|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Confucius, de
gelatiniseerde
versie van
K'oeng Foe-tse
(Meester
K'oeng),
eigenlijke
namen K'oeng
Tsj'ioe en
Tsjoeng-ni
(551479 v.C.),
de oudst
bekende en
meest vereerde
wijsgeer van
China. Zijn
levensverhaal
is later in
vele legenden
verweven. Een
vrij
betrouwbare
bron van
biografische
gegevens vormen
de Loen ju
(Gesprekken),
kort na zijn
dood door zijn
leerlingen
opgetekend.
1.
LEVENSLOOP
Confucius
stamde uit een
oude maar
verarmde
adellijke
familie in de
staat Loe, in
het
tegenwoordige
Sjan-toeng.
Zijn vader
stierf toen
Confucius nog
maar twee jaar
oud was. Onder
bescherming van
een
invloedrijke
patroon kon hij
zich bekwamen
in
boogschieten,
wagenmennen,
muziek,
schrijven,
'ceremoniën' en
'geschiedenis'
de 'zes
kunsten' die
hij zelf later
voor de
opvoeding van
zijn leerlingen
onmisbaar
achtte en
zich in
verschillende
ambten aan het
hof van Loe,
o.a. als
administrateur,
belastinginner,
'ceremoniemeester',
magistraat,
minister,
verdienstelijk
maken. De dood
van zijn
patroon maakte
waarschijnlijk
een eind aan
deze carrière.
In 492483
zwierf hij,
vergezeld van
een schare
aanhangers, van
staat tot staat
zijn diensten
aanbiedend en
proberend
gehoor te
vinden voor
zijn
hervormingsideeën,
echter zonder
succes.
Teleurgesteld,
maar gerijpt
door zijn
ervaringen,
keerde hij in
Loe terug,
stichtte er een
school en droeg
zijn leringen
over aan een
kring van
toegewijde
discipelen.
Hieruit groeide
later de
joe-tjiau
(Confuciaanse
school, zie
confucianisme),
die een
beslissende rol
zou spelen in
de praktisch
wijsgerige
oplossing van
China's
politiek-sociale
problemen.
2. LEER
De grote
betekenis van
Confucius zelf
lag vooral
daarin dat hij
de li
van
uiterlijke
ritus tot
innerlijke
cultus
transformeerde.
De politieke
anarchie van
Confucius' tijd
was vooral het
gevolg van een
ontbinding van
de
sacraal-feodale
gezagsverhoudingen.
Om de orde te
herstellen, was
het nodig de
bindende
krachten tussen
de mensen te
versterken.
Riten en
ceremoniën
fungeerden als
regulerende en
bindende
principes van
het menselijke
handelen in de
gemeenschap,
maar waren niet
toereikend
wanneer de
mensen het
normatieve
besef van 'hoe
het allemaal
hoort' hadden
verloren.
Confucius
aanvaardde
traditie en
overlevering
als bron van
een praktisch
weten-en-kunnen
omtrent de
normen van
sociaal gedrag
die in
regulerende
riten en
ceremoniën
uitdrukking
vonden. In de
mens zelf moet
het primitieve
weten van 'hoe
het allemaal
hoort' echter
bewust worden
gecultiveerd
tot een ethisch
besef van
medemenselijkheid
(jen) en
wellevendheid
(li), naar
het voorbeeld
van de 'oude
koningen en
wijzen',
waardoor de
geïntegreerde
persoon door de
uitstraling van
zijn 'deugd' de
gemeenschap kan
ordenen en
harmoniseren.
De sociale
elite moet haar
geprivilegieerde
positie in de
gemeenschap
legitimeren en
waarmaken door
het cultiveren
van een
innerlijk
adeldom, door
het in zich
verwezenlijken
van het ideaal
van de
tsjuun-tse
(nobele mens,
vorstelijke
persoon).
Onderwijs en
opvoeding,
scholing en
discipline
krijgen
beslissende
betekenis.
confucianisme, samenvattende benaming van de wijsgerige stroming die in de 5de eeuw v.C. door Confucius en zijn school is ingeluid, en het ethisch-sociaal-educatieve systeem dat daaruit is ontwikkeld door synthese met andere wijsgerige opvattingen en van de 2de eeuw v.C. tot het begin van de 20ste eeuw n.C. het denken en handelen van de sociale elite in China heeft beheerst.
De
volgende fasen
vallen te
onderscheiden:
1.
Confucius
(551479)
voltrok door
zijn ideeën en
leringen de
beslissende
overgang van
een archaïsche
samenleving,
gereguleerd
door sacrale
riten en
feodale
gezagsverhoudingen,
naar een nieuwe
maatschappij
geordend door
ideële
bindingen
tussen mensen
op grond van
een
praktisch-wijsgerige
ethiek. Van de
menselijke
verhoudingen
binnen de
gemeenschap
noemde hij er
met name vijf:
die tussen
vorst en
onderdaan,
tussen vader en
zoon, tussen
man en vrouw,
tussen oudere
broer en
jongere broer
en tussen
vriend en
vriend.
Orde in staat
en gezin zijn
gewaarborgd
wanneer 'de
vorst
(waarachtig)
vorst, de
minister
minister, de
vader vader, de
zoon zoon' is.
Deze uiterlijke
verhoudingen
moeten berusten
op innerlijke
deugden, zoals
'oprechtheid'
(tsjoeng),
'altruïsme'
(sjoe),
'medemenselijkheid'
(jen),
'rechtvaardigheid'
(ji),
'wellevendheid'
(li),
'onderscheidingsvermogen'
(tsje),
'trouw'
(sin). Deze
en andere
uitspraken zijn
vastgelegd in
de Loen-ju,
het
'wijsgerig
testament' van
de Meester.
2. In de
competitieve
dialoog van de
'Honderd
scholen'
(5de3de eeuw
v.C.) zijn de
grondgedachten
van Confucius
verdedigd en
systematisch
uitgewerkt door
o.a. zijn
kleinzoon en
discipel Tse-se
(5de eeuw),
Meng Tse
(372289) en
Sjuun-tse
(298238).
Ofschoon deze
dialoog zich
toespitste op
praktische
problemen van
staatsinrichting,
sociale ethiek
en opvoeding,
werden toch ook
juist de
begripsmatige
onderscheidingen
verscherpt en
de wijsgerige
grondslagen
verder
uitgebouwd. De
centrale
thema's, die in
alle latere
commentaren
zouden
terugkeren,
werden hier aan
de orde
gesteld.
3. Onder
de Han voltrok
zich in de 2de
eeuw v.C. de
eerste grote
synthese,
waarbij vooral
de
wijsgeer-staatsman
Toeng
Tsjoeng-sjoe
(179104) een
belangrijke rol
speelde. Deze
'confuciaanse
synthese' werd
verheven tot
staatsleer en
tot praktische
ideologie van
de heersende
elite. Behalve
de uitspraken
van de Meester
en de
belangrijkste
commentaren
werden de 'oude
boeken',
tekstverzamelingen
waaruit
Confucius zelf
lering en
inspiratie zou
hebben geput
(Sjoe-tjing,
Sje-tjing,
I-tjing,
Li-tsji,
Tsj'oen-tsj'ioe),
gecanoniseerd.
Kennis van deze
'Vijf
klassieken' en
hun
'confuciaanse'
interpretatie
werd als eis
gesteld voor
het vervullen
van
staatsambten.
Bij de pogingen
om de juiste
tekst vast te
stellen traden
er echter
controversiële
problemen op,
die in de 1ste
eeuw n.C. tot
meningsverschillen
leidden.
4. Na de
val van de
Han-dynastie
werd het
confucianisme
in de 3de7de
eeuw n.C.
overvleugeld
door het
boeddhisme en
het religieuze
tauïsme. Onder
de T'ang
hervond het
geleidelijk
zijn
dominerende
positie als
ideologie van
de
ambtenarenelite.
De centrale
thema's van de
confuciaanse
ethiek (o.a.
het probleem
van de
menselijke
natuur) werden
opnieuw
geformuleerd
o.a. door
Han-ju
(768824).
5. Een
hernieuwde
bevestiging van
de confuciaanse
suprematie werd
bereikt,
doordat zich
onder de Soeng
in de 12de13de
eeuw de tweede
grote synthese
voltrok door
assimilatie van
boeddhistische
en tauïstische
metafysische
concepties en
psychologische
inzichten. De
grondleggers
van dit
neoconfucianisme
waren Tsjow
Toen-i
(10171075), de
gebroeders
Tsj'eng I
(10331108) en
Tsj'eng Hao
(10321085) en
Tsjoe Si
(11301200).
Vooral de
laatste heeft
aan de
systematisering
veel
bijgedragen.
Zijn
interpretatie
werd ook onder
de Ming en
Tj'ing als
orthodox
aanvaard. Naast
de Vijf
klassieken
kregen door
zijn toedoen de
'Vier boeken'
(Loen-ju,
Ta-sjwé,
Tsjoeng-joeng
en Mengtse) een
centrale
plaats.
6. Op de
formele en
structurele
consolidatie
volgde een
innerlijke
verstarring.
Commentariëring
en exegese
werden de
voornaamste
bezigheden van
de confuciaanse
wijsgeer. Voor
een latere
beoordeling
zijn die
bijdragen van
belang die óf
een inhoudelijk
andere richting
probeerden in
te slaan, zoals
Wang Jang-ming
(14721529),
die een
idealistisch-intuïtionistische
filosofie
ontwikkelde, óf
op
tekstkritische
gronden andere
inzichten
verkondigden,
zoals Tai
Toeng-juan
(17231777). In
een tijd van
grote politieke
crisis
probeerde K'ang
Jou-wei
(18581927)
door een nog
verder reikende
revisie de
confuciaanse
traditie te
redden.
7. De
politieke en
sociaal-economische
veranderingen
in de 20ste
eeuw leken aan
het
confucianisme
de
maatschappelijke
basis ontnomen
te hebben die
het in de
vorige eeuwen
genoot. Midden
jaren negentig
werd in de
Volksrepubliek
China van
overheidswege
de naleving van
enkele
confucianistische
deugden weer
gepropageerd.
© Winkler Prins / Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht