|
|
BOEDDHISME |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
boeddhisme de door Boeddha in de 6de en 5de eeuw v.C. gestichte godsdienst. Het is ontstaan uit het brahmanisme.
1. LEER
Alle bestaan is
lijden;
verlossing
daarvan in een
normaal aards
bestaan is niet
mogelijk, want
alles wat
sterft gaat in
nieuw leven
over; aan de
kringloop van
het bestaan is
niet te
ontkomen, alles
is onderworpen
aan de
samsara, de
eeuwige
kringloop der
wedergeboorten.
Van deze
denkbeelden
gaat het
boeddhisme uit
en het vraagt:
hoe kan men
zich
ontworstelen
aan deze
kringloop? Hoe
kan men
ontkomen aan de
automatische
macht van het
karman en aan
de
voortdurende,
eindige
bestaansvormen?
De upanishads
leerden dat
verlossing uit
deze kringloop
slechts
mogelijk is
voor wie het
brahman en de
wezensidentiteit
daarvan met
zijn eigen ik
existentieel
heeft leren
ervaren. Dan
leert Boeddha
de vier edele
waarheden en
het achtvoudige
pad. Alle
bestaan is
lijden, omdat
alles
vergankelijk is
(sarvam
anityam).
Dit lijden
ontstaat door
de begeerte
naar het
aardse, waaraan
men zich nooit
verzadigt,
omdat het
slechts schijn
is. Daarom moet
men naar de
vernietiging
van de begeerte
streven om het
leven vast te
houden. Niet
iets
onsterfelijks
(een ziel) is
de oorzaak van
de nieuwe
bestaansvorm
die de
stervende
wacht, maar wel
de nog niet
volkomen
uitgebluste wil
om te leven; de
begeerte neemt
bij het
scheiden van de
ene
bestaansvorm
een nieuwe
gedaante van
bestaan aan,
die
overeenstemt
met de aard van
de
levensbegeerte.
Dit is het
karman
(oorspronkelijk:
handeling,
handeling met
het
noodzakelijk
gevolg), dat de
aard van de
nieuwe
gedaanten
bepaalt. Het
het niet
schaden van al
wat leeft of de
sympathie voor
heel de ons
omringende
levende wereld;
het niet
stelen, met als
tegenhanger het
beoefenen van
vrijgevigheid;
de kuisheid,
waaraan de
monnik zich
streng te
houden heeft;
het niet liegen
of het steeds
en overal
waarheid
spreken; de
algehele
onthouding van
sterke dranken;
de voortdurende
waakzaamheid.
Heeft de
volgeling van
Boeddha deze
voorschriften
opgevolgd en is
het hem gelukt
zijn
lichamelijk
leven te
beheersen, dan
volgt de eis
van volledige
meditatie of
ingedeeld en
moet ten einde
toe doorlopen
worden om dan
over te gaan in
het hoogste
inzicht. Zo
ontstaat de
overwinning van
de schijn, de
verlossing:
nirwana.
Het nirwana
(lett.: 'de
toestand van
uitgewaaid,
gedoofd zijn
zoals een
vlam') is niet
met aardse
begrippen te
vatten en valt
buiten de
gewone
categorieën.
Het is de
volledige rust,
de volmaakte
inwendige
vrede, de
absolute
vernietiging
van alle
begeerte,
afkeer en
dwaling, de
vernietiging
van het worden.
Ofschoon het
als
onsterfelijkheid,
bestendigheid,
reinheid, rust,
toevlucht, enz.
wordt
omschreven, is
het, als het
'Ganz Andere'
en als
tegenstelling
van de
fenomenale
wereld niet met
positieve
begrippen te
omschrijven.
Het is echter
ook niet een
'niets'. Het
lichaam behoeft
nog niet
gestorven te
zijn, kan nog
een fysiek
bestaan leiden,
waarin de
resten van het
karman worden
opgeteerd, maar
dat met de dood
geheel eindigt.
Eerst dan is
men voorgoed
verlost van de
ellende van het
bestaan.
De ware weg tot
het nirwana is
alleen
toegankelijk
voor hen die
besluiten lid
te worden van
de orde van de
monniken
(Sangha).
Toch heeft
Boeddha ook
voor heel de
overige wereld
woorden van
wijsheid en
troost. Hij
maant tot een
deugdzaam
leven, legt
zijn
leke-aanhangers
het eerste
vijftal van de
voor zijn
discipelen
geldende
geboden op en
weet ook hen
aan te sporen
tot een
zedelijk en
plichtsgetrouw
bestaan.
2.
GESCHIEDENIS EN
RICHTINGEN
Het
oorspronkelijke
boeddhisme
onderging,
sedert 250 v.C.
de
zendingsarbeid
begon, grote
wijzigingen
door aanpassing
aan andere
denkbeelden en
godsdienstvormen.
2.1 Hinayana
Richting van
het boeddhisme,
zo genoemd in
de latere
Mahayanistische
geschriften.
Hinayana
betekent 'Klein
voertuig' [of
beter] 'Het
kleine, mindere
pad', in
tegenstelling
tot
Mahayana:
'Groot
voertuig' of
'Het grote,
betere pad'.
Kort na de dood
van Gautama
Boeddha (ca.
480 v.C.) had
te Rajagriha
een eerste
concilie van
500 monniken
plaats, waar op
grond van
Boeddha's
uitspraken de
authentieke
vorm van de
leer werd
vastgesteld.
Het werd 100
jaar later
gevolgd door
een tweede te
Vaisali, waar
echter ten
aanzien van de
discipline in
de orde geen
eensgezindheid
meer kon worden
bereikt.
Volgens een
traditie zou
zich 137 jaar
na Boeddha's
dood het eerste
schisma
voltrokken
hebben: de
Mahasanghika's
of 'Leden der
grote
Gemeenschap',
die o.a.
leerden dat een
arhat,
d.i. een
verloste, nog
twijfel kan
koesteren en
niet geheel het
hoogste inzicht
deelachtig
behoeft te
zijn, scheidden
zich af van de
Sthaviravadins
of 'Aanhangers
van de leer der
Ouden'. Uit de
eerste groep
kwamen verder
nog vijf, uit
de tweede elf
scholen voort,
zodat in totaal
18 scholen
onderscheiden
worden. Enige
zeer
belangrijke
daarvan zijn de
Sarvastivada
(die leren dat
'alles', d.i.
het verleden en
de toekomst
evenzeer als
het heden,
'is': van
belang voor de
karmanleer) en
de
Sautrantika
(die zich
vooral op
Boeddha's
preken
beriepen).
Belangrijk is het derde concilie van de Sthaviravadins te Pataliputra, onder de bescherming van keizer Asjoka, door wiens toedoen het boeddhisme aan invloed en uitbreiding won. Twee feiten dienen aangestipt. Ten eerste werd op dit concilie de canon van de Sthavira's (Tripitaka) vastgesteld in drie delen: 1. Vinayapitaka of de leer van de discipline en de voorschriften voor het kloosterleven; 2. Sutra pitaka of een verklaring van Boeddha's leer met de preken: 3. Abhidharmapitaka, die allerlei exegetische en scholastische verklaringen bevat. Deze canon is ons overgeleverd in Pali. Naast deze bestond echter de Sanskriet-canon van de Sarvastivadins, die bekend is door allerlei fragmenten in Chinese en Tibetaanse vertalingen.
De voornaamste school van de Sthaviravadarichting vormden de Sarvastivadins. Zij hadden zich gevestigd in het noorden van India, in Kashmir. Hun wereldbeschouwing was realistisch. De Hinayanisten aanvaarden in het algemeen in plaats van de ziel als absolute werkelijkheid een 'stroom' van dharma's (alle onderling samenhangende elementen die de waarneembare wereld vormen). Het doel van het bestaan is het bereiken van het nirwana, dat zij opvatten als een volkomen onderdrukking en tot stilstand brengen van alle leven. Hun levensopvatting is moralistisch-ethisch en ascetisch en op uiteindelijke persoonlijke bevrijding gericht. In overeenstemming daarmee stellen zij tot ideaal het leven van de heilige, de arhat, bereikt door een ingewikkelde methode van innerlijke concentratie en meditatie.
Ten tweede werd
te Pataliputra
besloten tot
missiewerk en
werd de eerste
stoot gegeven
tot universele
verspreiding
door de
bekering van
Ceylon (Sri
Lanka) dat
steeds een van
de voornaamste
centra van
boeddhisme is
gebleven. Zelfs
zond Asjoka
gezanten naar
de
hellenistische
vorsten van
Bactrië en
Sogdië.
Bronnen voor de
geschiedenis
van het
Hinayana en de
ontwikkeling
van het
hinayanistische
denken zijn
o.a. de
Kathavatthu,
Dipavamsa,
Mahavamsa
en
Milindapanha
in het Pali en
in enige
Sanskriet-,
Tibetaanse en
Chinese werken.
Het boeddhisme
in zijn
Hinayanavorm
bestaat nu nog
hoofdzakelijk
in Sri Lanka,
Birma en
Cambodja.
2.2 Mahayana
Ca. 100 n.C.
had onder de
Indoscythische
vorst Kaniska
(78120) in
Kashmir het
vierde concilie
plaats te
Jalandhara of
te Kundalavana.
Rondom deze
tijd neemt het
zich reeds
ongeveer een
eeuw eerder
aftekenende
Mahayana
duidelijker
gestalte aan
met een nieuwe,
altruïstische,
van de bhakti
doordrongen
moraal.
Mahayana is een
verzamelnaam
voor
verschillende
richtingen en
scholen in het
latere
boeddhisme,
waarvan de
kiemen echter
reeds in het
oorspronkelijke
boeddhisme,
mogelijk bij de
Mahasanghika's,
aanwezig waren.
De naam dateert
uit de 1ste
eeuw v.C. en
wordt
uitsluitend in
de
Mahayanageschriften
gebezigd. Men
kan in het
Mahayana de
volgende punten
aanstippen: 1.
de historische
Boeddha werd
één in de rij
van de vele
uitstralingen
van het
goddelijke in
de wereld; 2.
het te
voorschijn
treden van
bodhisattva's (
'tot het
boeddhaschap
bestemden')
die, bijna aan
Boeddha gelijk,
zich bekommeren
om het welzijn
van de
stervelingen en
door dezen
worden
aangeroepen; 3.
verdringing van
de gedachte aan
nirwana door
voorstellingen
van hemel en
hel. Hiermee
echter bleef
ook de
onenigheid niet
uit, waartegen
reeds vroeg met
matig succes
algemene
concilies zijn
samengeroepen.
Streven de
volgelingen van
het Hinayana
eigen heil en
verlossing na,
de
Mahayanavolgelingen
prediken
bovenal het
universele
heil, de
universele
verlossing van
alle levende
wezens. In hun
kring ontstond
een leer die de
'Volkomenheid
der volmaakte
Wijsheid', de
Prajnaparamita,
werd genoemd.
Kernbegrip van
deze leer was
de sjunyata,
lett.: 'het
leegzijn', d.i.
'zonder
attributen
zijn'. Werd
door de
Sarvastivadins
geleerd dat
alle
bestaanselementen
de dharma's
causaal
verbonden en
reëel zijn, in
deze nieuwe
leer werd de
realiteit van
deze elementen
ontkend, juist
omdat zij
causaal
verbonden zijn.
Hun
'betrekkelijkheid'
wordt nu
vooropgesteld.
Zij bestaan
niet als
absolute
werkelijkheid,
maar slechts
als fenomeen.
Absoluut is
slechts de
onafhankelijke,
ondoorgrondelijke,
onveranderlijke
en monistisch
opgevatte
werkelijkheid,
die niet in
woorden te
vatten is en
alle
verhoudingen te
boven gaat. De
logica wordt
dan ook als
geheel en al
ontoereikend
kenmiddel
verworpen. Het
'Absolute Zijn'
kan slechts in
opperste extase
ervaren worden
en laat slechts
een 'achteraf
verkregen'
kennis na. Deze
leer werd door
de wijsgeren
Nagarjuna (3de
eeuw n.C.) en
Aryadeva in een
vast systeem
gegoten, nl. de
leer van de
Madhyamika's,
dwz. de leer
van het
Middenpad,
waarin op de
grondslag van
het universeel
betrekkelijke
zowel het
extreme
nihilisme als
het extreme
realisme werd
verworpen. Het
scherpe
onderscheid
tussen nirwana
(absoluut zijn)
en samsara
(empirisch
bestaan),
tussen het
'Absolute' en
het empirische,
fenomenale
bestaan, werd
opgeheven.
Nirvana is de
wereld gezien
'sub specie
aeternitatis';
de samsara
slechts een
andere vorm van
het nirwana. De
empirische
wereld heeft
waarde als
terrein voor
het beoefenen
van universele
liefde.
De opvatting omtrent Boeddha's leven als historische persoonlijkheid maakt plaats voor een docetische opvatting. Men onderscheidt drie Boeddha- 'lichamen': de Dharmakaya, het eeuwige en transcendente kosmische lichaam, dat geïdentificeerd werd met het 'Absoluut Zijnde' en met de 'Volmaakte Wijsheid', tevens met de Leer of Dharma (de natuur van Boeddha, het wezen van zijn leer en de laatste realiteit zijn identiek); de Sambhogakaya, het lichaam van volmaakte 'Zaligheid', dat eigenlijk het vorig lichaam is in een meer persoonlijk voor de bodhisattva's waarneembaar aspect en dus onze westerse conceptie van 'God' benadert; en de Nirmanakaya, het 'Transformatielichaam', d.i. de verschijningsvorm waarin de Boeddha hier op aarde werkt, tot zegen van de mensheid. Deze leer schijnt haar definitieve vorm gekregen te hebben bij de wijsgeer Asangga (eind 4de eeuw). Een uitgebreid ritueel ontstond. De twee voornaamste Madhyamikarichtingen waren de sekten van de Prasangika's, die een extreem standpunt innamen een grote figuur was Chandrakirti, eind 6de eeuw en van de Svatantrika's, die meer gematigd waren. Deze laatsten stelden tegenover de negatieve dialectiek van eerstgenoemden een positieve en aanvaardden tot op zekere hoogte logica als kenmiddel.
Zij gingen van het standpunt uit, dat het kennen van de waarheid en van de ware natuur van de dingen geschiedt door middel van het bewustzijn, zodat dit 'werkelijk' moest zijn. Immers, de 'werkelijkheid' kan slechts gekend worden door de werkelijkheid. Op grond hiervan ontwikkelden zij een volledig idealistisch stelsel, waarin alle phaenomena tot 'niets dan idee' gereduceerd werden. De buitenwereld en de innerlijke gedachtewereld bestaan niet als grootheden op zichzelf, maar hebben slechts waarde als verschijningsvorm van de idee. Alles existeert alleen in het bewustzijn. Ieder onderscheid tussen kenner en het gekende is in waarheid niet-bestaand. De dharma's, die in het eerste stadium van boeddhistisch denken een reëel karakter hadden, in het tweede een relatief karakter, verkregen in het derde stadium een idealistisch karakter. Deze wereld van de geestelijke verschijnselen is echter geen droomwereld. Haar mechanisme wordt verklaard door de hypothese van het 'Bewaarplaatsbewustzijn' (alayavijñana), gevormd uit de opeenhoping van de sporen of indrukken van alle vroegere fenomenen. Het is een soort psychische voedingsbodem, waarop zich de indrukken als kiemen ontwikkelen en op elkaar inwerken om hunnerzijds nieuwe geestelijke fenomenen voort te brengen. Het is te vergelijken met een steeds stromende rivier waarvan de watermoleculen steeds vernieuwd worden. Deze hypothese verklaart ook de vergelding van daden volgens het karmanprincipe: de onderbewuste 'psychische stroom' stroomt nl. ook na de dood voort en brengt zo de samenhang tussen de verschillende existenties tot stand. De wereld zag men onder drie aspecten, nl. het absolute aspect, het betrekkelijke aspect en het ingebeelde aspect. Heilsweg, boeddhologie en cultus waren min of meer dezelfde als bij de Madhyamika's. Dit stelsel staat op naam van Asangga en Vasubandhu.
De bloeitijd van dit stelsel viel samen met de regeringsperiode van de Gupta's, toen India een hoogtepunt in zijn cultuurgeschiedenis bereikte. Deze twee grote richtingen met haar sekten vormen samen het Indische Mahayana-boeddhisme. Uit het Yogacarasysteem heeft zich een school van grote logici ontwikkeld, die het gehele Indische wijsgerige leven sindsdien beïnvloed hebben. De belangrijksten waren Dignaga (eind 5de eeuw) en Dharmakirti (begin 7de eeuw). Al deze schrijvers hebben een grote commentaarliteratuur achtergelaten, waarvan de Sanskrietoriginelen helaas veelal verloren zijn gegaan, maar waarvan nog vertalingen voorhanden zijn in het Tibetaans, Chinees, Mongools of Japans.
Het
Mahayana-boeddhisme
heeft zich over
geheel
Oost-Azië
verspreid en
heeft zich in
China tijdelijk
in een grote
bloei mogen
verheugen (zie
ook Chinese
godsdienst). In
552 n.C. kwam
het via Korea
(reeds in 372)
naar Japan,
waar het tot op
heden een grote
invloed op het
geestesleven
heeft
uitgeoefend
(zie voorts
Japan en
Korea). De
studie van het
boeddhisme
wordt in Japan
ook
wetenschappelijk
bedreven. Men
heeft er vele
boeddhistische
bibliotheken en
universiteiten,
waar
standaardwerken
het licht zien.
Doelbewust
streefde men
er, in verband
met
Panaziatische
aspiraties, een
renaissance van
het boeddhisme
na, niet alleen
voor Japan,
maar ook voor
het grootste
deel van Azië.
De
belangrijkste
Japanse sekten
zijn de Tendai,
Shingon,
Nitsjiren en
Zen-sekten.
Vooral de
Amida- of
Amitabha-cultus
heeft veel
gelovigen tot
zich getrokken
(zie
Amida-boeddhisme).
In de 7de eeuw
werd het
boeddhisme met
veel succes
gepropageerd in
Tibet, waar
het, versmolten
met de inheemse
religie, het
lamaïsme
vormde. Het
bereikte ook de
Indische
Archipel, waar
de
overblijfselen
van vele
tempels en
monumenten
het
belangrijkste
monument is de
Borobúdur op
Java er nu
nog de
sprekende
getuigen van
zijn.
Wat de
geschiedenis
van het
boeddhisme in
India zelf
betreft zijn er
zeer uitvoerige
inlichtingen
bewaard van
Chinese
pelgrims, die
India in de
loop van het
eerste
millennium n.C.
bezochten:
Fa-hien
(399413),
Hiuan-Tsang
(Yuan-chwang.
Hsuen-tsang,
629645),
Yitsing
(I-ching,
671690).
Hieruit blijkt
dat reeds in
vele sectoren
verval was
ingetreden, dat
nog toenam door
een nieuwe vorm
van boeddhisme,
het
Vajrayanaboeddhisme
(het 'Diamanten
voertuig')
geheten, waarin
de
oorspronkelijke
zuiverheid
plaats ging
maken voor
praktijken die
veel gelijkenis
vertonen met
het
hindoeïstische
tantrisme en
ten slotte voor
de leer en de
praktijken van
het sjaktisme
(reeds in de
8ste eeuw). De
kiem van al
deze
afwijkingen lag
in het
Mahayana-boeddhisme
zelf, dat,
ofschoon het
beweert langs
een soort van
apostolische
overlevering
aan te sluiten
bij de
prediking van
de
oorspronkelijke
leer van
Boeddha, zeer
heterogene en
aan het
oorspronkelijke
boeddhisme
vreemde
elementen
bevat.
Het boeddhisme,
dat in zijn
ideale vorm
eigenlijk
slechts voor
een kleine
elite bestemd
is, is in India
nooit de enige
of de
overheersende
verlossingsleer
geweest. Het
streefde ook
niet naar die
positie en liet
zijn
leke-aanhangers
vrij
volksgeloof te
huldigen en aan
brahmanistisch-hindoeïstische
riten deel te
nemen. Wanneer
vorstengunst
ontbrak, bleek
nog duidelijker
dat het niet
het gehele
terrein van het
leven van de
leke-aanhangers
bestreek. Door
zijn vele
scholen en
grote
tolerantie
vormde het geen
eenheid. De
opname van vele
hindoeïstische
elementen in
het Mahayana
leidde tot
uitholling en
vervaging. Het
langst hield
het stand in
Bihar en
Bengalen, onder
de
boeddhistische
Paladynastie.
De invallen van
de islamieten,
die in 1193
Bihar bezetten
en vele
boeddhistische
kloosters
verwoestten,
betekenden de
genadeslag. In
Orissa leeft
het op
bescheiden
schaal voort.
Alle Indiase
boeddhisten
tezamen
(inclusief
vanuit Sri
Lanka
geïmmigreerden,
ook bekeerden)
maken
nauwelijks het
half miljoen
vol.
3. MODERNE
ONTWIKKELING
De kolonisatie
van
boeddhistische
landen en de
contacten met
het Westen
hebben binnen
het boeddhisme
ingrijpende
veranderingen
teweeggebracht.
In de strijd
voor
onafhankelijkheid
werd het
boeddhisme, het
culturele
erfgoed,
verbonden met
het
nationalisme
dat veelal door
marxistische en
socialistische
stromingen
beïnvloed was.
Dit had tot
gevolg dat van
het boeddhisme
een duidelijk
antwoord werd
verwacht op
vragen van
sociale,
economische en
politieke aard.
Hierdoor
ontstond er in
de
boeddhistische
wereld een
herbezinning op
de leer
tegelijk met
pogingen deze
aan te passen.
De
belangstelling
van het Westen
voor het
boeddhisme,
ontstaan vanuit
missionering,
politieke
expansiedrang
en wetenschap,
hielp mee bij
de
bewustwording
van de
boeddhistische
landen. Men
kwam tot het
oprichten van
internationale
boeddhistische
organisaties,
waarvan de
belangrijkste
zijn: de Maha
Bodhi Society,
opgericht in
1891, de Young
Men's Buddhist
Association,
opgericht in
1898, en de
World
Fellowship of
Buddhists
(1950). Deze
organisaties
hebben tot
doel: de
eenheid in de
boeddhistische
wereld, een
gezamenlijke
boeddhistische
stellingname,
oprichten van
boeddhistische
studiecentra en
universiteiten,
onderling
begrip, het
zuiver bewaren
van de
boeddhistische
leer en heilige
plaatsen, het
verbreiden van
de boodschap
van de Boeddha,
die vrede en
welvaart zal
brengen in de
wereld.
In de
geschiedenis
van Sri
Lanka en
Birma
liggen de
aanzetten tot
de
vernieuwingsbeweging.
Hier is de
theorie van het
boeddhistische
socialisme
ontstaan, die
politiek werd
toegepast door
U Nu in Birma
en Sirimavo
Bandaranaike in
Sri Lanka. Zij
wilden het
boeddhisme als
staatsgodsdienst
en als
ideologie van
een
socialistische
staat. In beide
landen is dit
experiment
mislukt, vnl.
door te grote
druk van de
monniken en
door conflicten
met
niet-boeddhistische
minderheidsgroepen.
In Thailand
verliep de
overgang naar
de moderne tijd
met minder
geweld. Ook
hier ontstonden
hervormingsbewegingen,
zowel voor de
leer als voor
de
monnikenorde.
Men poogt het
boeddhisme
minder als
staatsideologie
te gaan
beschouwen en
vooral de
invloed van de
monniken, via
het onderwijs,
te verminderen
om zo een
scheiding van
staat en
religie te
bewerkstelligen.
Nationale
minderheden wil
men zo veel
mogelijk
assimileren,
mede door
bekering tot
het boeddhisme.
Ook in
Vietnam
ontstonden
(reeds rond
1930)
hervormingsbewegingen,
vele eveneens
met een
duidelijk
politieke
stellingname.
Hoewel
uiteengevallen
in kleinere
groepen hebben
de boeddhisten
zich zowel
tegen de Franse
overheersing
als tegen de
dictatuur van
Ngo Dinh Diem
met succes
kunnen
organiseren. De
Vietnamese
boeddhisten,
die de laatste
tijd meer steun
krijgen van hun
Singhalese
geloofsgenoten,
proberen naast
zuivering en
heroriëntering
van de leer
een
ontwikkeling
die tevens
heeft geleid
tot het
ontstaan van
twee nieuwe
syncretistische
religies, de
Cao Dai en de
Hoa Hao een
sociale en
politieke
centrumpositie
in te nemen in
Vietnam.
Voor de Chinese
inval in
Tibet
vluchtte in
1959 de
Tibetaanse
geestelijke en
wereldlijke
leider, de
dalai lama,
naar India. Met
hem vluchtten
nog ongeveer
80?000
Tibetanen, van
wie het
merendeel in
India en de
Himalaja-staten
terechtkwam, en
een kleinere
groep (ca.
1000) in Europa
(Zwitserland)
en de Verenigde
Staten. Zij
doen veel
moeite hun
culturele en
religieuze
erfgoed te
bewaren te
midden van de
sterk
veranderde
levensomstandigheden
en ontvangen
buitenlandse
hulp bij het
opzetten van
ontwikkelingsprojecten
en
studiecentra.
De dalai lama
is sedert zijn
vertrek uit
Tibet sterk in
de westerse
publieke
belangstelling
komen te staan,
o.a. door zijn
vele reizen in
westerse
landen. De
belangstelling
voor het
Tibetaanse
boeddhisme in
Europa en
Noord-Amerika
nam als gevolg
daarvan sterk
toe.
Vooraanstaande
Tibetaanse
monniken kregen
ook in het
Westen
volgelingen.
4.
LITERATUUR VAN
HET BOEDDHISME
De literatuur
van het
boeddhisme is
ondanks grote
verliezen, o.a.
door de
ondergang van
het boeddhisme
in India, van
enorme omvang.
Zij valt uiteen
in canonieke
geschriften,
die volgens de
traditie de
prediking en
leer van
Boeddha
bevatten, en
commentaren
daarop,
exegetische
werken,
oorspronkelijke,
godsdienstige,
historische en
propagandistische
geschriften,
verhandelingen
over ritueel,
meditatie,
iconografie,
kloosters en
heilige
plaatsen. Zij
is (en was)
geschreven in
Pali,
Sanskriet,
Chinees,
Tibetaans,
Japans en
andere talen:
veel werd
vanuit de
Indische talen
vertaald.
De niet-canonieke boeddhistische Sanskriet-literatuur bestaat uit commentaren op de canon, stichtelijke werken en verhandelingen van verschillende aard, die ten dele aan bepaalde auteurs worden toegeschreven. Zij getuigen van een uitgebreide, deels geleerde en exegetische, deels dichterlijke activiteit. Er zijn ook lofzangen en verhalende werken onder. Voor een deel zet deze literatuur zich in jongere taalstadia, o.a. het Oud-Bengaals, voort.