
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Tauïsme of
taoïsme,
een van de drie
godsdiensten
van oud-China
(naast
confucianisme
en boeddhisme),
die ondanks
onderlinge
verschillen en
tijdelijke
vijandigheid
elkaar zó sterk
beïnvloed
hebben, dat zij
naar een bekend
gezegde wel een
drieheid
vormen, maar
ook als een
eenheid kunnen
worden
beschouwd.
Hoewel het
tauïsme stoelt
op dezelfde
wortel van het
oude Chinese
geloof als het
confucianisme,
verschilt het
van de sterk
ethisch getinte
wereldvisie van
Confucius door
een
mystiek-godsdienstige
interpretatie
van de
Tau-idee.
Tau of
Tao, het
grondbeginsel
van de
klassieke
Chinese
godsdienst,
betekent 'weg'
en stelt 'de
Weg' voor die
het universum
gaat en waaraan
de mens zich
moet
conformeren.
1. MYSTIEK
TAUÏSME
Men kan in het
tauïsme een
oudere en een
jongere fase
onderscheiden.
Het zuivere,
hooggestemde
tauïsme kan men
het best leren
kennen uit het
diepzinnige en
duistere werkje
Tau-te-tjing,
dat aan Lau-tse
wordt
toegeschreven,
en uit de
geschriften van
de wijsgeer
Tsjwang-tse
(eind 4de eeuw
v.C.). De
tauïstische
wereldkijk is
dynamisch. De
aanhanger van
deze godsdienst
moet zich
instellen op de
wisseling in
het heelal van
het yin en
yang, twee
hoofdcategorieën
van de
klassieke
Chinese
godsdienst.
Yang, het
hemelse,
lichte, warme,
mannelijke,
actieve
element, en
yin, het
aardse,
donkere, koude,
vrouwelijk,
passieve
element,
domineren
beurtelings. In
dit proces
openbaart zich
Tau (de Weg),
die bestendig
onbestendig is.
Het Tau gaat
alle
beschrijving te
boven. Hoewel
het
onzichtbaar,
onhoorbaar,
zonder
gestalte,
zonder begin of
einde, niet
gebonden aan
ruimte of tijd
is, werkt het
onverpoosd en
doet het alles
door 'woe-wei'
(=
daadloosheid).
'De Weg is
bestendig
daadloos en
toch is er
niets dat niet
gedaan wordt.'
Enkeling en
gemeenschap
moeten dit
voorbeeld
volgen. De
individu moet
door
lijdelijkheid
en ascese de
'te' =
deugd, dwz. de
ware
levenskracht,
verwerven. De
consequentie
van het
beginsel
'woe-wei' voor
het
staatsbeleid is
het zich
onthouden van
bestuurshandelingen.
Het volk dient
te verkeren in
een staat van
niet-culturele
onwetendheid.
Het
Tau-te-tjing
wordt
gekenmerkt door
een serene
mystiek.
2. VOLKS
TAUÏSME
Het latere
tauïsme van de
brede
volksmassa's
zakte sterk in
peil en
ontwikkelde
zich tot een
ingenieus
systeem van
gebruikmaking
van kosmische
en magische
krachten. Door
ademgymnastiek,
seksuele
hygiëne en het
zoeken van
geneeskrachtige
kruiden poogden
tauïstische
heiligen hun
vitaliteit te
verhogen en
levitatie (het
vrij zweven op
de wind) te
verkrijgen.
Daarbij werd
het
Ji-tjing,
een oud
orakelboek,
geraadpleegd.
Typerend voor
deze
denkrichting is
o.a. de zgn.
fengsjwei, een
pseudo-wetenschap,
waardoor men
de, kosmisch
gezien, meest
geschikte
plaats voor
bouwwerken,
vooral graven,
bepaalde.
3.
GODSDIENSTIGE
ORGANISATIE
Onder de
Han-dynastie
(2de eeuw n.C.)
ontwikkelde het
tauïsme zich
tot een
godsdienstige
organisatie met
een
priesterhiërarchie
en een
monnikenstand
en werd
geregeerd door
een 'paus', die
resideerde bij
het
Draak-Tijgergebergte.
In deze
organisatievorm
is invloed van
het boeddhisme
speurbaar. Dit
tauïsme wist
een plaats te
geven aan de
oude
volksgoden,
omkranste het
leven met
offers en
feesten, opende
het uitzicht op
een bestaan na
de dood en
tolereerde vele
bijgelovige en
magische
praktijken. Ook
latere keizers
hebben dit
tauïsme
geprotegeerd,
terwijl moderne
regeringen het
als grof
bijgeloof
hebben
bestreden. Op
Taiwan toont
het tauïsme
zich nog steeds
levenskrachtig.
4. INVLOED
Het tauïsme als
filosofie heeft
in China
bijgedragen tot
allerlei
voorwetenschappelijke
en
vroeg-wetenschappelijke
beschouwingen
en studies over
de natuur,
inclusief
astrologie en
alchemie
waaruit vele
praktijken, als
geomantie,
numerologie,
gebruik van
geneeskrachtige
mineralen en
kruiden, en
macrobiotiek
zijn
voortgekomen.
Ook de vele
praktische
technische
uitvindingen en
toepassingen,
o.a. buskruit,
kompas,
seismograaf,
waarin China
West-Europa
soms eeuwen
vooruit was,
zijn voor een
deel aan het
tauïsme te
danken. De
Engelse
biochemicus en
sinoloog J.
Needham ziet
verwantschap
tussen deze
Chinese
filosofie en
die van A.N.
Whitehead. Zie
voorts Chinese
cultuur§ 1,
godsdienst en
wijsbegeerte.
VERT: Kwee Swan-Liat, Philosophes taoïstes; Lao Tseu, Tchouang-Tseu, Lie-Tseu (1980, m. inl. en bibliogr. d. P. Amiéville, Etiemble en M. Kaltenmark).
© Winkler Prins / Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht