|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Christendom, de godsdienst van de aanhangers van Jezus Christus, de grootste en meest verbreide onder de wereldgodsdiensten. Evenals de beide andere wereldgodsdiensten, het boeddhisme en de islam, is het christendom een godsdienst met een universele, dwz. voor heel de mensheid bestemde, boodschap. Deze boodschap vinden christenen in het Oude Testament en het Nieuwe Testament, die gezamenlijk de Heilige Schrift of bijbel vormen.
1. ONTSTAAN EN
VERBREIDING
1.1 Joodse
wereld
Het christendom
is aan het
begin van onze
jaartelling
ontstaan als
een joodse
sekte, die de
rabbi Jezus van
Nazareth (ca. 7
à 4 v.C.ca. 30
n.C.)
aanvaardde als
de Messias,
zoals die door
de joodse
profeten was
aangekondigd.
De volgelingen
van Jezus
achtten zijn
betekenis ook
van toepassing
op de
niet-joodse
wereld en dit
leidde tot
ernstige
conflicten in
de eerste
generatie
christenen en
tot een breuk
met de joden,
die in Jezus
niet de Messias
zagen. Reeds in
de 2de eeuw was
de vervreemding
tussen jodendom
en christendom
vrijwel
volledig en
vanaf die tijd
heeft het
christelijk
geloof zijn
gestalte
gekregen in de
confrontatie
met de
niet-joodse
antieke wereld.
1.2
Verbreiding
Bij zijn
uitbreiding
binnen het
toenmalige
Romeinse Rijk
stuitte het
christendom
vaak op
verbitterde
tegenstand
(christenvervolgingen),
totdat het
christelijk
geloof in 313
door
Constantijn de
Grote recht op
tolerantie
kreeg; in 380
verwierf het
zelfs in zijn
orthodox-katholieke
vorm een
monopoliepositie.
Na de oudheid is het christendom zowel van het Westen als van het Oosten uit doorgedrongen in de streken die buiten het bereik van het Romeinse Rijk hadden gelegen. De noordelijke en westelijke (Germaanse) volken zijn door het Latijnse christendom gewonnen, de oostelijke door het Griekse. De twee invloedssferen stootten in Midden-Europa op elkaar; sommige Slavische volken kwamen tot het Latijnse christendom (Tsjechen en Polen), andere geraakten binnen de invloedssfeer van de Byzantijnse Kerk (de Balkan, Rusland). Daarentegen gingen door de opkomst van de islam in de 7de eeuw de landen van Noord-Afrika en het Midden-Oosten voor het christendom verloren en werd de expansie naar het verdere Oosten (waarmee de nestoriaanse christenen een begin hadden gemaakt) geblokkeerd.
1.3 Scheidingen
In 1054 leidden
de
tegenstellingen
tussen de
oosterse en
westerse
christenheid
tot het Oosters
Schisma tussen
de westerse
(Rooms-)
Katholieke Kerk
en de
Oosters-Orthodoxe
Kerken (zie
oosterse
kerken). In de
16de eeuw
raakte het
christendom in
het Westen door
de Reformatie
nog verder
verdeeld.
1.4 Missie
en zending
Intussen vond
sedert het
einde van de
15de eeuw een
nieuwe
uitbreiding
plaats: het
christendom
vestigde zich
in het kielzog
van
ontdekkingsreizigers
en kolonisten
in Noord- en
Zuid-Amerika,
later ook in
Afrika en
Australië. Het
intensieve werk
van missie en
zending van de
verschillende
christelijke
kerken over de
gehele wereld
dateert echter
pas van het
midden van de
19de eeuw. In
diezelfde tijd
begon evenwel
in Europa zelf,
vooral onder
het industriële
proletariaat en
de
intellectuelen,
een proces van
ontkerkelijking,
dat zich tot in
de huidige tijd
heeft
voortgezet.
1.5
Oecumenische
beweging
Het in de 19de
eeuw ontwaakte
missionaire
elan is een
rechtstreekse
stimulans
geweest voor
het ontstaan
van het meest
opmerkelijke
verschijnsel in
het
20ste-eeuwse
christendom: de
moderne
oecumenische
beweging. Haar
startpunt was
de
Wereldzendingsconferentie
te Edinburgh in
1910, haar
voorlopige
bekroning de
oprichting van
de Wereldraad
van Kerken te
Amsterdam in
1948.
2.
VERTAKKINGEN
Op het ogenblik
kunnen in
hoofdzaak de
volgende
groeperingen
worden
onderscheiden:
2.1 Het
katholicisme
Te
onderscheiden
in een westerse
tak, uit de
Latijnse helft
van het
Romeinse Rijk
voortgekomen,
en een
oosterse,
ontstaan in het
Griekse deel.
Het westers
katholicisme is
hoofdzakelijk
geconcentreerd
om de kerk van
Rome en erkent
de bisschop van
Rome, de paus,
als zijn leider
en het
priesterambt
wordt exclusief
aan mannen
voorbehouden
(zie
Rooms-Katholieke
Kerk). Veel
kleiner zijn de
katholieke
kerken, die in
de 18de eeuw
(strijd om het
jansenisme) en
in de 19de
(vooral de
strijd om de
pauselijke
onfeilbaarheid)
in conflict met
Rome zijn
geraakt en
zelfstandig
zijn geworden
(zie
Oud-Katholieke
Kerken). In de
16de eeuw is de
Engelse
(Anglicaanse)
Kerk losgemaakt
van Rome;
hoewel haar
confessie een
gematigd-reformatorisch
karakter draagt
is haar
geestelijke en
organisatorische
aard in
hoofdzaak
katholiek (zie
Anglicaanse
Kerk). Het
oosterse
christendom had
oorspronkelijk
zijn geestelijk
centrum in
Constantinopel
(zie orthodoxe
kerken),
waarmee het
evenwel
organisatorisch
veel minder
hecht was
verbonden dan
het westerse
christendom met
Rome. Het omvat
een aantal
onafhankelijke
kerken in Oost-
en
Zuidoost-Europa,
waarvan de
Russische de
belangrijkste
is (zie
Russisch-Orthodoxe
Kerk). Met name
in de Verenigde
Staten vindt
men orthodoxe
kerken van
emigranten uit
die landen.
Behalve de
orthodoxe
kerken is nog
een aantal
oriëntaalse,
van traditie en
structuur
katholieke
kerken te
noemen,
ontstaan uit
bepaalde
dogmatische en
politieke
tegenstellingen
in de oudheid
of onder het
bewind van de
islamieten
geïsoleerd
geraakt van de
Byzantijnse
rijkskerk. Van
deze kerken
zijn alleen de
zgn. Assyriërs
nestoriaans; de
overige kerken
zijn
monofysitisch
(zie
monofysitisme).
2.2
Groeperingen
uit de
Hervorming in
de 16de eeuw
voortgekomen
Lutherse kerken
en
Gereformeerde
kerken, vooral
de laatste van
velerlei aard,
sommige in de
17de eeuw
ontstaan,
gelijk de
remonstrantse,
sommige later,
gelijk in de
19de eeuw in
Nederland
onderscheiden
gereformeerde
groepen, in
verzet tegen de
heersende
Hervormde Kerk.
Voorts zijn
groepen
voortgekomen
uit radicale
16de-eeuwse
stromingen als
wederdopers en
spiritualisten;
genoemd kunnen
worden
doopsgezinden
(Mennonieten).
De vooral in
Angelsaksische
landen
belangrijke
baptisten
vertonen met
laatstgenoemden
wel
verwantschap.
Een
piëtistische
stroming in het
anglicanisme,
eerder uit het
reformatorisch
erfgoed van de
Engelse Kerk
gevoed dan uit
haar katholieke
traditie, heeft
zich in de 18de
eeuw tot een
zelfstandige
kerkformatie
ontwikkeld: het
methodisme. Het
protestantisme
vertoont een
grote
verscheidenheid
van kerken en
groepen, een
verschijnsel
waarvoor
verschillende
gronden zijn
aan te geven:
naast
kerkelijk-organisatorische
(een over het
algemeen veel
minder
gecentraliseerd
gezag) en
religieuze (een
sterker drang
naar
individualiteit)
zijn ook
maatschappelijke
te noemen: vaak
bestaat een
duidelijk
verband tussen
religieuze
signatuur en
maatschappelijke
plaats. De
scheiding van
staat en kerk
heeft voorts
politiek en
juridisch
kerksplitsingen
gemakkelijker
gemaakt. Ook
het christelijk
humanisme heeft
tot religieuze
gemeenschapsvorming
geleid, met
name onder de
vrijzinnigen.
2.3 Andere
vormen
Andere vormen
doen zich naast
deze klassieke
nog voor:
hiertoe behoren
groepen als de
Mormonen, de
Christian
Science, de
Getuigen van
Jehova, Jesus
People e.d. De
grens tussen
wat al dan niet
als christelijk
kan gelden is
soms heel
moeilijk te
trekken. Van
deze
groeperingen
zijn de in deze
eeuw vooral
in de Verenigde
Staten
opgekomen
Pinkstergemeenten
het meest
invloedrijk
geweest, eerst
binnen de
reformatorische
kerken en vanaf
de jaren zestig
ook binnen de
Rooms-Katholieke
Kerk.