boeddhisme

De door Boeddha in de 6de en 5de eeuw v.C. gestichte godsdienst. Het is ontstaan uit het brahmanisme.
Alle bestaan is lijden; verlossing daarvan in een normaal aards bestaan is niet mogelijk, want alles wat sterft gaat in nieuw leven over; aan de kringloop van het bestaan is niet te ontkomen, alles is onderworpen aan de
samsara, de eeuwige kringloop der wedergeboorten. Van deze denkbeelden gaat het boeddhisme uit en het vraagt: hoe kan men zich ontworstelen aan deze kringloop? Hoe kan men ontkomen aan de automatische macht van het karman en aan de voortdurende, eindige bestaansvormen? De upanishads leerden dat verlossing uit deze kringloop slechts mogelijk is voor wie het brahman en de wezensidentiteit daarvan met zijn eigen ik existentieel heeft leren ervaren. Dan leert Boeddha de vier edele waarheden en het achtvoudige pad. Alle bestaan is lijden, omdat alles vergankelijk is (sarvam anityam). Dit lijden ontstaat door de begeerte naar het aardse, waaraan men zich nooit verzadigt, omdat het slechts schijn is. Daarom moet men naar de vernietiging van de begeerte streven om het leven vast te houden. Niet iets onsterfelijks (een ziel) is de oorzaak van de nieuwe bestaansvorm die de stervende wacht, maar wel de nog niet volkomen uitgebluste wil om te leven; de begeerte neemt bij het scheiden van de ene bestaansvorm een nieuwe gedaante van bestaan aan, die overeenstemt met de aard van de levensbegeerte. Dit is het karman (oorspronkelijk: handeling, handeling met het noodzakelijk gevolg), dat de aard van de nieuwe gedaanten bepaalt. Het het niet schaden van al wat leeft of de sympathie voor heel de ons omringende levende wereld; het niet stelen, met als tegenhanger het beoefenen van vrijgevigheid; de kuisheid, waaraan de monnik zich streng te houden heeft; het niet liegen of het steeds en overal waarheid spreken; de algehele onthouding van sterke dranken; de voortdurende waakzaamheid. Heeft de volgeling van Boeddha deze voorschriften opgevolgd en is het hem gelukt zijn lichamelijk leven te beheersen, dan volgt de eis van volledige meditatie of ingedeeld en moet ten einde toe doorlopen worden om dan over te gaan in het hoogste inzicht. Zo ontstaat de overwinning van de schijn, de verlossing: nirwana.

Het nirwana (lett.: 'de toestand van uitgewaaid, gedoofd zijn zoals een vlam') is niet met aardse begrippen te vatten en valt buiten de gewone categorieën. Het is de volledige rust, de volmaakte inwendige vrede, de absolute vernietiging van alle begeerte, afkeer en dwaling, de vernietiging van het worden. Ofschoon het als onsterfelijkheid, bestendigheid, reinheid, rust, toevlucht, enz. wordt omschreven, is het, als het 'Ganz Andere' en als tegenstelling van de fenomenale wereld niet met positieve begrippen te omschrijven. Het is echter ook niet een 'niets'. Het lichaam behoeft nog niet gestorven te zijn, kan nog een fysiek bestaan leiden, waarin de resten van het karman worden opgeteerd, maar dat met de dood geheel eindigt. Eerst dan is men voorgoed verlost van de ellende van het bestaan.

De ware weg tot het nirwana is alleen toegankelijk voor hen die besluiten lid te worden van de orde van de monniken (Sangha). Toch heeft Boeddha ook voor heel de overige wereld woorden van wijsheid en troost. Hij maant tot een deugdzaam leven, legt zijn leke-aanhangers het eerste vijftal van de voor zijn discipelen geldende geboden op en weet ook hen aan te sporen tot een zedelijk en plichtsgetrouw bestaan.

Het oorspronkelijke boeddhisme onderging, sedert 250 v.C. de zendingsarbeid begon, grote wijzigingen door aanpassing aan andere denkbeelden en godsdienstvormen.

Hinayana
Richting van het boeddhisme, zo genoemd in de latere Mahayanistische geschriften. Hinayana betekent 'Klein voertuig' [of beter] 'Het kleine, mindere pad', in tegenstelling tot Mahayana: 'Groot voertuig' of 'Het grote, betere pad'. Kort na de dood van Gautama Boeddha (ca. 480 v.C.) had te Rajagriha een eerste concilie van 500 monniken plaats, waar op grond van Boeddha's uitspraken de authentieke vorm van de leer werd vastgesteld. Het werd 100 jaar later gevolgd door een tweede te Vaisali, waar echter ten aanzien van de discipline in de orde geen eensgezindheid meer kon worden bereikt. Volgens een traditie zou zich 137 jaar na Boeddha's dood het eerste schisma voltrokken hebben: de Mahasanghika's of 'Leden der grote Gemeenschap', die o.a. leerden dat een arhat, d.i. een verloste, nog twijfel kan koesteren en niet geheel het hoogste inzicht deelachtig behoeft te zijn, scheidden zich af van de Sthaviravadins of 'Aanhangers van de leer der Ouden'. Uit de eerste groep kwamen verder nog vijf, uit de tweede elf scholen voort, zodat in totaal 18 scholen onderscheiden worden. Enige zeer belangrijke daarvan zijn de Sarvastivada (die leren dat 'alles', d.i. het verleden en de toekomst evenzeer als het heden, 'is': van belang voor de karmanleer) en de Sautrantika (die zich vooral op Boeddha's preken beriepen).

Belangrijk is het derde concilie van de Sthaviravadins te Pataliputra, onder de bescherming van keizer Asjoka, door wiens toedoen het boeddhisme aan invloed en uitbreiding won. Twee feiten dienen aangestipt. Ten eerste werd op dit concilie de canon van de Sthavira's (Tripitaka) vastgesteld in drie delen: 1. Vinayapitaka of de leer van de discipline en de voorschriften voor het kloosterleven; 2. Sutra pitaka of een verklaring van Boeddha's leer met de preken: 3. Abhidharmapitaka,  die allerlei exegetische en scholastische verklaringen bevat. Deze canon is ons overgeleverd in Pali. Naast deze bestond echter de Sanskriet-canon van de Sarvastivadins, die bekend is door allerlei fragmenten in Chinese en Tibetaanse vertalingen.

De voornaamste school van de Sthaviravadarichting vormden de Sarvastivadins. Zij hadden zich gevestigd in het noorden van India, in Kashmir. Hun wereldbeschouwing was realistisch. De Hinayanisten aanvaarden in het algemeen in plaats van de ziel als absolute werkelijkheid een 'stroom' van dharma's (alle onderling samenhangende elementen die de waarneembare wereld vormen). Het doel van het bestaan is het bereiken van het nirwana, dat zij opvatten als een volkomen onderdrukking en tot stilstand brengen van alle leven. Hun levensopvatting is moralistisch-ethisch en ascetisch en op uiteindelijke persoonlijke bevrijding gericht. In overeenstemming daarmee stellen zij tot ideaal het leven van de heilige, de arhat, bereikt door een ingewikkelde methode van innerlijke concentratie en meditatie.

Ten tweede werd te Pataliputra besloten tot missiewerk en werd de eerste stoot gegeven tot universele verspreiding door de bekering van Ceylon (Sri Lanka) dat steeds een van de voornaamste centra van boeddhisme is gebleven. Zelfs zond Asjoka gezanten naar de hellenistische vorsten van Bactrië en Sogdië.

Bronnen voor de geschiedenis van het Hinayana en de ontwikkeling van het hinayanistische denken zijn o.a. de Kathavatthu, Dipavamsa, Mahavamsa en Milindapanha in het Pali en in enige Sanskriet-, Tibetaanse en Chinese werken. Het boeddhisme in zijn Hinayanavorm bestaat nu nog hoofdzakelijk in Sri Lanka, Birma en Cambodja.

Mahayana
Ca. 100 n.C. had onder de Indoscythische vorst Kaniska (78-120) in Kashmir het vierde concilie plaats te Jalandhara of te Kundalavana. Rondom deze tijd neemt het zich reeds ongeveer een eeuw eerder aftekenende Mahayana duidelijker gestalte aan met een nieuwe, altruïstische, van de bhakti doordrongen moraal. Mahayana is een verzamelnaam voor verschillende richtingen en scholen in het latere boeddhisme, waarvan de kiemen echter reeds in het oorspronkelijke boeddhisme, mogelijk bij de Mahasanghika's, aanwezig waren. De naam dateert uit de 1ste eeuw v.C. en wordt uitsluitend in de Mahayanageschriften gebezigd. Men kan in het Mahayana de volgende punten aanstippen: 1. de historische Boeddha werd één in de rij van de vele uitstralingen van het goddelijke in de wereld; 2. het te voorschijn treden van bodhisattva's ('tot het boeddhaschap bestemden') die, bijna aan Boeddha gelijk, zich bekommeren om het welzijn van de stervelingen en door dezen worden aangeroepen; 3. verdringing van de gedachte aan nirwana door voorstellingen van hemel en hel. Hiermee echter bleef ook de onenigheid niet uit, waartegen reeds vroeg met matig succes algemene concilies zijn samengeroepen. Streven de volgelingen van het Hinayana eigen heil en verlossing na, de Mahayanavolgelingen prediken bovenal het universele heil, de universele verlossing van alle levende wezens. In hun kring ontstond een leer die de 'Volkomenheid der volmaakte Wijsheid', de Prajnaparamita, werd genoemd. Kernbegrip van deze leer was de sjunyata, lett.: 'het leegzijn', d.i. 'zonder attributen zijn'. Werd door de Sarvastivadins geleerd dat alle bestaanselementen - de dharma's - causaal verbonden en reëel zijn, in deze nieuwe leer werd de realiteit van deze elementen ontkend, juist omdat zij causaal verbonden zijn. Hun 'betrekkelijkheid' wordt nu vooropgesteld. Zij bestaan niet als absolute werkelijkheid, maar slechts als fenomeen. Absoluut is slechts de onafhankelijke, ondoorgrondelijke, onveranderlijke en monistisch opgevatte werkelijkheid, die niet in woorden te vatten is en alle verhoudingen te boven gaat. De logica wordt dan ook als geheel en al ontoereikend kenmiddel verworpen. Het 'Absolute Zijn' kan slechts in opperste extase ervaren worden en laat slechts een 'achteraf verkregen' kennis na. Deze leer werd door de wijsgeren Nagarjuna (3de eeuw n.C.) en Aryadeva in een vast systeem gegoten, nl. de leer van de Madhyamika's, dwz. de leer van het Middenpad, waarin op de grondslag van het universeel betrekkelijke zowel het extreme nihilisme als het extreme realisme werd verworpen. Het scherpe onderscheid tussen nirwana (absoluut zijn) en samsara (empirisch bestaan), tussen het 'Absolute' en het empirische, fenomenale bestaan, werd opgeheven. Nirvana is de wereld gezien 'sub specie aeternitatis'; de samsara slechts een andere vorm van het nirwana. De empirische wereld heeft waarde als terrein voor het beoefenen van universele liefde.

De opvatting omtrent Boeddha's leven als historische persoonlijkheid maakt plaats voor een docetische opvatting. Men onderscheidt drie Boeddha- 'lichamen': de Dharmakaya,  het eeuwige en transcendente kosmische lichaam, dat geïdentificeerd werd met het 'Absoluut Zijnde' en met de 'Volmaakte Wijsheid', tevens met de Leer of Dharma (de natuur van Boeddha, het wezen van zijn leer en de laatste realiteit zijn identiek); de Sambhogakaya, het lichaam van volmaakte 'Zaligheid', dat eigenlijk het vorig lichaam is in een meer persoonlijk voor de bodhisattva's waarneembaar aspect en dus onze westerse conceptie van 'God' benadert; en de Nirmanakaya,  het 'Transformatielichaam', d.i. de verschijningsvorm waarin de Boeddha hier op aarde werkt, tot zegen van de mensheid. Deze leer schijnt haar definitieve vorm gekregen te hebben bij de wijsgeer Asangga (eind 4de eeuw). Een uitgebreid ritueel ontstond. De twee voornaamste Madhyamikarichtingen waren de sekten van de Prasangika's, die een extreem standpunt innamen - een grote figuur was Chandrakirti, eind 6de eeuw - en van de Svatantrika's, die meer gematigd waren. Deze laatsten stelden tegenover de negatieve dialectiek van eerstgenoemden een positieve en aanvaardden tot op zekere hoogte logica als kenmiddel.

Zij gingen van het standpunt uit, dat het kennen van de waarheid en van de ware natuur van de dingen geschiedt door middel van het bewustzijn, zodat dit 'werkelijk' moest zijn. Immers, de 'werkelijkheid' kan slechts gekend worden door de werkelijkheid. Op grond hiervan ontwikkelden zij een volledig idealistisch stelsel, waarin alle phaenomena tot 'niets dan idee' gereduceerd werden. De buitenwereld en de innerlijke gedachtewereld bestaan niet als grootheden op zichzelf, maar hebben slechts waarde als verschijningsvorm van de idee. Alles existeert alleen in het bewustzijn. Ieder onderscheid tussen kenner en het gekende is in waarheid niet-bestaand. De dharma's, die in het eerste stadium van boeddhistisch denken een reëel karakter hadden, in het tweede een relatief karakter, verkregen in het derde stadium een idealistisch karakter. Deze wereld van de geestelijke verschijnselen is echter geen droomwereld. Haar mechanisme wordt verklaard door de hypothese van het 'Bewaarplaatsbewustzijn' (alayavijñana),  gevormd uit de opeenhoping van de sporen of indrukken van alle vroegere fenomenen. Het is een soort psychische voedingsbodem, waarop zich de indrukken als kiemen ontwikkelen en op elkaar inwerken om hunnerzijds nieuwe geestelijke fenomenen voort te brengen. Het is te vergelijken met een steeds stromende rivier waarvan de watermoleculen steeds vernieuwd worden. Deze hypothese verklaart ook de vergelding van daden volgens het karmanprincipe: de onderbewuste 'psychische stroom' stroomt nl. ook na de dood voort en brengt zo de samenhang tussen de verschillende existenties tot stand. De wereld zag men onder drie aspecten, nl. het absolute aspect, het betrekkelijke aspect en het ingebeelde aspect. Heilsweg, boeddhologie en cultus waren min of meer dezelfde als bij de Madhyamika's. Dit stelsel staat op naam van Asangga en Vasubandhu.

De bloeitijd van dit stelsel viel samen met de regeringsperiode van de Gupta's, toen India een hoogtepunt in zijn cultuurgeschiedenis bereikte. Deze twee grote richtingen met haar sekten vormen samen het Indische Mahayana-boeddhisme. Uit het Yogacarasysteem heeft zich een school van grote logici ontwikkeld, die het gehele Indische wijsgerige leven sindsdien beïnvloed hebben. De belangrijksten waren Dignaga (eind 5de eeuw) en Dharmakirti (begin 7de eeuw). Al deze schrijvers hebben een grote commentaarliteratuur achtergelaten, waarvan de Sanskrietoriginelen helaas veelal verloren zijn gegaan, maar waarvan nog vertalingen voorhanden zijn in het Tibetaans, Chinees, Mongools of Japans.

Het Mahayana-boeddhisme heeft zich over geheel Oost-Azië verspreid en heeft zich in China tijdelijk in een grote bloei mogen verheugen (zie ook Chinese godsdienst). In 552 n.C. kwam het via Korea (reeds in 372) naar Japan, waar het tot op heden een grote invloed op het geestesleven heeft uitgeoefend (zie voorts Japan en Korea). De studie van het boeddhisme wordt in Japan ook wetenschappelijk bedreven. Men heeft er vele boeddhistische bibliotheken en universiteiten, waar standaardwerken het licht zien. Doelbewust streefde men er, in verband met Panaziatische aspiraties, een renaissance van het boeddhisme na, niet alleen voor Japan, maar ook voor het grootste deel van Azië. De belangrijkste Japanse sekten zijn de Tendai, Shingon, Nitsjiren en Zen-sekten. Vooral de Amida- of Amitabha-cultus heeft veel gelovigen tot zich getrokken (zie Amida-boeddhisme). In de 7de eeuw werd het boeddhisme met veel succes gepropageerd in Tibet, waar het, versmolten met de inheemse religie, het lamaïsme vormde. Het bereikte ook de Indische Archipel, waar de overblijfselen van vele tempels en monumenten - het belangrijkste monument is de Borobdur op Java - er nu nog de sprekende getuigen van zijn.

Wat de geschiedenis van het boeddhisme in India zelf betreft zijn er zeer uitvoerige inlichtingen bewaard van Chinese pelgrims, die India in de loop van het eerste millennium n.C. bezochten: Fa-hien (399-413), Hiuan-Tsang (Yuan-chwang. Hsuen-tsang, 629-645), Yitsing (I-ching, 671-690). Hieruit blijkt dat reeds in vele sectoren verval was ingetreden, dat nog toenam door een nieuwe vorm van boeddhisme, het Vajrayanaboeddhisme (het 'Diamanten voertuig') geheten, waarin de oorspronkelijke zuiverheid plaats ging maken voor praktijken die veel gelijkenis vertonen met het hindoeïstische tantrisme en ten slotte voor de leer en de praktijken van het sjaktisme (reeds in de 8ste eeuw). De kiem van al deze afwijkingen lag in het Mahayana-boeddhisme zelf, dat, ofschoon het beweert langs een soort van apostolische overlevering aan te sluiten bij de prediking van de oorspronkelijke leer van Boeddha, zeer heterogene en aan het oorspronkelijke boeddhisme vreemde elementen bevat.

Het boeddhisme, dat in zijn ideale vorm eigenlijk slechts voor een kleine elite bestemd is, is in India nooit de enige of de overheersende verlossingsleer geweest. Het streefde ook niet naar die positie en liet zijn leke-aanhangers vrij volksgeloof te huldigen en aan brahmanistisch-hindoeïstische riten deel te nemen. Wanneer vorstengunst ontbrak, bleek nog duidelijker dat het niet het gehele terrein van het leven van de leke-aanhangers bestreek. Door zijn vele scholen en grote tolerantie vormde het geen eenheid. De opname van vele hindoeïstische elementen in het Mahayana leidde tot uitholling en vervaging. Het langst hield het stand in Bihar en Bengalen, onder de boeddhistische Paladynastie. De invallen van de islamieten, die in 1193 Bihar bezetten en vele boeddhistische kloosters verwoestten, betekenden de genadeslag. In Orissa leeft het op bescheiden schaal voort. Alle Indiase boeddhisten tezamen (inclusief vanuit Sri Lanka geïmmigreerden, ook bekeerden) maken nauwelijks het half miljoen vol.

MODERNE ONTWIKKELING
De kolonisatie van boeddhistische landen en de contacten met het Westen hebben binnen het boeddhisme ingrijpende veranderingen teweeggebracht. In de strijd voor onafhankelijkheid werd het boeddhisme, het culturele erfgoed, verbonden met het nationalisme dat veelal door marxistische en socialistische stromingen beïnvloed was. Dit had tot gevolg dat van het boeddhisme een duidelijk antwoord werd verwacht op vragen van sociale, economische en politieke aard. Hierdoor ontstond er in de boeddhistische wereld een herbezinning op de leer tegelijk met pogingen deze aan te passen.

De belangstelling van het Westen voor het boeddhisme, ontstaan vanuit missionering, politieke expansiedrang en wetenschap, hielp mee bij de bewustwording van de boeddhistische landen. Men kwam tot het oprichten van internationale boeddhistische organisaties, waarvan de belangrijkste zijn: de Maha Bodhi Society, opgericht in 1891, de Young Men's Buddhist Association, opgericht in 1898, en de World Fellowship of Buddhists (1950). Deze organisaties hebben tot doel: de eenheid in de boeddhistische wereld, een gezamenlijke boeddhistische stellingname, oprichten van boeddhistische studiecentra en universiteiten, onderling begrip, het zuiver bewaren van de boeddhistische leer en heilige plaatsen, het verbreiden van de boodschap van de Boeddha, die vrede en welvaart zal brengen in de wereld.

In de geschiedenis van Sri Lanka en Birma liggen de aanzetten tot de vernieuwingsbeweging. Hier is de theorie van het boeddhistische socialisme ontstaan, die politiek werd toegepast door U Nu in Birma en Sirimavo Bandaranaike in Sri Lanka. Zij wilden het boeddhisme als staatsgodsdienst en als ideologie van een socialistische staat. In beide landen is dit experiment mislukt, vnl. door te grote druk van de monniken en door conflicten met niet-boeddhistische minderheidsgroepen.

In Thailand verliep de overgang naar de moderne tijd met minder geweld. Ook hier ontstonden hervormingsbewegingen, zowel voor de leer als voor de monnikenorde. Men poogt het boeddhisme minder als staatsideologie te gaan beschouwen en vooral de invloed van de monniken, via het onderwijs, te verminderen om zo een scheiding van staat en religie te bewerkstelligen. Nationale minderheden wil men zo veel mogelijk assimileren, mede door bekering tot het boeddhisme.

Ook in Vietnam ontstonden (reeds rond 1930) hervormingsbewegingen, vele eveneens met een duidelijk politieke stellingname. Hoewel uiteengevallen in kleinere groepen hebben de boeddhisten zich zowel tegen de Franse overheersing als tegen de dictatuur van Ngo Dinh Diem met succes kunnen organiseren. De Vietnamese boeddhisten, die de laatste tijd meer steun krijgen van hun Singhalese geloofsgenoten, proberen naast zuivering en heroriëntering van de leer - een ontwikkeling die tevens heeft geleid tot het ontstaan van twee nieuwe syncretistische religies, de Cao Dai en de Hoa Hao - een sociale en politieke centrumpositie in te nemen in Vietnam.

Voor de Chinese inval in Tibet vluchtte in 1959 de Tibetaanse geestelijke en wereldlijke leider, de dalai lama, naar India. Met hem vluchtten nog ongeveer 80g000 Tibetanen, van wie het merendeel in India en de Himalaja-staten terechtkwam, en een kleinere groep (ca. 1000) in Europa (Zwitserland) en de Verenigde Staten. Zij doen veel moeite hun culturele en religieuze erfgoed te bewaren te midden van de sterk veranderde levensomstandigheden en ontvangen buitenlandse hulp bij het opzetten van ontwikkelingsprojecten en studiecentra. De dalai lama is sedert zijn vertrek uit Tibet sterk in de westerse publieke belangstelling komen te staan, o.a. door zijn vele reizen in westerse landen. De belangstelling voor het Tibetaanse boeddhisme in Europa en Noord-Amerika nam als gevolg daarvan sterk toe. Vooraanstaande Tibetaanse monniken kregen ook in het Westen volgelingen.

De literatuur van het boeddhisme is ondanks grote verliezen, o.a. door de ondergang van het boeddhisme in India, van enorme omvang. Zij valt uiteen in canonieke geschriften, die volgens de traditie de prediking en leer van Boeddha bevatten, en commentaren daarop, exegetische werken, oorspronkelijke, godsdienstige, historische en propagandistische geschriften, verhandelingen over ritueel, meditatie, iconografie, kloosters en heilige plaatsen. Zij is (en was) geschreven in Pali, Sanskriet, Chinees, Tibetaans, Japans en andere talen: veel werd vanuit de Indische talen vertaald.

Boeddha
(= de verlichte), naam waaronder de stichter van het boeddhisme,
Siddhartha Gautama (Pali: Siddhatta Gotama) (ca. 560 - ca. 480 v.C.), het meest bekend is geworden.

Hij stamde uit het adellijk geslacht van de Sakya's en noemde zichzelf later veelal Sakyamuni (Sjakjamoeni): de wijze uit het geslacht Sakya. Omdat Boeddha zelf geen geschriften heeft nagelaten, moet men voor zijn biografie een beroep doen op de Sanskriet-teksten van het Mahayana (vooral de Lalitavistara uit de 2de eeuw n.C.) en in mindere mate op de Pali-teksten van het Hinayana (zie boeddhisme). De historische feiten zijn echter zeer door legenden overwoekerd. Het leven van Gautama is het type van het boeddhaleven; bij iedere boeddha verloopt het volgens boeddhistische opvattingen vrijwel gelijk. Gautama's vader, Sjuddhodhana, was vorst van Kapilavastu in Magadha (Noordoost-Indië), zijn moeder, Maya, stierf volgens de overlevering zeven dagen na Siddhartha's geboorte. Hij kwam ter wereld in het woud Lumbini. Bij zijn geboorte droeg hij de 32 gunstige kentekenen (mahavyanjana) van een groot man. Op hetzelfde ogenblik werd ook zijn latere vrouw geboren. Van zijn jeugd is weinig bekend; slechts verdichtselen zijn overgeleverd. Zo zou hij op school zelfs zijn leermeesters in wijsheid overtroffen hebben. Hij huwde met Yasjodhara en had een zoon, die Rahula werd genoemd. Hij leidde tot zijn 29ste jaar een gelukkig leven aan het hof.

INZICHT ONDER DE VIJGENBOOM
Door het zien van een jammerlijke grijsaard, een ernstig zieke, een lijk en een bedelmonnik drongen de ellende, de waardeloosheid en de ijdelheid van het leven zich aan hem op en hij zocht zich vrij te maken van de ellende van het bestaan. Hij verliet 's nachts vrouw en kind en zocht als rondzwervend en bedelend asceet de ware vrijheid bij beroemde asceten, maar kon ook hier niet de gemoedsrust en de bevrijding uit de samsara (de eeuwige kringloop van de wedergeboorten) terugvinden, totdat hij eens op een dag, zittend onder een asvattha-(vijgen-)boom bij de rivier Nairanjana, tot het ware inzicht kwam: alle wensen afgestorven, het slechte ontvlucht. Ondanks de aanvallen van Mara, de personificatie van de dood, die de wereld en de samsara representeert, bereikte hij zulk een trap van meditatie, dat alles hem licht werd en hij de dwaling als oorzaak van alle leed en lijden vond. Sedertdien was hij de boeddha, de verlichte.

VERKONDIGING
Na een tijd van strijd en aarzeling of hij zijn nieuw inzicht voor zich zou behouden, dan wel of hij het zijn verblinde medeschepselen zou meedelen, trok hij, 36 jaar oud, de wereld in om het verlossend inzicht te verbreiden. Te Benares, in het dierenpark Rsipatana (Pali: Isipatana), hield hij zijn eerste prediking en zette het ëWiel der normí (Dharmacakra) in beweging. Ondanks bestrijding en tegenwerking kreeg hij al spoedig vele aanhangers. Onder hen waren de brahmanen Sjariputra, Maudgalyayana, zijn neef Ananda; lekenaanhangers en begunstigers waren o.a. de rijke koopman Anathapindika en de vorst Bimbisara van Magadha. Jaar in jaar uit trok Gautama door het land om zijn leer te verbreiden, zich enkel in de regentijd met enkele leerlingen afzonderend. Hij stierf aan de oever van een rivier in de nabijheid van Kusjinagara (Kusinara). Door de zorgen van zijn geliefde leerling Ananda en enkele andere discipelen werd zijn lijk verbrand. Zijn overblijfselen werden als relikwieën vereerd, in acht delen verdeeld en bewaard in stupa's.

Nadat men vele jaren in onzekerheid over Boeddha's bestaan heeft geleefd en men zelfs een tijdlang aan zijn bestaan heeft getwijfeld, kan het bovenstaande met vrij grote zekerheid in hoofdzaken als historisch vaststaand worden aangenomen.

 

Boeddhistisch klooster in Mongolië

Dit klooster in Oelan Bator, de hoofdstad van Mongolië was lange tijd het enige nog in gebruik zijnde lamïstische klooster in het land. De Lamïstische vorm van boeddhisme was tot 1929 de traditionele godsdienst van het land. Toen begonnen de communistische machthebbers de uitoefening van godsdienst aan banden te leggen. Sedert 1990 bestaat er weer vrijheid van godsdienst en zijn er weer kloosters geopend.
George Holton/Photo Researchers, Inc.

Bron:

Encyclopedie 2001 - Winkler Prins. © 1993-2000 Het Spectrum, Utrecht. Alle rechten voorbehouden.


Amida-boeddhisme of Amitabha-boeddhisme, vorm van het Mahayana-boeddhisme, vnl. in China en sedert de 12de eeuw in Japan. In plaats van de historische stelt het de hemelse Boeddha, Amitabha (in India en speciaal in China) of Amida (Japan), centraal.

Theravada-boeddhisme (Pali, = ëleer van de oudení), oorspronkelijk een van de scholen van het Hinayana-boeddhisme, nl. een orthodox-conservatieve richting, ontstond na het Concilie van Vaisali (Vaisjili), ca. 380 v.C., later ook aanduiding voor deze tak van het boeddhisme als geheel. De aanhangers van het Theravada-boeddhisme, Theravadins genoemd, beschouwen zich als de meest getrouwe navolgers van de zuivere leer van Boeddha en de rechtstreekse erfgenamen van de Sthaviravadins. Het Theravada-boeddhisme verspreidde zich vnl. in Sri Lanka, Birma, Thailand, Kambodja en Laos.

zen (Japanse uitspraak van Chinees tsj'an,  v. Sanskriet dhyana = meditatie), een vorm van boeddhisme die pretendeert de ware geest daarvan, bestaande in de ervaring van de door Boeddha verworven verlichting, door te geven. Het is afkerig van theorie, prediking en explicatie en hecht veel waarde aan mensenliefde. Lichamelijke en geestelijke discipline, verkregen door meditatie, worden toegepast als beste middel om de verlichting (satori) deelachtig te worden, dwz. om de transcendente wijsheid (prajna) uit het onderbewustzijn te wekken. De aanhanger wiens geest verlicht en bevrijd is, zal zonder vrees of bijbedoelingen, spontaan en in volstrekte zielenrust aan het gewone leven deelnemen. De Indische monnik Bodhidharma, die ca. 520 n.C. via Kanton in China zou zijn gekomen, wordt als eerste patriarch van de zenboeddhisten beschouwd. Na een geweldige groei en bloei in China kreeg de sekte in de 12de eeuw vaste voet in Japan. Enerzijds werd zen er de bezieler van de kunstenaar, anderzijds wees het de weg aan de samoerai en vormde het de basis voor de militaire geest van Japan.

sutra, Sanskriet-naam voor didactische traktaten, geredigeerd in een speciale (aan mnemotechnische eisen voldoende), beknopte prozastijl. In de boeddhistische literatuur zijn sutras leerredenen en dogmatische uiteenzettingen, vaak in dialoogvorm.

Abhidhamma (Pali) of Abhidharma (Sanskriet), verzameling van scholastische boeddhistische geschriften, die veelal in classificaties en definities een uitvoerige, analytische, dogmatische en meer abstracte en theoretische behandeling van de leer gaven die in de Suttas (Pali) of Sutras (Sanskriet) in meer populaire vorm uiteengezet is. Zij vormen het derde deel van de boeddhistische canon, het Abhidhammapitaka.

Amida-boeddhisme of Amitabha-boeddhisme, vorm van het Mahayana-boeddhisme, vnl. in China en sedert de 12de eeuw in Japan. In plaats van de historische stelt het de hemelse Boeddha, Amitabha (in India en speciaal in China) of Amida (Japan), centraal.

Ananda (6de of 5de eeuw v.C.), neef en meest geliefde leerling van Boeddha, is vooral bekend om zijn tussenkomst bij de meester voor het oprichten van een vrouwelijke orde. Hij stelde de eerste boeddhistische traktaten op.

Avadana, verzamelnaam in het Sanskriet (Pali: apadana) voor een reeks boeddhistische verhalen waarin de grote daden van Boeddha en van sommige volgelingen beschreven worden.

bhiksjoe (Sanskriet; in het Pali: bhikkhu), in India de naam van een religieus bedelaar. Ook buiten het boeddhisme duidde deze term reeds een brahmaan aan die het vierde levensstadium, nl. de volledige onthechting aan het normale leven in de maatschappij, bereikt had. Het woord kreeg echter de speciale betekenis van een boeddhistische bedelmonnik, die met kaalgeschoren hoofd, gehuld in een driedelig geelrood of bruin kleed, met niets anders dan een houten bedelnap, een scheermes, een staf en een gordel, al bedelend rondtrekt om het geloof te verkondigen, of zich terugtrekt in klooster of woud om te mediteren. Dank zij Ananda werden ook vrouwelijke, aan de monniken ondergeschikte, sekten opgericht (bhiksuni), die in Tibet en China zijn blijven voortleven.

bodhisattva, Sanskrietwoord, gangbaar in het Mahayana-boeddhisme, waar het een heilige aanduidt die zich voorbereidt op het verkrijgen van de volledige verlichting van het boeddhaschap, maar deze stap aeonenlang uitstelt, later zelfs vrijwillig afstand doet van het nirwana, om de mensheid te kunnen helpen. Iedereen kan bodhisattva worden, mits hij er zich in de loop van talloze existenties door verwerving en uitoefening van de volkomenheden op toelegt. Door de opeenstapeling van buitengewone verdiensten en door geweldige bovennatuurlijke kennis bezit een bodhisattva grote zegenbrengende macht en wordt als een god vereerd en te hulp geroepen. Tot de meest vereerde bodhisattva's behoren Manjusjri, Ksitigarbha en Avalokitesjvara.

bonze (v. Japans bonsÙ), in Japan gebruikelijke naam voor boeddhistische priesters. In West-Europa werd het woord bonze in de periode van de Verlichting tot een scheldwoord voor heerszuchtige, schijnheilige geestelijken. Later werd het een spottend gebruikte naam voor machtige partij- of vakverenigingsfunctionarissen.

dalai lama, de hoogste priester (lama) van de machtige sekte van de Gelukspa's (Geelmutsen) van het Tibetaans boeddhistische lamaïsme, wordt beschouwd als incarnatie van de als god vereerde bodhisattva Avalokitesjvara. De instelling van de dalai lama gaat terug op de hervorming van Tsjong-kha-pa, ca. 1400 n.C. De 5de dalai lama, ca. 1650, kreeg naast spirituele ook wereldlijke macht over een groot deel van Tibet, maakte de hoofdstad Lhasa tot zijn residentie en begon er de bouw van het kloosterpaleis Potala. Naast de dalai lama kent het lamaïsme een tweede opper-lama, de panchen rimpoche, zetelend in het klooster Ta-schi (vandaar Ta-schi of ook panchen-lama genoemd). De rivaliteit tussen beiden werd versterkt door binnen- en buitenlandse politieke tegenstellingen; daarbij steunde de dalai lama meer op India en Engeland, de panchen-lama meer op China.

Volgens het lamaïsme worden beiden als kind wedergeboren; na het overlijden van een dalai lama wordt dadelijk naar een nieuwe incarnatie van de bodhisattva gezocht, soms jarenlang. Tot de volwassenheid van de dalai lama voert een regentschap het bewind.
Na de verovering van Tibet door de Chinese Volksrepubliek week de huidige, 14de dalai lama, Tenzin Gyatso (Taktser, in de Chinese provincie Qinghai, 6 juni 1935; in 1940 geïnstalleerd) uit naar Noord-India (1959). De panchen-lama sloot zich bij de Chinese bezetters aan, maar desondanks verloor hij zijn positie. Hij overleed op 28 jan. 1989.
Vanuit India organiseert de dalai lama de zorg voor de Tibetaanse culturele traditie en zet hij zich als leider van een (door geen land erkende) regering in ballingschap in voor een onafhankelijk Tibet. Ondanks verscheidene delegatiebezoeken aan China bestaan er nog steeds onoverbrugbare tegenstellingen over de autonomiekwestie van Tibet en de toekomstige zetel van de dalai lama.
In 1989 ontving hij de Nobelprijs voor de vrede vanwege zijn constructieve en vooruitziende voorstellen voor de oplossing van internationale conflicten, mensenrechtenvraagstukken en milieuproblemen.

WERK: My land and my people. The autobiography of H.H. the dalai lama (1962, met D. Howarth); The buddhism of Tibet and the key of the middle way (Ned. vert.: Innerlijke vrede, over het Tibetaanse boeddhisme en Tibet, 1986); A human approach to world peace (1984).

Dhammapada (Sanskriet, = lett.: Pad van de leer), de naam van een bijzonder populaire, tot de boeddhistische canon (Sutta Pitaka) behorende bloemlezing spreuken van moraal en devotie, die geheel de geest van Boeddha's prediking ademt, ofschoon ze niet, zoals de traditie leert, van hem afkomstig is. De tijd van ontstaan van deze literair belangrijke verzameling is onzeker.

Dharma (Sanskriet = wet, leer, godsdienstige praktijk), religieus-filosofisch sleutelbegrip in het hindoeïsme, het boeddhisme en het jainisme.

 In het hindoeïsme is dharma de grondslag voor het gedrag van het individu en het fundament van de structuur van de menselijke gemeenschap. Reeds vroeg ontwikkelde zich een uitgebreide dharmaliteratuur, die de religieus-sociale plichten en gedragsregels behandelde, maar geleidelijk meer juridische stof incorporeerde.

 In het boeddhisme heeft het de betekenis van ëleerí, dwz. de universele waarheid voor allen en voor altijd, zoals geleerd door Boeddha. In het meervoud (dharmas) duidt het alle onderling samenhangende elementen aan die de waarneembare wereld vormen.

 In het jainisme heeft het, naast de hierboven genoemde morele aspecten, bovendien de betekenis van eeuwige substantiën.14

dhyana

dhyana (Sanskriet, = meditatie en contemplatie), in het boeddhisme en het hindoeïsme term voor een toestand waarin de ervaring van het bewustzijn in een homogene concentratie op één punt gericht is. Dhyana moet niet verward worden met samadhi (= volledige concentratie of identificatie; Duits: Versenkung),  waarin de mediterende geheel opgaat in het voorwerp van meditatie. Dhyana is voor bijna alle religieuze en wijsgerige stelsels van de hindoes en boeddhisten een hooggeschatte methode om de definitieve verlossing uit de wedergeboorten te verwerven.15

gebedsmolen

gebedsmolen, een toestel dat de lamaïstische boeddhisten van Tibet gebruiken om het voorgeschreven gebed duizenden malen te kunnen herhalen (zie ook lamaïsme). Men heeft gebedsmolens voor handgebruik, bestaande uit cilinders, omwikkeld met op papierstroken gedrukte gebeden. Grotere worden bijv. in tempels opgesteld. Het voorgeschreven gebed telt slechts zes lettergrepen: Om mani padme hum (O kleinood in de lotus, amen). De taal is Sanskriet.16

Gesar-epos

Gesar-epos, beroemd en in vele versies overgeleverd heldendicht van de boeddhisten van Centraal-Azië, in het bijzonder van de Mongolen en van de bewoners van Tibet. Het bezingt de heldendaden van Gesar-Chan, de tweede zoon van Indra, die op last van Boeddha naar de aarde gezonden werd om recht en gerechtigheid te handhaven. Vermoedelijk is de sage ontstaan in Tibet.17

Hinayana

Hinayana (= ëklein voertuigí of ëhet kleine, mindere padí), naam van een meer conservatieve en orthodoxe richting van het boeddhisme. De naam werd gegeven door de volgelingen van de Mahayana-richting, die hun wijze van godsdienstbeoefening superieur beschouwen aan die van de Hinayana.18

karman

karman of karma (Sanskriet, = daad, werking), een belangrijk wereldbeschouwelijk begrip van hindoeïsme, boeddhisme en jainisme. De leer van het karman hangt samen met de leer van de zielsverhuizing of reïncarnatie en wil dat het lot van de mensen afhangt van de daden die zij tijdens hun leven verrichten. Karman is de som van alle goede en slechte daden en gedachten tijdens het aardse bestaan. Al naar gelang daarvan zal men automatisch, na een verblijf in de hemel of in de hel, daarna op aarde in een hogere of lagere stand, of als hoger of lager dier worden wedergeboren (zie voorts boeddhisme).

 In de vorige eeuw werd de gedachte van het karman in het Westen door de theosofie en in navolging hiervan door de antroposofie (Rudolf Steiner) overgenomen. De wet van karman werkt volgens dit westerse denken niet volstrekt automatisch. Een mens kan zijn keuzes maken en derhalve dichter bij de bevrijding komen. In de tegenwoordige tijd zien velen in het Westen in de wet van karman de mogelijkheid die de mens geboden krijgt om te werken aan hetgeen hij in het verleden (vroegere levens) verkeerd deed.19

lama [religie]

lama [religie] (Tibetaans, eigenlijk bla-ma = leraar), in Tibet, Mongolië en China de naam van een boeddhistisch geestelijke; stemt als zodanig overeen met het Sanskriet goeroe (zie lamaïsme).20

lamaïsme

lamaïsme, de gewijzigde vorm van het boeddhisme in Tibet en Mongolië. Dit werd in Tibet voor de eerste maal verspreid door goeroe Padma-Sambhava uit Udyana, die in 747 door de vorst Khrisrong-lde-btsan ontboden werd. Door gebrek aan innerlijke discipline en door de weerstand van de inheemse Bon-religie verviel het boeddhisme echter vrij vlug. Van groot belang was dan ook de hervorming door Tsjong-kha-pa (Amdo, Tibet, 1357-1419). Deze was de stichter van de sekte van de Ge-lug-pa's of Geelmutsen, de ëdeugdzamení, tot op heden de belangrijkste sekte, die de eigenlijke ëstaatskerkí vormt. Nadat hij de verschillende boeddhistische scholen van Tibet had leren kennen, schiep hij dit leerstelsel, waarin o.a. een uitgebreide wereld van goede en kwade geesten, die nauwkeurige verering vragen, het middelpunt uitmaakt. Tevens versterkte hij de discipline, voerde het celibaat weer in en verplichtte zijn volgelingen het gele kleed te dragen. De voornaamste zetel van zijn leer werd het door hem in 1409 gestichte klooster Galdan bij Lhasa. Terwijl volgens de gewoonten van het oude boeddhisme het bekleden van geestelijke bedieningen grotendeels afhankelijk was van het geestelijk aanzien en van het aantal dienstjaren van de respectieve personen, was het sedert de Mongoolse heerschappij, vooral nadat Koebilai Chan het boeddhisme omhelsd had, gewoonte geworden de opperbestuurder van het Sakia-klooster tot hoofd van de geestelijkheid en tevens tot heerser van Tibet te benoemen, waarbij dit ambt in de regel van de oom op de neef overging. De abten van het Sakia-klooster behielden echter deze waardigheid alleen onder de Juan-dynastie; ten tijde van de Ming-dynastie veranderden de omstandigheden, zodat in 1373 vier en een mensenleeftijd later acht lama's met de koninklijke waardigheid werden bekleed.

 Als een tegenhanger van deze hiërarchische erfopvolging vormden twee leerlingen van Tsong-kha-pa een oorspronkelijk stelsel, evenmin in het oude boeddhisme te vinden. Volgens de uitspraken van de oude leer bestonden er zestien plaatsvervangers (sthafira; in het Tibetaans: naitan), belast met de taak om te blijven leren en de wacht te houden over de verspreiding en bewaring van de leer. De Chinezen vermeerderden het aantal tot 500. Volgens de leer van de Geelmutsen wordt die waardigheid hoofdzakelijk toegekend aan de bodhisattvaAvalokitesjvara, die niet eerder boeddha worden en zich in het nirwana oplossen kan, voordat hij de gehele mensheid door de leer van boeddha verlost heeft van het lijden van de wedergeboorte. Hiertoe wordt hij voortdurend opnieuw geboren en deze incarnatie van de Avalokitesjvara voert de titel dalai lama (Tibetaans: Gyalvarin-po-tche). Na het overlijden van de dalai lama wordt als zijn opvolger een kind gezocht waarvan men op grond van geboortedatum, lichaamskenmerken, gedragingen, wonderen, enz. aanneemt dat het een nieuwe incarnatie is. Als eerste dalai lama vermelden de Tibetaanse bronnen dGe-'dun-grub-pa. De voornaamste was de vijfde, Ngag-dbang bLobzang (1617-1682), die naast de geestelijke jurisdictie ook de wereldlijke macht over een groot deel van Tibet verkreeg. Hij begon de bouw van de Potala, het beroemde paleis van de dalai lama te Lhasa. Naast de dalai lama staat de panchen rimpoche, sedert 1663 in het Ta-schi-klooster gevestigd; deze wordt beschouwd als een incarnatie van een Dhjani-boeddha in het hedendaagse tijdperk. Op deze beide hoogste waardigheidsbekleders volgen de tshutuktu in rang; de bekendste zijn die van Oerga (Oelan Bator) en Peking. Daarop volgen de gewone geestelijken, de lama's.

 Het lamaïsme wordt gekenmerkt door een uitgebreid monnikenwezen met veel kloosters in Tibet, Mongolië en China. Naast de Ge-lug-pa-sekte kent men nog andere, zeer oude sekten, waarvan de voornaamste de Kargyud-pa-sekte en de Saskya-pa-sekte zijn.

 Na de Chinese annexatie van Tibet (1951) is de invloed van het lamaïsme in Tibet en Mongolië sterk teruggedrongen. Sedert de tweede helft van de jaren zeventig zijn zowel in Mongolië als in Tibet weer kloosters en tempels heropend. Het lamaïsme is nog steeds de heersende godsdienst in het district Ladakh, in India en in de landen Sikkim en Bhutan.21

Mahayana

Mahayana (Sanskriet, = groot voertuig of grote carriËre), vorm van boeddhisme, omstreeks het begin van onze jaartelling in Noordwest-India ontstaan, tegenover het Hinayana (= klein voertuig). Het verbreidde zich over Nepal, Tibet, Mongolië, China, Japan en de Indische archipel, daarbij vele lokale (vaak magische) elementen opnemend die aan het oorspronkelijke boeddhisme vreemd waren.22

mudra's

mudra's, in boeddhistisch en hindoeïstisch ritueel de vele hand- en vingerhoudingen, elk met eigen symbolische betekenis. Ze spelen ook een grote rol in de Indische dansen en de boeddhistische sculptuur.23

pagode

pagode (via Port. v. Hind.-Sanskriet dagoba),  door de Portugezen in de 16de eeuw in Europa ingevoerde benaming voor een in Oost-Azië voorkomend, torenachtig boeddhistisch tempelgebouw, een variant van de Indische stupa. Pagodes hebben drie tot dertien, vaak zeven verdiepingen, ieder met een afdak. Kenmerkend zijn deze opzij uitstekende, dikwijls naar boven omgebogen daken, die zich naar boven toe verjongen (smaller worden). De oudste, Chinese en Koreaanse pagodes (6de-7de eeuw) waren van hout en stonden model voor de Japanse pagode (to), die altijd van hout is, in tegenstelling tot de Chinese pagodes (tía) uit later eeuwen: dit zijn natuur- of bakstenen bouwwerken op polygonaal, soms rond grondplan, waarbij als materiaal ook wel brons of ijzer is toegepast. Tot de oudste nog bestaande voorbeelden behoort de pagode van het HÙrioedji-complex bij Nara, Japan (begin 7de eeuw), vijf verdiepingen hoog en opgetrokken op een stenen soubasement. Befaamd werd de pagode van Nanking, achtkantig, 84 24

Pagodes in Pagan in Birma

De eens bloeiende stad Pagan bezit duizenden pagodes, die voor het merendeel gebouwd zijn tussen 1044 en 1287, het jaar waarin Koebilai Chan de stad veroverde en een einde maakte aan welvaart. Op de afbeelding de pagodes Ananda (midden) en Thatbyinnyu (rechts), in het thans verlaten gebied van Pagan.

George Holton/Photo Researchers, Inc.25

Tijgerheuvel-pagode, Suzhou

In China, Korea en Japan werden pagodes gebouwd in de vorm van hoge torens die bestaan uit verschillende op elkaar geplaatste etages met elk vaak een gedetailleerd afdak. De Tijgerheuvel-pagode in Suzhou, China, stamt uit de 10de eeuw en is 47,5 m hoog.

Mike Yamashita/Woodfin Camp and Associates, Inc.26

Pali

Pali, benaming voor de taal waarin een deel van de geschriften van de boeddhisten van de Hinayana-richting is geschreven. Het Pali is verwant met het Vedisch.27

samsara

samsara, in de Indische heilsleren en in de Indische wijsbegeerte in het algemeen term ter aanduiding van ëhet medestromen in de stroom van het wereldgebeurení, de kringloop van de voortdurende existenties, het door het karman bepaalde bestaan in deze wereld. De verlossing daaruit is het laatste en voornaamste doel van het boeddhisme, het Jainisme en de hindoeïstische godsdiensten.28

stupa

stupa, ook gespeld stoepa (Singalese benaming: dagob, dagoba of dagaba, v. Sanskriet dhatugarbha [v. dhatu = relikwieënkastje, garbha = ei]), in de boeddhistische kunst een massief, halfkogelvormig stenen bouwwerk, omgeven door een vierkant hekwerk van steen en bekroond met één of meer stenen parasols als teken van vorstelijke waardigheid. De stupa, aanvankelijk alleen bestemd als bewaarplaats van de as van Boeddha, die volgens de legende over de gehele boeddhistische wereld verspreid zou zijn, ontwikkelde zich langzamerhand tot bewaarplaats van relikwieën van Boeddha en zijn leerlingen; later werden ook stupa's opgericht ter herinnering aan gedenkwaardige gebeurtenissen in de geschiedenis van het boeddhisme; zij werden aldus tot objecten van verering in zichzelf. Om het bouwwerk loopt gewoonlijk een processiepad (pradakshinapatha), aan de buitenzijde afgesloten door een hekwerk met toegangspoorten (torana's), beide rijk versierd met beeldhouwwerk. Alle onderdelen hebben een symbolische betekenis. Vooral in opdracht van koning Asjoka (3de eeuw v.C.) werden in India vele stupa's opgericht; vanuit India verbreidde deze bouwvorm zich (in gewijzigde vorm) over geheel Achter-Indië en China. Bekend zijn de stupa's van Sanchi, Bharhut, Sarnath, Mathura en Amaravati (alle in India), die van Anuradhapura in Sri Lanka en de Borobdur op Java.29

sutra

sutra, Sanskriet-naam voor didactische traktaten, geredigeerd in een speciale (aan mnemotechnische eisen voldoende), beknopte prozastijl. In de boeddhistische literatuur zijn sutras leerredenen en dogmatische uiteenzettingen, vaak in dialoogvorm.30

Tipitaka

Tipitaka (Sanskriet: Tripitaka),  een uit drie delen ( ëkorvení) bestaande, in het Pali geschreven boeddhistische canon, gevormd door de heilige schriften van de boeddhisten te Ceylon, Birma, Siam en Assam. In de oudste delen ervan vindt men waarschijnlijk een weergave van de gesproken woorden en leringen van Boeddha.31

tja-no-joe

tja-no-joe of cha-no-yu (Jap., = lett.: warm water voor de thee), de Japanse theeceremonie, ook wel tjadÙ of chadÙ (de weg van de thee) genoemd. In 729 werd door boeddhistische monniken voor het eerst thee uit China naar Japan gebracht; pas begin 9de eeuw echter werd de theecultuur op bescheiden schaal beoefend. Met de ontwikkeling van het tauïstisch-boeddhistische zen in Japan begon de gewoonte van het theedrinken steeds meer in zwang te komen en in de tweede helft van de 14de eeuw ontstond een echte ëtheeritusí. Op bevel van de sjogoen Josjimasa stelden de zenpriester SjoekÙ (1423-1502) en de schilder NÙami (1397-1471) de regels voor de theeceremonie vast. De grootste theemeester (tjadjin) van Japan was Sen-no-Rikioe (1521-1591), op wie alle moderne theescholen teruggaan. Volgens hem waren de belangrijkste doeleinden van de tja-no-joe: a. het eigen hart standvastig maken en op de juiste wijze optreden tegenover de medemens (kÈi = eerbied); b. het scheppen van harmonie (wa) met anderen en de omgeving; c. de zuivering van het hart door de inwerking van de reinheid en schoonheid van de omgeving (sÈi = reinheid); d. het bereiken van het geestelijk evenwicht noodzakelijk voor de verlichting (djakoe = rust). Alle voorwerpen in gebruik bij de ceremonie, die onder ideale omstandigheden gehouden wordt in een speciaal huisje, de tjasjitsoe (theekamer; 2,70 m in het vierkant), zijn van grote eenvoud en schoonheid en soms van een eerbiedwaardige ouderdom. Alle bewegingen bij het betreden van het vertrek en het bereiden, serveren en drinken van de thee zijn voorgeschreven. De deelnemer bevrijdt zich van de storende invloeden van alledag, brengt zijn geest in evenwicht en streeft naar eenwording met de eigen Boeddha-natuur (het Absolute in zichzelf).32

yoga

yoga (Sanskriet, = lett.: methodische inspanning), de gemeenschappelijke methode waarin de grote Indische wijsgerige en godsdienstige systemen, zoals de samkhya, de vedanta, het boeddhisme en het tantrisme, die alle de uiteindelijke geestelijke bevrijding van de mens ten doel hebben, hun praktische toepassing vinden.

 De yoga is een synthese van mystiek en ascese. Het is het streven om door lichamelijke afstervings- en geestelijke concentratiemethoden tot hogere bewustzijnstoestanden te geraken, en uiteindelijk de ëunio mysticaí te bereiken en daarmee de verlossing uit de kringloop der wedergeboorten. Het klassieke standaardwerk over yoga is het Yogasutra van Patanjali (vermoedelijk 5de eeuw n.C.), die het niveau van de yogatechniek verhoogde en, hoewel hij vooral de praktijk behandelde, daaraan een metafysische grondslag gaf. De yoga, die zich theoretisch sterk op de samkhya oriënteerde, werd nu een eigen ëfilosofische richtingí, een darsjana.

 De praktijk bestaat uit een cursus in acht geledingen (anga's),  hoofdzakelijk een strenge psychische training. De acht geledingen zijn achtereenvolgens:

 1. yama (bedwang): een aantal regels voor goed gedrag, o.a. de ahimsa, niet schaden van levende wezens, niet liegen, enz.;

 2. niyama: observanties als reinheid, studie, ascese, enz.;

 3. asana: bepaalde lichaamshoudingen die de geestelijke concentratie begunstigen;

 4. pranayama: de regeling van de ademhaling;

 5. pratyahara: het ëterugtrekkení van de zinnen van de objecten, wat moet leiden tot volledige beheersing van de organen;

 6. dharana: het concentreren van het denken op een bepaald punt; daaruit vloeit

 7. de dhyana, ëmeditatieí, voort, die ten slotte uitmondt in

 8. de samadhi,  de volledige concentratie en identificatie met het doel.

 In het boeddhisme is yoga een zeer belangrijke factor. De Boeddha wordt vaak de Mahayogi, de grote Yogi, genoemd. Het Mahayana leert een opklimmende reeks van meditaties en contemplaties, die de samadhi, de mystieke, visionaire extase, waarin men het nirwana kan erkennen, ten doel hebben. Naast deze klassieke (raja) yoga ontwikkelde zich de hatha yoga, die, op een speciale mystiek-fysiologische theorie gebaseerd, leert een goddelijke kracht ( ëslangekrachtí: kundalini) in het lichaam te wekken en te laten opstijgen en zo de verlossing te realiseren. Deze methode vereist een volstrekte controle van alle automatisch verlopende lichaamsprocessen.

 In minder extreme vormen wordt yoga beoefend - sinds de jaren vijftig, toen de belangstelling voor oosterse meditatietechnieken in het Westen ontstond, ook buiten India - als bevorderlijk voor de gezondheid zonder religieuze bedoelingen. Vaak gaat het daarbij om ontspanningsoefeningen uit de hatha yoga, die als heilzaam worden ervaren bij door een jachtig leven opgebouwde spanningen. De religieuze aspecten van yoga vormen in de sinds de in de jaren zeventig ontstane dialoog tussen christelijke theologie en indologie een belangrijk thema.33

zen
(Japanse uitspraak van Chinees
tsj'an,  v. Sanskriet dhyana = meditatie), een vorm van boeddhisme die pretendeert de ware geest daarvan, bestaande in de ervaring van de door Boeddha verworven verlichting, door te geven. Het is afkerig van theorie, prediking en explicatie en hecht veel waarde aan mensenliefde. Lichamelijke en geestelijke discipline, verkregen door meditatie, worden toegepast als beste middel om de verlichting (satori) deelachtig te worden, dwz. om de transcendente wijsheid (prajna) uit het onderbewustzijn te wekken. De aanhanger wiens geest verlicht en bevrijd is, zal zonder vrees of bijbedoelingen, spontaan en in volstrekte zielenrust aan het gewone leven deelnemen. De Indische monnik Bodhidharma, die ca. 520 n.C. via Kanton in China zou zijn gekomen, wordt als eerste patriarch van de zenboeddhisten beschouwd. Na een geweldige groei en bloei in China kreeg de sekte in de 12de eeuw vaste voet in Japan. Enerzijds werd zen er de bezieler van de kunstenaar, anderzijds wees het de weg aan de samoerai en vormde het de basis voor de militaire geest van Japan.

Invloed van zen op de beeldende kunst van het Verre Oosten blijkt het eerst in China, waar op het eind van de Soeng-dynastie (960-1279) het toen opkomende tsjían een nieuwe stijl mede deed ontstaan, gekenmerkt door een intuïtieve houding van de kunstenaar die snel, zonder overleg en in ongeremde spontaniteit ging werken (zie ook Chinese beeldende kunst en architectuur). Tot de 17de eeuw bleef de ëstijl van de lege ruimteí in China - verstard - in zwang. De beide belangrijkste tsjían-schilders zijn Moe Tsíji en Liang Kíai (beiden 13de eeuw). Vanuit China kwam het tsjían in Japan, waar het m.n. in de Moeromatji- of Asjikaga-periode (1336-1573) het culturele leven beheerste: de theeceremonie (zie tja-no-joe) ontstond, toneel () en dichtvormen (haiku) in zen-geest ontwikkelden zich en in de schilderkunst werd de monochrome, spontane stijl van de Zuidelijke Soeng-school overgenomen; deze kunst wordt zenga genoemd (zie voorts Japanse architectuur en beeldende kunst). De grootste zen-schilder was Sesshu (1420-1506); een van zijn beide stijlen wordt so of habokoe (lett.: neergeworpen inkt) genoemd. Voorts zijn te noemen: Foegai (1568-1654), Takoean (1573-1645), Hakoein (1685-1768), Soeio (1716-1789) en Sengai (1750-1837).

 Het zenboeddhisme heeft evenals yoga en in het algemeen het gehele denken van het Verre Oosten, na de Tweede Wereldoorlog veel verbreiding gevonden in de Verenigde Staten (in de literatuur bijv. bij de beat generation) en vandaar in de overige westerse wereld. Met name een aantal experimentele kunstenaars (vooral schilders, o.a. Mark Tobey) voelden zich ertoe aangetrokken. In zekere zin heeft zen invloed uitgeoefend op het abstracte expressionisme. Op muziekgebied ontstond een experimentele school die, op basis van zen-denkbeelden, klanken een ëontologischeí kwaliteit toekent, welke door componist of bewerker alleen geweld kan worden aangedaan; zo kwam deze in de jaren vijftig in Europa invloedrijke school tot integratie van het toeval in compositie en uitvoeringspraktijk.34


Bronnen

1.   Amida-boeddhisme EncartaÆ - Encyclopedie 2001 - Winkler Prins. © 1993-2000 Microsoft Corporation/Elsevier. Alle rechten voorbehouden.