-Powell , op militaire leest geschoeid en alleen voor jongens toegankelijk. In 1910 ontstond de soortgelijke organisatie Girl Guides voor meisjes (padvindsters). Onder leiding van Baden-Powell - en voor wat de padvindsters betreft onder die van zijn vrouw Olave - nam de beweging in korte tijd een wereldwijde vlucht. Baden-Powell werd tot zijn ideeën geïnspireerd door zijn ervaringen als bevelvoerend officier in het leger: 'Onze manschappen kwamen tot ons als knapen die juist de school verlaten hebben, goed onderlegd in lezen, schrijven en rekenen, maar zonder mannelijkheid, zelfvertrouwen en vindingrijkheid.' Als reactie op dit eenzijdig intellectualisme kwam zijn boekje Aids to scouting (1899) tot stand. Geïnspireerd door beschrijvingen van het leven van Indianen en van woudlopers in Canada, zette hij de militaire veldoefeningen om in sterk individuele spoorzoekoefeningen. Hoewel bedoeld voor het leger, werd zijn boekje op slag populair onder de Britse jeugd. Ook voor Baden-Powell zelf kwam dit als een volslagen verrassing. In 1907 organiseerde hij een kamp met jongens uit Londen op Brownsee Island, Pool Harbour, Dorset. Dit kan gezien worden als het begin van de Boy Scout-beweging. Als handleiding hiervoor schreef hij Scouting for boys (= Verkennen voor jongens, 1908), dat verwantschap vertoonde met het door E.T. Seton ontworpen handboek voor de Noord-Amerikaanse jeugdbeweging van de 'Woodcraft Indians'. Seton ging uit van een hard en primitief leven in de natuur, met als hoogtepunt een mystiek beleefd kampvuur. Dit geromantiseerde Indianenleven was vol van symbolen, ontleend aan de dierenwereld. Er was een vorm van zelfbestuur, waarbij de hulp van ouderen echter niet ontbrak. In tegenstelling tot de jeugdorganisatie van Seton kenmerkte die van Baden-Powell zich door een strak leidersbeginsel en een sterk chauvinisme en militarisme. De methodiek vormde een compromis tussen lichamelijke vorming, kamperen, handvaardigheid en een voorbereiding tot de opleiding voor veldsoldaat. De padvinderij vond vooral aanhang onder jongeren uit gegoede maatschappelijke kringen, voor wie de vrije tijd en de benodigde uitrusting geen probleem vormden. Al spoedig verbreidde de padvinderij zich buiten Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. In 1920 werd te Olympia (Londen) de eerste internationale bijeenkomst (world-jamboree) gehouden, waar Baden-Powell de titel chief-scout of the world kreeg. In 1936 was de Wereldjamboree in Bloemendaal. Bepaalde elementen uit de padvindersmethodiek, bijv. het verkennersspel, vonden ook waardering in kringen van de linkse jeugdbeweging. In de Sovjet-Unie pleitte Kroepskaja voor het invoeren van het verkennersspel bij de Komsomol. Haar grootste aanhang telde de padvinderij tussen de twee wereldoorlogen. Daarna brokkelde ze af onder invloed van de gewijzigde maatschappelijke opvattingen. In Nederland spanden reeds in 1910 hoge militairen zich in om de spontane kampeerbeweging te organiseren. In jan. 1911 kwam het zowel tot de oprichting van de bond De Jonge Verkenners als tot die van de Nederlandsche Padvinders Organisatie. In 1973 fuseerden vier scoutingorganisaties tot één landelijke vereniging met de naam Scouting Nederland. Doelstelling is een plezierige vrijetijdsbesteding te geven aan de jeugd met een bijdrage aan de persoonlijkheidsvorming. De groepsindeling is aldus: Bevers (jongens en meisjes 5-7 jaar), Welpen (jongens 7-11 jaar), Kabouters (meisjes 7- jaar), Esta's (jongens en meisjes 7-11 jaar), Scouts (jongens en meisjes 11-14 jaar), Explorers (jongens en meisjes 14-17 jaar), jongerentak (jongens en meisjes 16-21 jaar). De meeste Scoutinggroepen zijn landgroepen. Een kleiner deel van de groepen houdt zich specifiek bezig met waterwerk: zeilen, roeien, vlotten bouwen enz. Beschermheer is prins Claus. In 1995 werd de Wereldjamboree weer in Nederland gehouden. In België ontstonden de eerste padvindersgroepen in 1910, vooral uit kernen die zich hadden gevormd in de patronaten en de schoolmilieus. |
|
Baden-Powell |

|
|
|
Door Guus Alleman. Scoutinggroep: Norvicus Noordwijk |
|
Kom ook eens naar mijn stenen en mineralen kijken Ga naar: |