|
|
The
devotional picture;
A
truthful memory
| Het
bidprentje; een waargebeurde
herinnering
|
The
devotional picture;
A
truthful memory
With
the violin on my back I'm standing
for the towering building and look
up. All doors, all red, all with
spy hole. Where do I go in? With
a little tug my mother signals we
really have to go into the gray
concrete building now.
There I am,
in
front of one of the red
doors. The first violin lesson is
really approaching
now. I finally get to play from my
new book with nice songs in it.
How high am I standing? I look
down over the railing and see my
bike. I’ve never been so high on a building before.
The
door with spy hole opens and my
mother’s hand turns my head to
the door opening. What I’m
seeing now, I’ve never seen
before: a very old lady, maybe 45
years old already, with a gray
chignon, some hair loosened and a
moustache with dew. Totally
impressed, I get pushed inside by
my mother and she closes the door.
I look over my shoulder, good she
is still there. In the living room
I again don’t know what I’m
seeing: a room with carpet
on all sides. On the floor of
course, because it belongs there,
but also on the walls and even on
the ceiling. On the walls hang all
sorts of pictures of God and Maria
and other people I don’t know
the name of. Meanwhile my mother
sits down and talks to the lady.
The lady asks if I want to unpack
my violin and prepare it so we can
start. She turns completely to my
mother again. But I have no idea
what it is to prepare my violin. I
take the violin case of my back. The
violin is quite heavy. My mother
rises, says she will be back in 45
minutes and disappears through the
red door. I look at her going and
when the door is closed shut, I
look at the floor. I don’t like
strange people, and certainly not
strange ladies with a mustache
with dew in it. The lady takes the
violin case from my hands and puts
it on the floor. She opens it
and takes out the violin. ”Do
you know who God is?” After some
hesitation I nod my head.
”That’s great”, she says.
She gives the violin and shows me
how I should hold it. ”Do you
love God?” I shrug
my shoulders. ”You know”, she
continues while she picks up the
bow and tightens it, ”God loves
all children all over the world
and He would like it if they also
loved Him.” She hands me the
bow, gets a handkerchief from her
sleeve and pats her red forehead.
She turns around and walks to a
drawer of one of her very dark
brown cupboards. She returns with
loads of pictures in her hand.
”Sit down for a while; I want to
show you something.” Timidly I
sit down in a chair (still the
violin and bow in my hands without
knowing what to do with them).
”Do you want something to
drink?” Shyly I shake my head.
She brings her chair too close to
mine and pushes some of the
pictures in my hands. I lay the
violin and bow awkwardly
in my lap. ”Look, this is baby
Jesus in the arms of his
mother.” A big drop of dew
glides from her mustache, which
falls via her chin on her red
(same color as the front door)
slipper. She pulls out the
handkerchief again, goes over her
nose and mouth and puts the
handkerchief back in her sleeve.
How does that handkerchief stay in
there? ”And this is Jesus Christ
on the cross”, she shows me the
next picture. ”He died on that
cross. For you and for me.” I
see a man with blood in his face.
I’m afraid and look at my
violin, which still lies in my
lap. The lady rises,
walks to the very dark brown
cupboard again and opens another
drawer. She picks up a little book
and sits down next to me again.
She hands it over and says:
“This is God’s story.” I
look at the cover. It is beautiful
blue. The lady grabs the little
book with a tug from my hands and
leafs through some pages. Then she
gives it back to me. ”On this
page is a prayer. It’s important
you read it every day before you
go to bed. Do you do that
sometimes? I shake my head.
”Maybe you should start doing it
then, because that way you’ll
let Him know you love Him and he
appreciates that very much.”
Appre…what? I should ask my
mother that word later on. ”Do
you go to church?” Again I shake
my head. ”The church is the
house of God and you’re always
welcome. The door is always
open.” Don’t I ever have to
call first, I think to myself.
The
bell rings. Elated I look at the
door. Will it be my mother? The
lady rises
and opens the door. I already hear
my mother’s familiar voice. She
has come to get me. I’m
glad, because I’m totally
confused. I pick up my violin, put
violin and bow back in the violin
case, put the pictures and little
blue book that I got beside them,
close the case and put it on my
back again. I walk towards my
mother, who is talking to the lady
in the doorway. ”Your daughter
doesn’t speak much, is that
normal?” My mother explains
I’m very shy, but I will start
talking in my own time. She just
has to give it time. Meanwhile I
am holding my mother’s hand,
ready to leave. My mother says
goodbye and I carefully look at
the lady. She is red all over and
there are drops
everywhere. A bit strange.
On
the bike on the way home, my
mother pushes me forward on the
bridge. ”Mom,…do I have to
call first if I want to visit
God?” My mother looks at me startled.
“The lady said, I can always
visit, but I always have to call
first to see if somebody has time,
right?” My mother stops abruptly
in the middle of the bridge:
“What exactly have you learned
today?” I stop too and tell what
the lady told me and that she also
gave me pictures and a little blue
book to look at and read at home
before I go to bed. I hear my
mother mutter something like:
“Do you send your kid to violin
lesson, does she returns
reformed.”
I
don’t know exactly what my
mother meant that day, but I never
went to the lady again.
back
to top
Het
bidprentje; een waargebeurde
herinnering
Met
de viool op mijn rug sta ik voor
het torenhoge flatgebouw en kijk
omhoog. Allemaal deuren, allemaal
rood, allemaal met een kijkgat.
Bij welke moet ik naar binnen?
Mijn moeder maakt met een rukje
aan mijn hand duidelijk dat we het
grijze betonnen gebouw nu echt in
moeten.
Daar
sta ik dan, voor een van die rode
deuren. De eerste vioolles is nu
wel heel dichtbij. Ik mag
eindelijk gaan spelen uit mijn
nieuwe boek met leuke liedjes erin.
Hoe hoog sta ik eigenlijk? Ik kijk
over de reling naar beneden en zie
in de verte mijn fiets staan. Zo
hoog ben ik nog nooit geweest.
De
deur met kijkgat gaat open en mijn
moeder draait met haar hand mijn
gezicht richting deuropening. Wat
ik nu zie, heb ik nog nooit gezien:
een hele oude mevrouw, misschien
wel 45, met een grijs knotje, waar
al wat haren uit losgeraakt zijn
en een snor waar dauw in zit.
Helemaal onder de indruk, word ik
door mijn moeder zacht naar binnen
geduwd en sluit ze de deur. Ik
kijk achterom, gelukkig ze is er
nog. In de huiskamer weet ik weer
niet wat ik zie: een ruimte met
aan alle kanten vloerbedekking.
Natuurlijk op de vloer, want daar
hoort het, maar ook aan de muren
en zelfs aan het plafond. Aan de
muren hangen allemaal plaatjes van
God en Maria en andere mensen
waarvan ik de naam niet ken. Mijn
moeder is gaan zitten en praat met
de mevrouw. De mevrouw vraagt of
ik mijn viool wil uitpakken en
klaar kan maken zodat we kunnen
beginnen. Ze draait zich weer
terug naar mijn moeder. Maar ik
weet toch helemaal niet wat dat
is, mijn viool klaarmaken. Ik haal
de viool van mijn rug en houd haar
in mijn hand. De viool is best wel
zwaar. Mijn moeder staat op, zegt
dat ze over drie kwartier weer
terug is en verdwijnt door de rode
deur. Ik kijk haar na en als de
deur dichtgevallen is, kijk ik
naar de grond. Ik houd niet van
vreemde mensen en zeker niet van
vreemde mevrouwen met een snor
waar dauw inzit. De mevrouw pakt
de vioolkist uit mijn hand en legt
hem op de grond. Ze maakt de kist
open en pakt de viool eruit.
“Weet jij eigenlijk wie God
is?” Na enige aarzeling knik ik
mijn hoofd. “Goed zo”, zegt ze.
Ze geeft de viool met de
schoudersteun aan mij en laat mij
zien hoe ik de viool moet
vasthouden. “Hou jij van God?”
Ik haal mijn schouders op. “Je
moet weten”, gaat ze verder
terwijl ze mijn strijkstok pakt en
spant, ”God houdt van alle
kinderen op de hele wereld en Hij
zou het leuk vinden als zij ook
van Hem houden.” Ze geeft de
strijkstok aan mij, haalt een
zakdoek uit haar mouw en dept haar
rode voorhoofd af. Ze draait zich
om en loopt naar een la van een
van haar hele donkerbruine kasten.
Ze komt terug met een heleboel
plaatjes in haar hand. “Ga maar
even zitten, ik wil je wat laten
zien.” Ik ga aarzelend op een
stoel zitten (en heb nog steeds de
viool en strijkstok in mijn handen
zonder dat ik weet wat ik ermee
moet doen). “Wil je wat drinken?”
Ik schud verlegen mijn hoofd. Ze
schuift haar stoel te dicht aan de
mijne en duwt mij wat van die
plaatjes in mijn handen. Ik leg de
viool en strijkstok ongemakkelijk
op mijn schoot. “Kijk, dit is
kindje Jezus in de armen van zijn
moeder”. Er glijdt een dikke
druppel dauw van haar snor, die
via de kin op haar rode (dezelfde
kleur als de voordeur) slipper
valt. Ze haalt de zakdoek weer
tevoorschijn, gaat ermee langs
haar neus en mond en stopt de
zakdoek weer in haar mouw. Hoe
blijft die zakdoek daar nou zitten?
“En dit is Jezus Christus aan
het kruis”, ze laat me het
volgende plaatje zien. “Aan dat
kruis is Hij gestorven. Voor jou
en voor mij.” Ik kijk naar een
meneer met bloed op zijn hoofd. Ik
vind het eng en kijk naar mijn
viool, die nog steeds onhandig op
mijn schoot ligt. De mevrouw staat
op, loopt weer naar de hele
donkerbruine kast en opent een
andere la. Ze haalt er een boekje
uit en komt weer naast me zitten.
Ze geeft het aan mij en zegt:
“Dit is het verhaal van God.”
Ik kijk naar de kaft. Het is mooi
blauw. De mevrouw pakt het boekje
met een ruk uit mijn handen en
bladert erin. Dan geeft ze het
weer aan mij. “Op deze bladzijde
staat een gebed. Het is belangrijk
dat je dat elke dag voorleest
voordat je naar bed gaat. Doe je
dat wel eens?” Ik schud mijn
hoofd. “Misschien moet je dat
dan toch maar gaan doen, want zo
laat je weten dat je van Hem houdt
en dat apprecieert hij heel
erg." Appri..wat? Dat woord
moet ik straks aan mijn moeder
vragen. “Ga je wel eens naar de
kerk?” Ik schud weer mijn hoofd.
“De kerk is het huis van God en
je bent altijd welkom. De deur
staat altijd open.” Hoef ik dan
nooit eerst te bellen, denk ik bij
mezelf.
De
bel gaat. Opgetogen kijk ik naar
de deur. Zal dat mijn moeder zijn?
De mevrouw staat op en doet de
deur open. Ik hoor de vertrouwde
stem van mijn moeder al. Ze komt
me ophalen. Gelukkig maar, want ik
ben helemaal in de war. Ik pak
mijn viool, krijg met veel moeite
de schoudersteun eraf, leg de
viool en strijkstok netjes in de
kist, leg de plaatjes en het
blauwe boekje dat ik gekregen heb
erbij, doe de kist dicht en wurm
hem weer op mijn rug. Ik loop naar
mijn moeder, die in de deuropening
met de mevrouw staat te praten.
“Uw dochter zegt niet zoveel, is
dat normaal?” Mijn moeder legt
uit dat ik heel verlegen ben, maar
dat ik vanzelf wel een keer ga
praten. Intussen sta ik aan de
hand van mijn moeder, klaar om weg
te gaan. Mijn moeder neemt
afscheid en ik kijk de mevrouw
voorzichtig aan. Ze is helemaal
rood en overal lopen druppels. Wel
een beetje vreemd hoor.
Op
de fiets naar huis duwt mijn
moeder mij naar voren op de brug.
“Mam, … moet ik eerst bellen
als ik bij God op bezoek wil?”
Mijn moeder kijkt me verbaasd aan.
“De mevrouw zei, dat ik altijd
langs kan komen, maar ik moet toch
altijd eerst bellen om te vragen
of iemand tijd heeft?” Mijn
moeder stopt verschrikt midden op
de brug: “Wat heb jij vandaag
precies geleerd?” Ik stop ook en
vertel wat de mevrouw allemaal
gezegd heeft en ook dat ik
plaatjes en een blauw boekje heb
gekregen om thuis naar te kijken
en te lezen voordat ik naar bed ga.
Ik hoor mijn moeder iets mompelen
als: “Stuur je je kind om viool
te leren spelen, komt ze bekeerd
terug.”
Ik
begrijp niet precies wat mijn
moeder toen bedoelde, maar ik ben
nooit meer bij de mevrouw geweest.
back
to top
|