
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Hindoeïsme, een
term die pas
ca. 1830 in de
Engelse
literatuur zijn
intrede deed en
globaal de
Indische
cultuur van
ongeveer de
laatste 2000
jaar aanduidt,
als
voortzetting
van de oudere
vedisch-brahmanistische
beschaving. De
hoofdstroom van
deze cultuur
vormt een
continuïteit
die zich
voortdurend
door
assimilatie en
integratie
heeft verrijkt.
1. DEFINITIE
Het hindoeïsme
is een
bijzonder
complex, uit
zeer heterogene
elementen
samengevoegd
geheel. Het
heeft
godsdienstige,
sociologische,
economische,
literair-historische
en andere
aspecten. Uit
godsdiensthistorisch
gezichtspunt is
het een
conglomeraat
van religies
die de meest
uiteenlopende
machten, goden
of hogere
wezens vereren.
Het hindoeïsme
incorporeert
principieel
alle vormen van
religiositeit
en streeft geen
eliminerende
selectie na.
Het is
'tolerant' in
die zin, dat
het aan ieder
individu zelf
overlaat hoe en
onder welke
naam het het
goddelijke
vereren wil en
dat ieder dat
geloof moet
bezitten en die
cultus
aanhangen die
het beste bij
zijn geestelijk
niveau, aanleg,
enz. past. Het
is eerder
geneigd een
afwijkende leer
of cultus als
minder
doelmatig dan
als onjuist te
beschouwen.
2. EEUWIGE
OERGROND
Volgens de
visie van de
Indiërs is er
zelfs geen
onderscheid
tussen
monotheïsme en
pantheïsme. De
eeuwige
oergrond, de
laatste oorzaak
van alle
existentie, de
laatste
realiteit, het
zichzelf
emanerende, op
zichzelf zonder
attributen en
kwaliteiten
zijnde brahman,
dat ook met
verheven
eigenschappen
als God
verschijnt, is
alles en in
alles; welke
godheid men ook
vereert, ten
slotte vereert
men het (of de)
Ene. De hindoes
zijn dan ook
noch tot
bepaalde vormen
van cultus noch
tot dogma's of
een bindende
belijdenis
verplicht; de
meningsvrijheid
gaat zo ver dat
men zelfs niet
ophoudt een
hindoe te zijn
als men in
belangrijke
opzichten van
andere hindoes
afwijkt of een
niet-Indische
godsdienst
aanneemt.
Herhaaldelijk
zijn zelfs
vreemde
gemeenschappen
als kasten in
het hindoeïsme
opgenomen.
3.
OVERGANGSVORMEN
Er zijn tal van
overgangsvormen,
bijv.
natuurgodsdiensten
aanhangende
stammen die
(bijv. door
hindoegebruiken
als
vegetarisme,
reinheidsvoorschriften
en bepaalde
cultusvormen
aan te nemen of
door hun goden
met hindoegoden
te
identificeren)
gedeeltelijk
gehindoeïseerd
zijn. Als
geheel kent het
hindoeïsme noch
een begin, noch
een stichter,
noch enige
autoriteit in
religieuze
vragen, noch
een
organisatie.
Toch laten zich
enige meer of
minder
bruikbare
criteria zij
het zonder
absolute
geldigheid en
zonder
noodzakelijkerwijze
cumulatief op
te treden
onderscheiden.
4. GROTE
GODEN
In de eerste
plaats het
geloof aan een
ongeschapen,
transcendent en
tegelijk
alomvattend
principe, dat
de enige ware
werkelijkheid
is, het
brahman,
dat zich in de
wereld
scheppend,
behoudend en
veranderend
laat gelden en
in deze drie
aspecten
verschijnt in
de grote goden
Brahma, Vishnu
en Shiva. De
eerste geniet
reeds vele
eeuwen vrijwel
geen verering.
Shiva
representeert
de kosmische
kracht van
reproductie en
vernietiging of
re-absorptie en
is tevens de
god van de
ascese, de
extatische
verrukking
(Tandava-dans)
en de
vruchtbaarheid
(de stier Nandi
is zijn dienaar
én rijdier).
Ook de linga,
als symbool van
de
vruchtbaarheid,
speelt in de
eredienst van
Shiva een zeer
voorname rol.
Met hem is nauw
verbonden zijn
gemalin Durga
(Uma of
Parvati).
Vishnu, in wie
verscheidene
godheden en
legendarische
figuren zijn
versmolten,
grijpt in in
deze wereld,
telkens als de
natuurlijke
orde verstoord
is, door middel
van zijn
avatara's (of
nederdalingen),
waarvan Krishna
en Rama veruit
de voornaamste
zijn. Typisch
voor de
eredienst van
Vishnu-Krishna
is de bhakti:
de
aanhankelijke
liefde die
uitmondt in een
absoluut
streven van
heel de
menselijke
persoonlijkheid
naar mystieke
eenwording met
de godheid. Dit
emotionele
element, dat in
sommige
richtingen zeer
zuiver gehouden
werd, is in
vele andere
gevallen met
erotische
elementen
vermengd. Met
Durga, Surya
(de Zon) en
Ganesha zijn
Shiva en Vishnu
de hoofdgoden
van de
dagelijkse
eredienst van
althans de
meerderheid van
de hindoes.
5. VEDA
Een tweede
criterium is de
evenmin
algemene
erkenning van
de absolute en
onaantastbare
autoriteit van
de (in feite
niet gekende en
sociaal en
ritueel zeer
sterk
afwijkende)
veda.
Een derde
criterium is
het in de
laatste halve
eeuw in de
praktijk
afnemende
gewicht van de
volgens
traditionele
normen als
sacrosanct
beschouwde
kaste van de
brahmanen, een
geboorteadel
met geestelijke
suprematie.
Verwerping van
de autoriteit
van veda en
brahmanen was
intussen
eeuwenlang de
voornaamste
grond waarop
boeddhisten en
jainas als
'heterodox'
werden
beschouwd, dwz.
als lieden die
zich buiten de
hindoeïstische
traditie
stelden.
Ten vierde is
daar het
(evenmin
algemene en
naar kaste,
streek, enz. in
verschillende
mate
gehuldigde)
vegetarisme
(speciaal ten
aanzien van
rundvlees),
gezien in
verband met
ahimsa en het
geloof aan de
tegenwoordigheid
Gods in al wat
leeft.
6. KARMAN
Zeer belangrijk
is, ten slotte,
het ook door de
'heterodoxen'
gedeelde geloof
in karman,
wedergeboorte
in een door het
karman bepaalde
staat en
situatie, en de
mogelijkheid
tot verlossing,
dwz.
definitieve
bevrijding van
deze noodzaak.
Dit complex van
overtuigingen,
dat ook
belangrijk
ingrijpt in de
traditioneel
hindoeïstische
denkbeelden
omtrent de
maatschappelijke
ordening (men
wordt geboren
in de kaste die
men zich door
het karman, dat
men in een
vorige
existentie
heeft
verworven,
verdient) en de
sociale
ongelijkheid
(persoonlijke
voor- en
tegenspoed
worden op
dezelfde wijze
bepaald, zodat
ongeluk als
boete beschouwd
wordt), is in
kringen van
intellectuelen
in de loop der
eeuwen zeer
uitvoerig en
diepzinnig
gefundeerd en
vaak
casuïstisch
uitgewerkt; in
niet-gebrahmaniseerde
milieus heersen
er vaak slechts
vage
denkbeelden
over.
Dit geloof is
onverbrekelijk
verbonden met
de dharma-leer,
dwz. met de
overtuiging dat
er een
wetmatige,
causaal
bepaalde en
tegelijk morele
wereldorde
bestaat, die
zich door de
werking van het
karman in het
gehele
wereldgebeuren
uit.
Daarom
verlangen
traditiebewuste
hindoes
eigenlijk
slechts van
elkaar dat zij
zich aan de
sociaal-rituele
gedragsnormen,
de dharma,
houden en
traditionele
gewoonten,
praktijken,
enz. in ere
houden.
7. PRAKTIJK
Zo is in de
praktijk
hindoeïsme het
zich aansluiten
bij en
aanpassen aan
de gebruiken,
levenswijze,
enz. van hen
die naar het
oordeel van de
gemeenschap
hindoes zijn en
zich als
zodanig
gedragen. Deze
algemene
dharma-idee kan
als de centrale
band beschouwd
worden die het
hindoeïsme
bijeenhoudt,
ondanks de zeer
uiteenlopende
cultusvormen,
sociale
instellingen,
enz. van de
afzonderlijke
gemeenschappen,
waarvan de
tradities als
hun speciale
dharma gelden.
De
instandhouding
van dit
sociaal-religieuze
systeem
waarborgt de
traditiegetrouwe
hindoe
lichamelijk,
materieel en
geestelijk
welzijn en een
goede toestand
in het
hiernamaals.
Hij die het
uiteindelijke
bereiken van de
verlossing als
ideaal met het
handhaven van
de dharma, de
zorgen voor
zijn materiële
behoeften en
het bevredigen
van geoorloofde
genoegens op
harmonische
wijze verbindt,
zal gelukkig
worden.
Wat de praktijk
van de
godsdienstige
aspecten van
het hindoeïsme
betreft, deze
is o.a.
gekenmerkt door
een (in de
vedische
godsdienst niet
aanwezige)
cultus met
tempels,
beelden en
symbolen;
huiscultus met
offeranden van
bloemen,
vruchten,
spijzen, enz.;
meditatie ter
realisering van
de eenheid met
het goddelijke,
het deelnemen
aan
bedevaarten,
processies en
godsdienstige
feesten. Als
zeer
verdienstelijk
geldt ook het
oprichten van
heiligdommen.
Neiging tot
mystieke
contemplatie en
ascetisme is
frequent. Voor
het sociale
leven zijn tot
in de moderne
tijd kenmerkend
het kastewezen,
de afhankelijke
positie van de
vrouw en de
veelal jeugdige
huwelijksleeftijd
van de meisjes.
8. FILOSOFIE
Ook het
filosofische
aspect van het
hindoeïsme is
geen
theoretische
wetenschap,
maar een
hulpmiddel met
een praktisch
doel, nl. het
vermijden van
ongeluk, het
verwerven van
innerlijke rust
en van harmonie
met de
goddelijke
macht, de
realisering van
de grote
idealen van de
zelfverheffing
en (zo
mogelijk) van
de verlossing
van de
wedergeboorte.
Al is dit
verlossingsstreven
steeds het
ideaal van een
kleine
minderheid
geweest, het
heeft door de
eeuwen heen een
ideale norm
betekend,
waarnaar het
hindoeïsme als
geheel zich
heeft gericht
en het heeft er
kleur en
perspectief aan
gegeven. Het
heeft
bijvoorbeeld
een sterk
relativerende
werking
uitgeoefend op
de waarde van
de aardse
werkelijkheid
en de ideeën
omtrent een
hiernamaals.
Het geeft de
hindoe een
toppunt van een
hiërarchie van
sociale,
religieuze,
historische en
andere waarden.
Zo is het
hindoeïsme
ondanks de
enorme
uiterlijke
bonte
verscheidenheid
toch een
eindeloos
gevarieerde
synthese en
eenheid. Steeds
weer hebben
dezelfde
fundamentele
elementen,
hoezeer ook
door absorptie
en assimilatie
verrijkt, India
ondanks alle
wisseling in
politieke en
economische
lotgevallen
voor
desintegratie
behoed.
In Nederland zijn naar schatting 80.000 hindoes, vnl. van Surinaamse herkomst. De twee belangrijkste hindoe-organisaties zijn Sanatan Dharm en Arya Samaj.