|
Verhaal 1 - Vrijdag 9 april 1999.
NIETS OM AAN TE DOEN.

's Morgens
vroeg begon het al goed - in huize zonneschijn, mevrouw had niets om aan te trekken, een kast vol met
uitpuilende kleren, maar niets om aan te doen.
Dus naar beneden en al mopperend, "al die troep in de
kast...
wat moet ik aantrekken??? ik moet naar de stad...
ik heb niets om aan te
doen".
Vol verbazing kijkt manlief haar aan, maar Fanny gaat maar
door, "al die
rommel is al jaren oud".
|
 |
Geen gehoor...ze pakt de strijkplank
met veel geweld uit de kast en begint
fanatiek te strijken om zo haar woede af te reageren.
Ze slooft zich uit op die rot was, terwijl de stoom de kamer door vliegt
en de mensen die voorbij komen, |
blijven staan gapen voor het dicht beslagen raam.
Terwijl ze niets kunnen zien, hoor je ze al denken... wat zijn
die daar
binnen aan het doen??? maar Fanny strijkt maar
door, ze krijgt er steeds
meer zin in en blijft zich uit sloven
tot heel die rot was aan kant is.
Na een paar uur achter de strijkplank gestaan te hebben
ligt de hele was
heerlijk fris en kreukvrij in de kast.
Fanny kijkt op haar horloge en ziet dat het tijd is geworden
om voor het eten te gaan zorgen.
Met volle tegenzin loopt ze naar de keuken en denkt terwijl
ze met
potten en pannen aan het smijten is......... "wat zal ik
eens klaar
maken"!!!
Het word spek...van dat harde uitgebakken spek...waar je de tanden op kapot
kunt bijten... en |
|
ze geniet ervan, als ze in
gedachten, al haar tanden al
op
het bord ziet liggen.
Want denkt zij "als ik een tand
uit mijn bek bijt, dan heb ik een
heerlijk
middagje vrij om naar de
tandarts te gaan en misschien
wel naar
de stad".
Een beetje
afgekoeld, (na het eten) |
 |
waar ze uren mee bezig
is geweest,
begint Fanny fluitend
aan de vaat, ze verbrandt
daarbij haar handen en gilt van
frustratie omdat haar dat nu
ook nog overkomt.
Al deze ellende horende, begint manlief te begrijpen dat
hier
iets aan gedaan moet worden en hij stelt dan ook voor
om naar de stad te
gaan. |
|

|
Fanny springt
van verbazing bijna uit haar
vel, maar heeft haar jas al aan
en zit al in de auto
te wachten, terwijl
manlief zijn schoenen nog moet
aantrekken.
Ze geniet met volle teugen van haar
ritje naar de stad en krijgt van die rare
kriebels in haar buik en lacht van plezier
als ze denkt aan een hele nieuwe |
garderobe die straks haar kast weer
doet uitpuilen.
Zij weet precies wat ze wil hebben, dus winkel in en winkel
uit, passen en
passen...maar niets wat ze wil hebben,
zoekt, leuk vindt of wat haar staat.
Na uren zoeken en passen, heeft ze eindelijk een leuke trui
gevonden, die haar véél en véél te groot is.
Ze kijkt in de spiegel en ziet haar man op een stoel zitten bij
de paskamers, terwijl hij nooit zijn mond open doet, kijkt hij
haar nu aan en
zegt: "die is mooi, inpakken en wegwezen".
Fanny begint luidkeels te lachen en begrijpt dat het voor
manlief over is, het hoeft voor haar ook allemaal niet meer.
Terug in huize zonneschijn, zere voeten van het slenteren
door de stad
en met pijn in haar rug, valt Fanny vermoeid
in haar stoel neer en denkt:
"morgen komt er weer 'n dag
en ik heb nog steeds.........
NIETS OM
AAN TE DOEN".
Wil je mijn andere verhalen lezen!!!
Klik dan op het boek.

|
|
|