BAHA'I

 BOEDDHISME

CHRISTENDOM

CONFUCIANISME

ECIW

HINDOEÏSME

HUMANISME 

ISLAM

 JAINISME

JODENDOM

MAZDEÏSME

 SIKHS

 SJINTO

TAOÏSME

 

Confucius, de gelatiniseerde versie van K'oeng Foe-tse (Meester K'oeng), eigenlijke namen K'oeng Tsj'ioe en Tsjoeng-ni (551­479 v.C.), de oudst bekende en meest vereerde wijsgeer van China. Zijn levensverhaal is later in vele legenden verweven. Een vrij betrouwbare bron van biografische gegevens vormen de Loen ju (Gesprekken), kort na zijn dood door zijn leerlingen opgetekend.

1. LEVENSLOOP
Confucius stamde uit een oude maar verarmde adellijke familie in de staat Loe, in het tegenwoordige Sjan-toeng. Zijn vader stierf toen Confucius nog maar twee jaar oud was. Onder bescherming van een invloedrijke patroon kon hij zich bekwamen in boogschieten, wagenmennen, muziek, schrijven, 'ceremoniën' en 'geschiedenis' ­ de 'zes kunsten' die hij zelf later voor de opvoeding van zijn leerlingen onmisbaar achtte ­ en zich in verschillende ambten aan het hof van Loe, o.a. als administrateur, belastinginner, 'ceremoniemeester', magistraat, minister, verdienstelijk maken. De dood van zijn patroon maakte waarschijnlijk een eind aan deze carrière. In 492­483 zwierf hij, vergezeld van een schare aanhangers, van staat tot staat zijn diensten aanbiedend en proberend gehoor te vinden voor zijn hervormingsideeën, echter zonder succes. Teleurgesteld, maar gerijpt door zijn ervaringen, keerde hij in Loe terug, stichtte er een school en droeg zijn leringen over aan een kring van toegewijde discipelen. Hieruit groeide later de joe-tjiau (Confuciaanse school, zie confucianisme), die een beslissende rol zou spelen in de praktisch wijsgerige oplossing van China's politiek-sociale problemen.

2. LEER
De grote betekenis van Confucius zelf lag vooral daarin dat hij de li van uiterlijke ritus tot innerlijke cultus transformeerde. De politieke anarchie van Confucius' tijd was vooral het gevolg van een ontbinding van de sacraal-feodale gezagsverhoudingen. Om de orde te herstellen, was het nodig de bindende krachten tussen de mensen te versterken. Riten en ceremoniën fungeerden als regulerende en bindende principes van het menselijke handelen in de gemeenschap, maar waren niet toereikend wanneer de mensen het normatieve besef van 'hoe het allemaal hoort' hadden verloren. Confucius aanvaardde traditie en overlevering als bron van een praktisch weten-en-kunnen omtrent de normen van sociaal gedrag die in regulerende riten en ceremoniën uitdrukking vonden. In de mens zelf moet het primitieve weten van 'hoe het allemaal hoort' echter bewust worden gecultiveerd tot een ethisch besef van medemenselijkheid (jen) en wellevendheid (li), naar het voorbeeld van de 'oude koningen en wijzen', waardoor de geïntegreerde persoon door de uitstraling van zijn 'deugd' de gemeenschap kan ordenen en harmoniseren. De sociale elite moet haar geprivilegieerde positie in de gemeenschap legitimeren en waarmaken door het cultiveren van een innerlijk adeldom, door het in zich verwezenlijken van het ideaal van de tsjuun-tse (nobele mens, vorstelijke persoon). Onderwijs en opvoeding, scholing en discipline krijgen beslissende betekenis.

confucianisme, samenvattende benaming van de wijsgerige stroming die in de 5de eeuw v.C. door Confucius en zijn school is ingeluid, en het ethisch-sociaal-educatieve systeem dat daaruit is ontwikkeld door synthese met andere wijsgerige opvattingen en van de 2de eeuw v.C. tot het begin van de 20ste eeuw n.C. het denken en handelen van de sociale elite in China heeft beheerst.

De volgende fasen vallen te onderscheiden:
1. Confucius (551­479) voltrok door zijn ideeën en leringen de beslissende overgang van een archaïsche samenleving, gereguleerd door sacrale riten en feodale gezagsverhoudingen, naar een nieuwe maatschappij geordend door ideële bindingen tussen mensen op grond van een praktisch-wijsgerige ethiek. Van de menselijke verhoudingen binnen de gemeenschap noemde hij er met name vijf: die tussen vorst en onderdaan, tussen vader en zoon, tussen man en vrouw, tussen oudere broer en jongere broer en tussen vriend en vriend.
Orde in staat en gezin zijn gewaarborgd wanneer 'de vorst (waarachtig) vorst, de minister minister, de vader vader, de zoon zoon' is. Deze uiterlijke verhoudingen moeten berusten op innerlijke deugden, zoals 'oprechtheid' (tsjoeng), 'altruïsme' (sjoe), 'medemenselijkheid' (jen), 'rechtvaardigheid' (ji), 'wellevendheid' (li), 'onderscheidingsvermogen' (tsje), 'trouw' (sin). Deze en andere uitspraken zijn vastgelegd in de Loen-ju, het 'wijsgerig testament' van de Meester.

2. In de competitieve dialoog van de 'Honderd scholen' (5de­3de eeuw v.C.) zijn de grondgedachten van Confucius verdedigd en systematisch uitgewerkt door o.a. zijn kleinzoon en discipel Tse-se (5de eeuw), Meng Tse (372­289) en Sjuun-tse (298­238). Ofschoon deze dialoog zich toespitste op praktische problemen van staatsinrichting, sociale ethiek en opvoeding, werden toch ook juist de begripsmatige onderscheidingen verscherpt en de wijsgerige grondslagen verder uitgebouwd. De centrale thema's, die in alle latere commentaren zouden terugkeren, werden hier aan de orde gesteld.

3. Onder de Han voltrok zich in de 2de eeuw v.C. de eerste grote synthese, waarbij vooral de wijsgeer-staatsman Toeng Tsjoeng-sjoe (179­104) een belangrijke rol speelde. Deze 'confuciaanse synthese' werd verheven tot staatsleer en tot praktische ideologie van de heersende elite. Behalve de uitspraken van de Meester en de belangrijkste commentaren werden de 'oude boeken', tekstverzamelingen waaruit Confucius zelf lering en inspiratie zou hebben geput (Sjoe-tjing, Sje-tjing, I-tjing, Li-tsji, Tsj'oen-tsj'ioe), gecanoniseerd. Kennis van deze 'Vijf klassieken' en hun 'confuciaanse' interpretatie werd als eis gesteld voor het vervullen van staatsambten. Bij de pogingen om de juiste tekst vast te stellen traden er echter controversiële problemen op, die in de 1ste eeuw n.C. tot meningsverschillen leidden.

4. Na de val van de Han-dynastie werd het confucianisme in de 3de­7de eeuw n.C. overvleugeld door het boeddhisme en het religieuze tauïsme. Onder de T'ang hervond het geleidelijk zijn dominerende positie als ideologie van de ambtenarenelite. De centrale thema's van de confuciaanse ethiek (o.a. het probleem van de menselijke natuur) werden opnieuw geformuleerd o.a. door Han-ju (768­824).

5. Een hernieuwde bevestiging van de confuciaanse suprematie werd bereikt, doordat zich onder de Soeng in de 12de­13de eeuw de tweede grote synthese voltrok door assimilatie van boeddhistische en tauïstische metafysische concepties en psychologische inzichten. De grondleggers van dit neoconfucianisme waren Tsjow Toen-i (1017­1075), de gebroeders Tsj'eng I (1033­1108) en Tsj'eng Hao (1032­1085) en Tsjoe Si (1130­1200). Vooral de laatste heeft aan de systematisering veel bijgedragen. Zijn interpretatie werd ook onder de Ming en Tj'ing als orthodox aanvaard. Naast de Vijf klassieken kregen door zijn toedoen de 'Vier boeken' (Loen-ju, Ta-sjwé, Tsjoeng-joeng en Mengtse) een centrale plaats.

6. Op de formele en structurele consolidatie volgde een innerlijke verstarring. Commentariëring en exegese werden de voornaamste bezigheden van de confuciaanse wijsgeer. Voor een latere beoordeling zijn die bijdragen van belang die óf een inhoudelijk andere richting probeerden in te slaan, zoals Wang Jang-ming (1472­1529), die een idealistisch-intuïtionistische filosofie ontwikkelde, óf op tekstkritische gronden andere inzichten verkondigden, zoals Tai Toeng-juan (1723­1777). In een tijd van grote politieke crisis probeerde K'ang Jou-wei (1858­1927) door een nog verder reikende revisie de confuciaanse traditie te redden.

7. De politieke en sociaal-economische veranderingen in de 20ste eeuw leken aan het confucianisme de maatschappelijke basis ontnomen te hebben die het in de vorige eeuwen genoot. Midden jaren negentig werd in de Volksrepubliek China van overheidswege de naleving van enkele confucianistische deugden weer gepropageerd.

© Winkler Prins / Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht