soefisme,
benaming voor verschillende mystieke stromingen in de islam
(niet te verwarren met de moderne soefibeweging),
afgeleid van het woord soef (Arab., = wol), naar de wollen
pijen die de vroegste mystici (soefi's) droegen.
1. LEER
Vanaf het ontstaan van de islam waren er individuen die door persoonlijke
vroomheid, meditatie, ascese en het veelvuldig gedenken van God
(dzikr) een diepere godsdienstige beleving trachtten te
bereiken. Centraal stond hierbij de idee van de liefde voor God,
bezongen in de mystieke poëzie. Er ontstonden verschillende
stromingen die hun eigen methoden hadden om de liefde voor God
te uiten: bijv. door intens godsvertrouwen, door het voortdurend
lofprijzen van God, door ascese en intensieve godsdienstoefeningen
zoals vasten en bidden. Het doel van deze mystieke oefeningen
werd beschreven als het opgaan in Hem, met verlies van eigen identiteit
(fana'). De mysticus al-Halladj (gest. 922) drukte deze
ervaring uit met de volgende versregel: 'Ik zag mijn Liefde met
de ogen van mijn hart/En Hij zei: 'Wie ben je?' Ik zei: 'Jij!''
De eenwording met God en de daarmee samenhangende extase werden
vaak beschreven in termen van dronkenschap en roes.
2. ONTWIKKELING
De Koran biedt slechts weinig aanknopingspunten voor mystieke
beschouwing, maar naarmate de islam zich uitbreidde naar oost
en west, groeide in islamitische kringen de invloed van de Indische
en christelijke mystiek. In de 10de en 11de eeuw schreven mystici
als al-Kalabadzi (gest. 990), al-Koesjairi (gest. 1074), al-Hoedjwiri
(gest. 1071) de eerste handleidingen voor het soefisme. De opgave
van de mysticus werd voorgesteld als het volgen van een pad dat
langs verschillende halteplaatsen (makam) tot eenwording
met God leidt.
Spirituele oefeningen geconcentreerd rond
bepaalde deugden (bijv. inkeer en berouw, godsvertrouwen, wereldverzaking,
nederigheid, geduld) onder leiding van een gids (sjeich, moersjid,
pir) konden de mystieke reiziger op (moerid, derwisj, fakir)
van halteplaats tot halteplaats brengen. Bij elke halteplaats
behoort een dieper bewustzijn (hal) dat God de mysticus
kan verlenen. Dit wordt vaak beschreven in termen van het wegnemen
van sluiers die het zicht op de werkelijkheid belemmeren. Het
einde van de weg, het opgaan in God, gaat gepaard met een intuïtief
doorzien van de werkelijkheid. Vaak verleent God in dat geval
ook de gave wonderen te verrichten.
Bepaalde stromingen in het soefisme stelden de door mystieke ervaringen
verkregen kennis hoger dan de kennis ontleend aan de openbaring,
met het gevolg dat zij minder belang hechtten aan het naleven
van de islamitische plichtenleer. De hoofdstroom ging er echter
vanuit dat het volgen van de islamitische wet de basis voor mystieke
ervaring vormde. Een van de belangrijkste theoretici van dit orthodoxe
soefisme was de Perzische geleerde en mysticus Aboe hamid Mohammed
Al-Ghazali (gest. 1111).
In de 13de eeuw ontwikkelde de uit het
islamitische Spanje afkomstige Ibn al-Arabi (gest. 1240) de theorie
dat God zich door middel van zijn eigenschappen in de schepping
manifesteert en op deze wijze een is met Zijn schepping. Deze
leer, aangeduid met de term 'eenheid van het bestaande' (wahdat
al-woedjoed), gaf de mogelijkheid van eenwording en opgaan
in God een theoretisch fundament.
Vanaf de 12de eeuw werd het soefisme een massabeweging. Er ontstonden
ordes of broederschappen (tarika, weg) elk gebaseerd op
een bepaalde mystieke methode die toegeschreven wordt aan een
beroemd mysticus waaraan de orde ook zijn naam ontleent (zie ook
derwisj).
De activiteiten van deze tarika's zijn vaak geconcentreerd in
gebouwencomplexen (ribat, zawia, chanakah) waar de sjeichs,
de geïnitieerde broeders en de novicen samenleven en die
als centra fungeren voor mystieke bijeenkomsten en festiviteiten
(hadra, dzikr), waar door middel van het veelvuldige herhalen
van de namen van God, ritmische bewegingen en soms muziek en dans
een extase bereikt wordt. Deze verbreiding van het soefisme gaat
ook gepaard met heiligenverering: de stichters van de ordes en
andere vooraanstaande sjeichs, van wie overgeleverd is dat ze
wonderen verricht hebben, worden als heiligen vereerd en hun wordt
om bemiddeling bij God gevraagd.
Soefi-ordes bestaan nog steeds in vrijwel de gehele islamitische
wereld. Hoewel ze in Turkije in 1925 bij de wet verboden verklaard
zijn, worden zij daar nu weer oogluikend toegelaten.
Het soefisme is een essentieel onderdeel
van de islam. Het biedt moslims de mogelijkheid tot een meer emotionele
beleving van hun godsdienst dan de meer op de wet georiënteerde
vormen van de islam. Hoewel ook veel godsdienstgeleerden soefi's
waren, bestaat er toch een spanning tussen bepaalde praktijken
en opvattingen van het soefisme en de orthodoxe islam. Dit geldt
o.m. voor muziek en dansen tijdens soefi-bijeenkomsten, voor de
heiligenverering en de daarbij behorende rituelen en pantheïstische
opvattingen ( 'alles is God, ook de mens') die ten onrechte van
de theorie van Ibn al-Arabi afgeleid werden.
soefisme
Benaming voor verschillende mystieke stromingen in de islam (niet
te verwarren met de moderne soefibeweging),
afgeleid van het woord soef (Arab., = wol), naar de wollen
pijen die de vroegste mystici (soefi's) droegen.