
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Het wezen van de Islam bestaat uit vrede, barmhartigheid, genade en tolerantie; dat twist, geweld en terreur diens essentie vreemd zijn; dat verder alle godsdiensten deze grondbeginselen gemeen hebben en derhalve alle strijd achterwege gelaten moet worden opdat we onze door oorlogen en twisten gekwelde aarde naar een vredige en gelukkige toekomst kunnen dragen.
Islam en Dialoog: www.xs4all.nl/~siend
Islam (Arab., = overgave, nl. aan Allah), duidt de grondhouding van de mens tegenover Allah (Arab., = de God) aan, zoals deze in de koran en in de uitspraken van de profeet Mohammed wordt aangeprezen. Zodoende is het de naam geworden van de godsdienst die zich op de koran en Mohammed baseert. Het woord moslim (muslim, moslem, muzelman) betekent 'iemand die zich overgeeft' en daardoor behoort tot de islamitische godsdienst. De termen mohammedaan en mohammedanisme kennen aan de mens Mohammed een te centrale plaats toe en worden daarom doorgaans door de moslims afgewezen.
De islam is de
jongste van de
drie
monotheïstische
godsdiensten;
hij sluit aan
bij de joodse
en christelijke
tradities en
presenteert
zichzelf als de
voltooiing van
de ene
monotheïstische
openbaring,
waarbinnen
Abraham als
vader van alle
gelovigen een
centrale plaats
inneemt.
1.
WORDINGSGESCHIEDENIS
De
wordingsgeschiedenis
van de islam is
uit
verschillende
historische
bronnen
relatief goed
bekend. Rond
het jaar 610
ervoer de toen
ongeveer
veertigjarige
Mohammed zijn
geroepen-zijn
tot profeet.
Tot het jaar
622 trad hij op
in zijn
vaderstad
Mekka, een
centrum van de
oude
polytheïstische
Arabische
godsdienst en
van de
karavaanhandel.
Hij riep op tot
geloof in de
ene God, die de
wereld heeft
geschapen en
bij het komende
oordeel de mens
zal oordelen
naar zijn daden
om hem daarna
te belonen in
het paradijs of
te straffen in
het hellevuur.
Met name reageerde Mohammed op het onrecht dat hij om zich heen zag en als wees ook aan den lijve had ervaren. Daarnaast sprak hij over Gods goedheid ten opzichte van de mens, waarop de mens met 'overgave' en rechtvaardigheid moet antwoorden. In een latere periode sprak hij ook over de vroegere profeten uit de joodse, christelijke en Arabische geschiedenis; de gebeurtenissen uit hun leven werden de tijdgenoten van Mohammed als spiegel voorgehouden. De teksten die Mohammed verkondigde als door God aan hem geopenbaard, zijn verzameld in de koran.
De prediking van Mohammed in Mekka stuitte op groot verzet en had slechts weinig succes. Toen hem in 622 de kans werd geboden naar Medina te vertrekken, verbrak hij de traditionele stambanden die hem aan Mekka bonden (hidjra) en vestigde hij zich met een zeventigtal aanhangers in zijn nieuwe woonplaats. Deze gebeurtenis wordt als begin van de islamitische jaartelling genomen.
In Medina kwam
Mohammed in
rechtstreeks
contact met de
daar wonende
joodse
bevolkingsgroepen.
Aanvankelijk
zocht hij,
vanuit zijn
geloof in de
gemeenschappelijke
traditie,
aansluiting bij
hun gebruiken.
Toen zij hem en
zijn boodschap
echter afwezen
en hem wezen op
het verschil
tussen de tekst
van de bijbel
en die van zijn
openbaringen,
concludeerde
hij dat de
joden (en de
christenen) hun
heilige boeken
hadden vervalst
en zelf hun
godsdienst
ontrouw waren
geworden.
Daarom keerde
hij zich van
hen af om meer
nadruk te gaan
leggen op het
eigen Arabische
karakter van de
islam: de
Ka'ba (het
heidense
heiligdom in
Mekka) werd het
huis van God
genoemd,
gebouwd door
Abraham (Arab.:
Ibrahim), en de
moslims spraken
sindsdien hun
rituele gebed
(salat)
uit met het
gezicht naar
deze Ka'ba.
Toen enkele
jaren later
Mekka door de
moslims was
ingenomen,
voerde Mohammed
de traditionele
riten van de
Mekkaanse
bedevaart
(hadj) uit
en maakte deze
zodoende tot
een onderdeel
van de islam.
Door de
niet-joodse
stammen in
Medina werd
Mohammed
allengs
geaccepteerd
als profeet en
als
plaatselijke
leider; van
hieruit
verbreidde de
islam zich en
toen Mohammed
in 632 stierf,
was een groot
deel van het
Arabische
schiereiland
tot de islam
overgegaan. De
gemeenschap die
Mohammed had
gesticht, werd
op
theocratische
wijze geleid,
op basis van de
concrete
richtlijnen die
de profeet in
zijn
openbaringen
had ontvangen.
2.
VERBREIDING
Na de dood van
de profeet
heeft de
verbreiding van
de islam zich
zeer snel
voortgezet. De
oorlogen tussen
Byzantijnen
(zie
Byzantijnse
Rijk) en Perzen
hadden beide
grote rijken
uitgeput en de
christenheid
was door de
scheuringen,
veroorzaakt
door de
discussies rond
de persoon van
Jezus, zozeer
innerlijk
verdeeld
geraakt, dat de
Arabische
legers weinig
moeite hadden
om de
christelijke
gebieden van
het Nabije
Oosten, Egypte
en Noord-Afrika
te veroveren.
De afkeer van
het Byzantijnse
bestuur maakte
dat de
Arabische
legers soms
zelfs als
bevrijders
werden
ingehaald.
De veroveringsoorlogen, die vooral onder de tweede en de derde kalief (opvolger van Mohammed), resp. Omar (634644) en Othman (644656), tot grote expansie leidden, waren niet uitsluitend godsdienstig van aard. Ook politieke, sociale en economische factoren speelden hierbij een rol. Wel zorgde de islam voor het noodzakelijke elan en de vereiste eensgezindheid. Een eeuw na de dood van Mohammed was het gebied van Spanje, Noord-Afrika, Egypte, het Nabije Oosten en Perzië, tot het moderne Pakistan en Afghanistan toe, vast in handen van de islamitische heersers; en het was diep in Frankrijk, bij Poitiers, dat precies een eeuw na de dood van de profeet voor het eerst een islamitisch expeditieleger werd verslagen.
Bekering tot de
islam werd niet
met geweld of
onder
bedreiging
afgedwongen; in
de veroverde
gebieden
werkten, naast
de persoonlijke
geloofsovertuiging,
ook de
economische en
andere
privileges die
moslims
genoten, eraan
mee dat steeds
meer bewoners
zich bekeerden
tot de islam.
Ook in latere
tijden zette de
verspreiding
van de islam
zich door,
zowel door
militaire
veroveringen
(India) als
door het
toenemen van de
handel (Afrika,
Indonesië).
Vanaf de 15de
eeuw werd nog
eenmaal het
hart van Europa
militair
bedreigd: het
jonge Turkse
Rijk veroverde
in 1453
Constantinopel
en breidde zich
uit tot diep in
Europa. Aan
deze dreiging
kwam begin
20ste eeuw
definitief een
eind.
Ook op het
ogenblik groeit
het aantal
moslims nog
steeds; i.o.d.
in de als
gevolg van het
uiteenvallen
van de
Sovjet-Unie
zelfstandig
geworden
Arabische
republieken kan
de islam zich
weer
uitbreiden. Ook
bijv. in de
Verenigde
Staten is onder
de zwarte
bevolking een
groeiende
populariteit
van de islam
(zie o.a. Black
Muslims).
Het totale
aantal moslims
wordt in de
jaren negentig
geschat op ruim
één miljard;
hiermee is de
islam met ruim
19% van de
wereldbevolking
na het
christendom de
tweede
wereldgodsdienst.
De meeste
moslims wonen
in een gebied
dat zich,
grotendeels ten
noorden van de
evenaar,
uitstrekt van
Marokko in het
westen tot
Indonesië in
het oosten en
waarvan de
grootste
bevolkingscentra
worden gevormd
door de
Arabische
wereld,
Turkije, de
Turkse
Centraal-Aziatische
republieken,
Iran, Pakistan,
Bangladesh en
Indonesië.
Als gevolg van
migratie zijn
er in de meeste
West-Europese
landen in de
jaren zeventig
en tachtig
grote
islamitische
gemeenschappen
ontstaan.
3. GELOOF
Het geloof
wordt
samengevat in
de oudste
geloofsbelijdenis
van de islam:
'Ik getuig, dat
er geen god is
behalve God; ik
getuig, dat
Mohammed Gods
boodschapper
is.' God is de
enige god en
binnen zijn
wezen bestaat
er ook geen
enkel
onderscheid
tussen bijv.
meer personen.
Hij is de
Schepper van de
wereld, die aan
het eind van de
geschiedenis
elke mens
persoonlijk zal
oordelen.
Tijdens de loop
van de
geschiedenis
bestuurt Hij de
wereld; niets
gebeurt er
buiten zijn wil
en zijn
beslissing om.
Voor de mens
blijft Hij
uiteindelijk
onbereikbaar,
zijn
transcendentie
is absoluut;
dit wordt
beklemtoond
door het geloof
in de engelen,
die o.a. als
tussenwezens
tussen God en
wereld
functioneren.
Zijn houding
ten opzichte
van de wereld
wordt
uiteindelijk
bepaald door
zijn goedheid
(rahma),
waardoor Hij in
zijn
voortdurende
zorg voor de
mens hem alles
geeft wat deze
nodig heeft.
Mohammed is als
Gods profeet
slechts een
mens die een
boodschap
doorgeeft. Vóór
hem zijn er
vele andere
profeten
geweest, die
allen een in
principe
gelijke
boodschap
brachten: de
oproep tot
geloof in de
ene God en tot
rechtvaardigheid
in de
menselijke
samenleving.
Sommigen onder
deze profeten
brachten een
'boek': de aan
hen
geopenbaarde
teksten werden
opgeschreven.
De
belangrijkste
boeken zijn: de
thora van Mozes
(Moesa), het
Boek der
psalmen van
David (Dawoed),
het evangelie
van Jezus (Isa)
en de koran van
Mohammed. Zo is
de God van de
islam de ene
God, die zich
ook binnen de
joodse en de
christelijke
traditie heeft
geopenbaard en
zo vormen de
huidige boeken
van joden en
christenen in
hun
oorspronkelijke
vorm een
onderdeel van
het geloofsgoed
van de islam.
Mohammed is de
laatste profeet
en zijn
boodschap is
dan ook de
afsluiting van
de gehele
monotheïstische
openbaring.
Traditioneel
wordt het
geloof ook wel
in zes punten
samengevat:
God, zijn
engelen, zijn
profeten, zijn
heilige boeken,
de laatste dag
met het
oordeel, Gods
bepaling van
alles wat de
mens overkomt.
De plichten
van de mens
tegenover God
worden wel de
vijf pijlers
of zuilen
genoemd waarop
de islam (de
overgave van de
mens aan God)
is gebouwd. Het
zijn: de
getuigenis
(sjahada)
dat er geen god
is behalve God
en dat Mohammed
Gods
boodschapper
is; het rituele
gebed
(salat) dat
de moslim
vijfmaal per
dag verricht
met het gezicht
naar Mekka en
dat bestaat uit
het verrichten
van
vastgestelde
handelingen,
zoals buigingen
en het
reciteren van
voorgeschreven
teksten; de
religieuze
belasting
(zakat),
die bestemd
wordt voor
reeds in de
koran opgesomde
doeleinden; het
vasten
(sawm)
gedurende de
ca. dertig
dagen van de
maand ramadan
van de dageraad
tot
zonsondergang;
de bedevaart
(hadj) naar
Mekka eenmaal
in het leven
voor wie
daartoe in
staat is.
Behalve deze
plichten direct
tegenover God
kent de islam
ook een ethiek
van de
intermenselijke
relaties,
waarin de
rechtvaardigheid
en de
overtuiging dat
alle gelovigen
broeders zijn,
centraal staan.
4.
THEOLOGISCH
SYSTEEM
Het theologisch
systeem van de
islam werd
aanvankelijk
geheel gebouwd
op de tekst van
de koran en op
de traditie
(hadith),
het totaal van
uitspraken van
de profeet en
verhalen over
zijn doen en
laten. In de
9de eeuw werden
de zeer vele in
omloop zijnde
tradities aan
een nauwkeurig
onderzoek
onderworpen en
degene die als
authentiek
werden erkend,
werden
verzameld in
grote canonieke
verzamelingen.
Eveneens in de
9de eeuw kwamen
de werken van
de klassieke
Griekse
filosofen in
vertaling
beschikbaar;
dit heeft de
opkomst van een
rationele
theologie sterk
bevorderd. Met
hun opkomen
voor de rechten
van het
menselijk
verstand, de
absolute
eenheid van God
en de vrijheid
en
verantwoordelijkheid
van de mens
kwamen deze
moe'tazilieten
in strijd met
diegenen die
zich slechts op
koran en
traditie
baseerden. De
theoloog
al-Asj'ari
(gest. 935)
wist de
theologische
strijd
voorlopig ten
nadele van de
moe'tazilieten
te beslechten.
Afgezien van
een
hervormingsbeweging
die rond het
begin van de
20ste eeuw
vooral in
Egypte en
Voor-Indië een
zuivering van
de islam en een
terugkeer naar
de bronnen
voorstond,
heeft er binnen
de islam geen
nieuwe vorm van
theologie
verbreiding
gevonden.
5. MYSTIEK
De mystiek
heeft sinds de
8ste eeuw haar
intrede gedaan
in de islam.
Christelijke en
hindoeïstische
invloeden
hebben daarbij
mede een rol
gespeeld. Het
beeld van een
absoluut
transcendente
God en de
nadruk op de
vervulling van
de
wetsvoorschriften,
centrale ideeën
binnen de
orthodoxe
islam, hebben
het voor de
mystici vaak
uiterst
moeilijk
gemaakt.
Ondanks
onderdrukking
en
terechtstellingen
bleven mystici
(in het
Arabisch
soefi's
genaamd, niet
te verwarren
met de moderne
Soefi-beweging)
hun overtuiging
verkondigen.
De Perzische
geleerde Aboe
Hamid Mohammed
Al-Ghazali
heeft ten
slotte een
gematigde vorm
van mysticisme
door de
orthodoxie
laten
accepteren als
onderdeel van
het theologisch
systeem en de
leer van het
geestelijk
leven. Vooral
na zijn
optreden kwamen
overal in de
islamitische
wereld
broederschappen
(tarika's)
op. De leden
van deze
meestal sterk
hiërarchisch
georganiseerde
orden worden
wel
derwisjen
genoemd. Soms
leefden zij
samen in een
gemeenschappelijk
gebouw, meestal
kwamen de leden
(gehuwd en met
normale
maatschappelijke
werkzaamheden)
slechts voor
plechtigheden
of retraites
bijeen. Binnen
deze
broederschappen,
die vaak tot
massabewegingen
werden, kwamen
de emotionele
elementen van
de
godsdienstbeleving,
die binnen de
islam weinig
plaats krijgen,
volledig tot
hun recht.
Ondanks de
teruggang van
hun invloed en
het verbod van
bijeenkomsten
in Turkije zijn
de
broederschappen
nog steeds
actief.
6.
LEIDERSCHAP
Het leiderschap
binnen de
islamitische
gemeenschap
heeft
uiteindelijk
geleid tot
splitsingen en
sektevorming.
De meerderheid
van de moslims,
de soennieten,
gaat uit van
een
'democratisch'
leiderschap:
elke gelovige
is gelijk
tegenover God,
priesterschap
of
middelaarsfuncties
tussen God en
mens zijn
onverenigbaar
met de islam,
de oelama
zijn dan ook
niet meer dan
deskundigen op
het gebied van
het islamitisch
recht. Voor de
sji'ieten
berust er een
speciaal
charisma binnen
de familie van
de profeet
Mohammed; uit
zijn familie
zijn de
onfeilbare
imams
voortgekomen,
die met een
door God
gegeven
autoritair
leiderschap de
gemeenschap
behoren te
besturen.
7.
SEKTEVORMING
Na de dood van
de derde
kalief, Othman
(656), begint
de sektevorming
wanneer Ali,
neef en
schoonzoon van
Mohammed, tot
kalief wordt
gekozen, een
beslissing die
aangevochten
wordt door
Moe'awija uit
het Mekkaanse
geslacht van de
Omajjaden. De
sji'ieten
(aanhangers van
Ali) splitsen
zich af en van
hen splitsen
zich weer de
charidjieten
af.
In de loop van
de geschiedenis
zijn de
sji'ieten in
een aantal
sekten verdeeld
geraakt,
waarvan de
isma'ilieten
een eigen
kalifaat in
Caïro hebben
gevestigd (de
Fatimidendynastie
van 969 tot
1170) en
revolutionaire
bewegingen als
karmaten en
assassijnen
hebben
voortgebracht.
De imamieten
vormen de grote
meerderheid van
de bevolking
van Iran en
sinds de 16de
eeuw tot nu toe
is deze tak van
de islam daar
de
staatsgodsdienst.
Op het moment
is ca. 90% van
de moslims
soenniet, de
resterende 10%
sji'iet op een
kleine
groepering
charidjieten in
Oman en
Noord-Afrika
na. Sji'ieten
vindt men
vooral in Iran,
Irak (ca. 55%
van de
bevolking),
Syrië, Libanon,
Palestina en
Jemen. Van de
sji'ieten
hebben zich in
de 11de eeuw de
Druzen (Syrië,
Libanon en
Palestina)
afgescheiden.
In het midden
van de 19de
eeuw ontstond
in Perzië het
babisme als een
sji'itische
vernieuwingsbeweging,
waaruit
uiteindelijk de
bahá í-religie
is
voortgekomen.
Binnen de
gemeenschap van
de soennieten
hebben zich
geen
afsplitsingen
voorgedaan,
hoewel ook daar
puriteinse en
modernistische
stromingen
bestaan.
De bekendste
puriteinse
beweging is die
van de
wahhabieten,
ontstaan in de
18de eeuw in
Centraal-Arabië
en nu nog de
officiële leer
van
Saoedie-Arabië.
De in de 19de
eeuw in
Voor-Indië
ontstane
Ahmadiyya-beweging,
die een sterk
missionair
karakter heeft,
wordt door
officiële
islamitische
instanties met
argwaan
bekeken.
8. HET
ISLAMITISCH
REVEIL
In de 19de eeuw
beleefde de
islam het
dieptepunt van
zijn
geschiedenis.
De koloniale
machten
veroverden
grote delen van
de islamitische
wereld, andere
landen moesten
inmenging in
hun
binnenlandse
politiek
toestaan. Naast
een beweging
die aanpassing
aan westerse
patronen
voorstond en
een westerse
vorm van
nationalisme
overnam,
ontstond er ook
een
panislamitisch
ideaal: door
zuivering van
de islam,
terugkeer naar
de traditionele
waarden en
eenheid van
alle moslims
zou het
glansrijke
verleden van de
islamitische
wereld kunnen
herleven. Na
lange tijd op
de achtergrond
te zijn
gebleven, is
dit ideaal
vanaf de jaren
zeventig
duidelijk op de
voorgrond
getreden. De
Iraanse
revolutie van
1979 is daarvan
zowel een
symptoom als
een verdere
stimulerende
factor (zie ook
Iran).
Het begin van
de 15de eeuw
van de
islamitische
jaartelling (21
nov. 1979 begon
het jaar 1400)
is voor vele
moslims het
begin van een
periode van een
religieus en
ethisch reveil
en van
groeiende
invloed van de
islam op de
maatschappij en
de staat. De
jaren tachtig
en negentig
hebben een
duidelijke
opleving van de
politieke islam
te zien
gegeven, die in
sommige landen
(Pakistan,
Soedan,
Afghanistan)
heeft geleid
tot
islamitische
regimes die de
islamitische
wet weer hebben
ingevoerd. In
andere landen
(bijv. Egypte,
Turkije,
Tunesië,
Indonesië) is
de islamitische
oppositie
steeds meer een
factor van
betekenis
geworden.
Radicale
islamitische
splintergroepen
(fundamentalisten)
hebben bij
verschillende
gelegenheden
gepoogd met
geweld de macht
te grijpen of
proberen door
bloedige
terreuracties
zoals het FIS,
en zijn
gewapende arm
de GIA, in
Algerije de
politiek te
beïnvloeden.
De eenheid en
saamhorigheid
van de
islamitische
wereld vindt
geen
uitdrukking
meer in een
internationaal
leiderschap.
Wel is in 1971
de Islamitische
Conferentie
opgericht, een
samenwerkingsverband
van 38
islamitische
staten, o.a.
resulterend in
de jaarlijkse
bijeenkomst van
de ministers
van
Buitenlandse
Zaken. Een
sterke bindende
factor is
daarnaast de
bedevaart naar
Mekka, die
jaarlijks door
meer dan een
miljoen
gelovigen uit
de gehele
wereld
gezamenlijk
wordt verricht.
9. NEDERLAND
Na 1945 werd,
missionair
gezien,
aanvankelijk
pionierswerk
verricht door
de uit Pakistan
gekomen twee
takken van de
heterodoxe
Ahmadiyya-beweging,
waarvan één tak
sedert 1956
over een eigen
moskee beschikt
in Den Haag.
Enkele
honderden
Molukse
moslims,
afkomstig uit
het voormalige
KNIL
(Koninklijk
Nederlandsch-Indisch
Leger), kregen
in 1955 in een
woonoord in
Balk (Fr.) een
houten moskee.
Na de sluiting
van het kamp
(1969)
vestigden ze
zich in
Ridderkerk en
Waalwijk; in
Ridderkerk werd
op 1 okt. 1984
een door het
ministerie van
WVC (Welzijn,
Volksgezondheid
en Cultuur)
bekostigde
nieuwe moskee
geopend.
Toen de
Nederlandse
overheid na
1970 aan
gezinsleden van
buitenlandse
werknemers uit
o.m. Marokko en
Turkije
toestemming gaf
om over te
komen, groeide
het aantal
moslims sterk.
In 2004
bevonden zich
ca. 900.000
moslims in
Nederland. Na
de
rooms-katholieken,
hervormden en
gereformeerden
vormden de
moslims in
Nederland in
omvang het
vierde
kerkgenootschap.
De moslims zijn
in meerderheid
afkomstig uit
Turkije,
Marokko en
Suriname
(Hindoestanen).
De laatste
jaren zijn er
ook
moslimasielzoekers
gekomen uit
bijv. Irak en
Somalië. De
overgrote
meerderheid
zijn
soennieten.
Alleen uit Irak
zijn ook
sji'ieten
afkomstig. Ook
groeit het
aantal
gebedshuizen.
In Zaandam
staat de
Sultan-Ahmetmoskee,
gebouwd in
1994, die
ruimte biedt
aan 2000
personen en
hiermee de
grootste moskee
is van de
Turks-islamitische
gemeenschap in
West-Europa.
De
institutionalisering
van de
moslimgemeenschap
verloopt
meestal volgens
indelingen naar
etnische en
religieuze
groeperingen,
waarvan de
oorsprong in de
landen van
herkomst ligt.
Men beschikt
over eigen
bureaus,
voorgangers en
publicaties. De
grootste
overkoepelende
instantie is de
NMR
(Nederlandse
Moslim Raad),
opgericht in
1992. Deze raad
is een
bundeling van
elf
islamitische
organisaties en
heeft zendtijd
bij de NMO
(Nederlandse
Moslim Omroep).
10. BELGIË
België telt ca.
300.000
moslims. De
meeste van hen
zijn van
Marokkaanse
oorsprong, een
ander groot
deel zijn
Turken. De
moslims in
België zijn dan
ook bijna allen
soenniet.
Sedert de
erkenning van
de 'besturen
belast met het
beheer van de
temporaliën van
de islamitische
eredienst' bij
de Wet van 19
juli 1974 gold
het Islamitisch
en Cultureel
Centrum (ICC),
geleid door de
imam van de
Grote Moskee te
Brussel, als de
officiële
islamitische
gesprekspartner
van de
regering. Ook
zou er een Hoge
Raad voor de
Islam worden
opgericht,
waarvoor
verkiezingen
zouden worden
gehouden. Na
een conflict
tussen het ICC
en de Belgische
overheid stelde
deze laatste in
1990 een Raad
van Wijzen aan,
waarin alle
belangrijke
islamitische
stromingen
waren
vertegenwoordigd.
Deze Raad heeft
begin jaren '90
gefunctioneerd,
maar is
inmiddels
opgeheven.
Thans
functioneert de
Hoge Raad voor
de Islam,
waarvoor
inmiddels
inderdaad
verkiezingen
zijn gehouden.