|
Geschiedenis |
|
Zie ook: De
geschiedenis van: |
|
Unie van Utrecht |
Hieronder volgt de bewerking van een werkstuk dat ik in juni 1992 maakte voor het vak Geschiedenis van het Staatsrecht aan de Universiteit Leiden. Inhoudelijk is de tekst gelijk gebleven, maar de opmaak is geschikt gemaakt voor het internet en voorzien van hyperlinks.
v Hoofdstuk 2 ‑ Het begrip
grondwet
v Hoofdstuk 3 ‑ De Unie van Utrecht
v Hoofdstuk 4 – De Unie van
Utrecht: een grondwet?
v Hoofdstuk 5 ‑ Slotopmerkingen
Tekstkaders:
Kader 1 ‑ Landvoogden over de Nederlanden tijdens Filips II
Kader 2
– Hoofdlijnen van de Pacificatie van Gent
Kader 3 –
Hoofdlijnen van de Unie van Atrecht
Wie wel eens een rijksdaalder uit het jaar 1979 wat nader
bekeken heeft zal opgemerkt hebben dat deze in plaats van het (in 1979 nog
gebruikelijke) rijkswapen een tekst vertoont, namelijk: 1579 · Unie van
Utrecht · Grondslag van de Nederlandse Staat. Over deze
“grondslag van de Nederlandse staat”, de Unie van Utrecht derhalve, handelt dit
werkstuk. Getracht wordt om de Unie te plaatsen in de geschiedenis van ons
land. Centraal staat daarbij de vraag of de Unie van Utrecht betiteld kan
worden als een grondwet.
Alvorens deze vraag beantwoord kan worden moeten eerst twee
subvragen beantwoord worden, namelijk:
1.
de vraag wat precies onder een grondwet dient te
worden verstaan; en
2.
de vraag wat Unie van Utrecht eigenlijk precies
inhield.
Eerstgenoemde subvraag komt ter sprake in Hoofdstuk II.
De tweede subvraag komt aan de orde in Hoofdstuk III.
In de eerste paragraaf van dit hoofdstuk wordt de voorgeschiedenis van de Unie
van Utrecht verhaald; daarbij wordt onder meer ingegaan op het ontstaan van ons
land. De tweede paragraaf is gewijd aan de inhoud van de Unie. In de derde
paragraaf ten slotte wordt in het kort geschetst hoe de Unie in de praktijk
werkte.
In Hoofdstuk IV worden de uitkomsten van de twee
voorgaande hoofdstukken naast elkaar gelegd om aldus te komen tot een
beantwoording van de hoofdvraag (namelijk of de Unie van Utrecht als een
grondwet kan worden beschouwd).
Tot besluit volgen in Hoofdstuk V enkele slotopmerkingen.
Om te kunnen nagaan of iets een grondwet is moet men
uiteraard goed voor ogen hebben wat daaronder moet worden verstaan. In dit
hoofdstukje worden daarom enkele definities van het begrip grondwet gegeven.
v Fockema
Andreæ definieert de term grondwet als “een wet of wetsregeling
die de grondslag vormt van enige instelling en in bijzonderheden door regels
van andere aard is uitgewerkt, inzake een wet waarin de grondbeginselen van de
Regering van een staat vervat zijn”. [Noot: Zie S.J. Fockema Andreae: Fockema Andreae’s
Rechtsgeleerd Handwoordenboek [bewerkt door N.E. Algra, en
H.R.W. Gokkel], Alphen aan den Rijn 1977.] Ik vermoed dat
dit een standaarddefinitie is, want ik vond deze zelfde definitie eveneens in
mijn woordenboek en in een encyclopedie.
v Van
Caenegem omschrijft de term grondwet als “een geschreven hogere
beginselenwet waarin de fundamenten van de staatsinrichting ‑ i.v.m.
de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht ‑ worden
neergelegd en de vrijheden van de onderdanen tegenover de staatsmacht gedefinieerd,
en dit op een duurzamer manier dan in gewone wetten pleegt te geschieden”. [Noot: Zie R.C. van Caenegem:
Geschiedkundige Inleiding tot het Recht, Deel II. Publiekrecht,
Brussel 1988, nr. 84.]
v Koopmans
maakt onderscheid tussen de begrippen “grondwet” en “constitutie”. Onder
“constitutie” verstaat hij: “de rechtsregels die de gezagsfunctie organiseren
en er de werkingssfeer van afpalen”. [Noot: Zie T. Koopmans: Compendium van het
staatsrecht [bewerkt door J.E. Goldschmidt, A.W. Heringa en
R.E. de Winter], Deventer 1987, nr. 8.] Voor zover deze
regels zijn neergelegd in één basiswet is volgens hem sprake van een grondwet. [Noot: Idem.] De
grondwet vormt dus een onderdeel van het wijdere begrip “constitutie”.
Tot zover enkele omschrijvingen over het begrip grondwet.
Uiteraard kan men over grondwetten nog heel wat meer schrijven, maar in het
kader van dit werkstuk (waarin het primair gaat om de Unie van Utrecht) meen ik
met het bovenstaande te kunnen volstaan.
De sluiting van de Unie van Utrecht staat uiteraard niet op
zich zelf. Zij vormt een onderdeel van een hele reeks van gebeurtenissen. Om de
Unie beter te kunnen doorgronden lijkt het me noodzakelijk om die
gebeurtenissen hier aan de orde te brengen. In dit hoofdstuk wordt eerst
behandeld wat aan het sluiten van de Unie vooraf ging. Vervolgens wordt op de
inhoud van de Unie zelf ingegaan. Ten slotte wordt aandacht besteed aan het
functioneren van de Unie in de praktijk.
Deze paragraaf begint met een korte schets van de
staatkundige geschiedenis van de gewesten die de Unie van Utrecht sloten. Deze
gewesten waren: Gelderland, Holland, Zeeland, Utrecht en de Groningse Ommelanden.
Later voegden zich bij hen ook enkele steden en de gewesten Drenthe en
Overijssel. Uiteindelijk besloeg het gebied van de Unie dus de gehele
Noordelijke Nederlanden (ongeveer het huidige Nederland).
De Noord-Nederlandse gewesten kwamen in 1579 niet voor het
eerst bij elkaar. In de twee eeuwen daarvóór was er al een zekere mate van
samenhang ontstaan. Deze samenhang is begonnen onder de Bourgondiërs.
In het jaar 1363 schonk de Franse koning Jan II (bijgenaamd
“de Goede”) aan zijn jongste zoon, Filips de Stoute, een hertogdom in het
oosten van Frankrijk, namelijk Bourgondië. De hertogen van Bourgondië wisten in
de loop der tijd, onder meer door het sluiten van “tactische” huwelijken, hun
gebied sterk uit te breiden. De belangrijkste uitbreidingen betroffen de
Nederlandse gewesten. (Overigens nog niet alle Nederlandse gewesten; dat was
pas het geval onder Karel V.)
Op verzoek van Filips van Bourgondië kwamen in 1430 voor de
eerste maal de Staten-Generaal bijeen. Dit was een vergadering van
vertegenwoordigers van de Staten-colleges in de verschillende gewesten. Zij
mochten beslissen over de algemene beden. Voorts werden zij geraadpleegd over
zaken die alle gewesten aangingen. [Noot: Zie onder meer A.M. Elias,
H.W. van Soest en Chr.H. Stokman-Prins: Syllabus van de Geschiedenis
van de Nederlandse Staatsinrichting tot 1813, Vakgroep rechtshistorische vakken
Faculteit der rechtsgeleerdheid Leiden, januari 1990, nr. 14.]
In 1477 verloor Maria van
Bourgondië het gebied waar het allemaal mee begonnen was, namelijk
Bourgondië (en wel aan koning
Lodewijk XI van Frankrijk). In dat zelfde jaar trouwde zij echter met Maximiliaan van Habsburg; en deze
Maximiliaan was niet alleen keizer van het Duitse Rijk, maar tevens hertog van
Oostenrijk. De twee echtelieden beheersten aldus een tamelijk groot gebied. Hun
zoon, Filips de Schone, huwde op zijn
beurt met Johanna, de dochter van Ferdinand van Aragon en Isabella van Castilië (met
andere woorden: van de heersers van Spanje). Filips
de Schone overleed reeds op jonge leeftijd. En zo kwam alles vrij snel in
handen van zijn zoon, Karel V. Deze
kreeg dus de heerschappij over Spanje, de Nederlanden en Oostenrijk. Bovendien
verwierf hij na de dood van zijn grootvader de Duitse keizerstitel.
Karel V wilde in
zijn rijk meer eenheid scheppen. Dit blijkt onder meer uit het feit dat hij de
Nederlanden in 1512 samenvoegde in de zogenaamde “Bourgondische Kreits”.
Overigens werd deze reeds in 1521 opgeheven. In 1543 kwamen de Nederlanden (nu
met Franche-Comté en Charolais) echter opnieuw in een Bourgondische Kreits
samen. [Noot:
Zie onder meer A.M. Elias, H.W. van Soest en
Chr.H. Stokman-Prins, t.a.p. nr. 18.]
Het streven van Karel V
naar eenheid werd in belangrijke mate belemmerd door de opkomst van het
protestantse geloof; hierdoor was er immers geen geloofseenheid meer. Bij de
Godsdienstvrede van Augsburg (1555) moest Karel V
zich hierbij neerleggen. Een jaar later trad hij af. De Oostenrijken en de
keizerstitel deed hij daarbij over aan zijn broer Ferdinand. De belangrijkste delen van
zijn rijk, Spanje en de Nederlanden, gaf hij echter in handen van zijn zoon Filips II.
We zoomen nu in op de regeringsperiode van deze Filips II; het is immers in deze tijd dat de Unie van Utrecht werd gesloten.
Filips II was
in de Nederlanden niet geliefd. Dit had verschillende oorzaken:
v In
de eerste plaats was er het feit dat hij, evenals zijn vader, streefde naar
centralisatie. Dit streven ging uiteraard ten koste van de geliefde privilegiën.
v In
de tweede plaats kan genoemd worden het punt van de godsdienst. Filips II trad meedogenloos op tegen
het protestantse geloof, dat hij als een ketterij beschouwde, waartegen het
“ware” geloof beschermd moest worden. Zo werd in 1566 de “Raad van Beroerten”
(beter bekend onder de veelzeggende naam Bloedraad) ingesteld, met name om de
beeldenstormers (Protestanten die in katholieke kerken beelden hadden
neergehaald [Noot: Zie over de beeldenstorm onder meer W. Velema
(samenstelling), J.T.L.M. van Bree [et al.] (teksten), en P. Bataille
[et al.] (beeldresearch): Spectrum atlas van historische gebeurtenissen van de
Lage Landen, Utrecht/Antwerpen 1985, blz. 36-37 (“Beeldenstorm in Utrecht”).])
en de hageprekers (Protestantse prekers die op het open veld predikten) te
bestraffen. Niet alleen deelde deze raad hardvochtige straffen uit, bovendien
was haar rechtspraak in strijd met alle privilegiën. [Noot: Zie
R. Fruin en H.T. Colenbrander: Geschiedenis der staatsinstellingen in
Nederland tot den Val der Republiek [ingeleid door Prof. dr. I. Schöffer],
’s-Gravenhage 1922 [reprint 1980], blz. 155-156.]
v Als
derde punt noem ik de belastingen. Alva heeft verwoede pogingen gedaan om de
gehate “Tiende Penning” ingevoerd te krijgen. [Noot: Zie
W. Velema [et al.], t.a.p. blz. 38-39 (“Alva en de Tiende Penning”).]
Ook dit werkte uiteraard de populariteit van Filips II niet in de hand. Overigens
beweerde Filips II later dat hij
de Tiende Penning zelf nooit had gewild. [Noot:
Zie R. Fruin en H.T. Colenbrander, t.a.p. blz. 158.]
Men kan zich echter afvragen of hij hiermee de waarheid sprak.
Door al deze punten is het niet verwonderlijk
dat men in de Nederlanden tegen hem in verzet kwam. Dit verzet uitte zich op
vele manieren. Ik volsta hier met het noemen van de belangrijkste:
v In
1566 bood de lage adel aan Margaretha van Parma een smeekschrift aan, waarin
werd aangedrongen op verzachting van de plakkaten tegen de “ketters”. [Noot:
Zie A. Algra en H. Algra: Dispereert niet ‑ Twintig
eeuwen historie van de Nederlanden, Deel 1, Franeker 1987,
blz. 311-312.]
v In
dat zelfde jaar vond de Beeldenstorm plaats, waarbij protestanten zich wierpen
op de vele beelden in de katholieke kerken.
v In
1568 viel Willem van Oranje [Noot:
Willem van Oranje (1533-1584) bezat in de Nederlanden verschillende
heerlijkheden. Zie onder meer A. Algra en H. Algra, t.a.p.
blz. 300 e.v.], die zich niet kon verenigen met de
opvattingen van Alva, op verschillende plaatsen (onder meer bij Heiligerlee) de
Nederlanden binnen; hij werd echter op alle punten verslagen. [Noot:
Zie S. Groenveld, H.L.Ph. Leeuwenberg, N. Mout en
W.M. Zappey: De kogel door de kerk? De Opstand in de Nederlanden en de rol
van de Unie van Utrecht 1559-1609 [met een woord vooraf van
H.J.L. Vonhoff], Zutphen 1979, blz. 84-85.] De Slag bij
Heiligerlee wordt beschouwd als het begin van de Tachtigjarige Oorlog.
v In
1572 werd Willem van Oranje door de
Staten van Holland en die van Zeeland erkend als hun landvoogd en stadhouder
(in plaats van de Graaf van Bousso, die in 1567 door Margaretha van Parma als
stadhouder over Holland, Zeeland en Utrecht was benoemd). In 1575 gingen
Holland en Zeeland een defensieve unie met elkaar aan. Een jaar later werd een
nauwere unie tussen hen tot stand gebracht. [Noot: Zie
R. Fruin en H.T. Colenbrander, t.a.p. blz. 160-164.]
v Eveneens
in 1576 werd tussen deze twee gewesten enerzijds en de andere (loyaal gebleven)
gewesten
anderzijds een vrede gesloten, de Pacificatie
van Gent. [Noot: Zie W. Velema [et al.], t.a.p. blz. 46-47
(“Spaanse furie en Pacificatie van Gent”).] De belangrijkste
punten van het Pacificatie-verdrag ziet men in het tekstblok hiernaast. [Noot:
Ontleend aan A.M. Elias, H.W. van Soest en Chr.H. Stokman-Prins,
t.a.p. nr. 23.]
Toen in 1577 de nieuwe landvoogd Don Juan arriveerde (toen
de Pacificatie van Gent werd gesloten was de oude landvoogd, Requesens, enige
maanden daarvoor overleden terwijl er nog geen opvolger was) sloten de loyale
gewesten met hem de Unie van Brussel, waarin de Pacificatie werd bevestigd,
maar waarin ook werd besloten tot handhaving van het oude geloof. De protestantse
gewesten Holland en Zeeland ondertekenden eveneens, zij het onder protest. [Noot:
Zie R. Fruin en H.T. Colenbrander, t.a.p. blz. 167.]
Reeds dat zelfde jaar pleegde Don Juan verraad, namelijk door Namen en
Antwerpen aan te vallen. De gewesten gingen toen op zoek naar een andere
landvoogd. (Overigens was Don Juan in de optiek van Filips II gewoon landvoogd
gebleven.) De keuze viel op Aartshertog Matthias (een neef van Filips II). Men bood hem de
landvoogdij aan, zij het op voorwaarden die hem weinig vrijheid lieten. Hij
aanvaardde dit. Niettemin sloten enkele zuidelijke gewesten (te weten
Henegouwen, Artois, Rijssel, Douai en Orchies) begin 1579 met Parma (die door Filips II het jaar daarvoor tot
landvoogd aangesteld was als opvolger van Don Juan, die was overleden) de Unie
van Atrecht. De hoofdpunten
van deze Unie ziet men in het tekstblok
hiernaast. Zoals men ziet werd op belangrijke punten tegemoet gekomen aan verlangens
van de gewesten; er was echter één punt dat het voor de protestantse gewesten
onmogelijk maakte om toe te treden tot de Unie, en dat was uiteraard het verbod
van alle andere godsdiensten dan de katholieke. Zodoende werd door hen op
23 januari 1579 het verdrag gesloten waar het in dit werkstuk om handelt,
namelijk de Unie van Utrecht Het verdrag was getiteld: Uerhandelinghe vande Vnie, eevvich Uerbont ende
eendracht. Tusschen die Landen/Provincien/Steden ende Leden van dien hier nae
benoempt [namelijk die furstendomme van Gelre ende
graeffschappe Zutphen, die graeffschappen ende landen van Hollandt, Zeelant,
Utrecht, ende die Vriesche Ommelanden tusschen die Eems ende Lauwerts, DvD] binnen die Stadt Vtrecht ghesloten/ ende ghepubliceert
vanden Stadt Huyse den 29. January Anno M.D.LXXIX. Ghedruct t’Vtrecht, By
de WeduWe van Coenraet Henricksz: Wonende inden gulden Engel by die
Gaert-Brugghe.
Om een indruk te geven van wat in de Unie van Utrecht zoal
werd geregeld geef ik hier een kort overzicht van de inhoud er van. Hierbij is
gebruik gemaakt van de “Aanteekening” van Fruin op de
Unie van Utrecht. [Noot: Zie R. Fruin en H.T. Colenbrander, t.a.p.
Bijlage I (“Aanteekening op de Unie van Utrecht”), blz. 379-416.]
Omdat de oorspronkelijke tekst, welke Fruin
weergeeft, voor een twintigste-eeuwer niet op alle punten even duidelijk is heb
ik tevens gebruik gemaakt van een moderne versie. [Noot: Namelijk
J. Jobse: Unie van Utrecht, 23 januari
v Het
verdrag bestond uit een préambule en 26 artikelen.In de préambule werd
uitdrukkelijk bepaald dat de aangesloten gewesten gebonden wilden blijven aan
de Pacificatie van Gent, en dat de onderhavige Unie diende als een nader verbond
tot bescherming tegen de listen van de vijand.
v Men
zou kunnen zeggen dat Art. I
de structuur van de Unie aangaf: enerzijds werd er in bepaald dat de gewesten
naar buiten (naar de vijand) toe verbonden waren alsof zij één provincie waren,
anderzijds werd er in bepaald dat de privilegiën en andere rechten van iedere
provincie en stad geëerbiedigd moesten worden. [Noot: Zie hierover
A.Th. van Deursen: Tussen eenheid en zelfstandigheid ‑ De
toepassing van de Unie als fundamentele wet (in: S. Groenveld en
H.L.Ph. Leeuwenberg: De Unie van Utrecht ‑ Wording en
werking van een verbond en een verbondsakte, blz. 136-154), ’s‑Gravenhage
1979, blz. 138-139.] Zoals men ziet zijn dit twee punten die
niet zeer goed met elkaar te verenigen zijn. Van Deursen
merkt hierover op dat het tweede punt de voorrang had; handhaving van de
privilegiën was immers het eigenlijke oorlogsdoel. [Noot: A.Th. van
Deursen, t.a.p.] Naast genoemde punten bevat Art. I een geschillenregeling:
geschillen binnen een provincie worden beslist door de gewone rechter.
v Art. II was een
uitwerking van Art. I.
v Art. III betrof
de onderlinge hulpverlening.
v Art. IV handelde
over de versterking van grenssteden; de helft van de kosten hiervan zouden door
de Generaliteit worden gedragen. Art. V
en Art. VI bepaalden
dat ter bekostiging van deze versterkingen belastingen zouden worden geheven.
v Art. VII bepaalde
dat de steden gehouden zouden zijn om zo nodig garnizoenen te herbergen. De
soldij van deze garnizoenen zou echter door de verenigde provincies moeten
worden betaald.
v Art. VIII regelde
de dienstplicht.
v Art. IX bepaalde
welke zaken bij eenparigheid en welke zaken bij meerderheid moesten worden
beslist. Indien tussen de provincies onenigheid zou ontstaan moest daarover
beslist worden door de stadhouders.
v Art. X en Art. XI bepaalden
dat voor: 1. het aangaan van een verbond door afzonderlijke provincies of
steden met naburige heren of landen; en 2. het deelnemen van andere heren,
landen of steden in de Unie; eenstemmigheid was vereist.
v Art. XII bepaalde
dat de provincies overeenstemming moesten bereiken over het muntstelsel
(overigens behielden de provincies zelf het muntrecht).
v Art. XIII
handelde over de godsdienst. Het belangrijkst is wellicht de slotpassage, welke
luidde: ... mits dat een yder
particulier in sijn Religie vrij sal moegen blijven, ende dat men nyemant ter
cause van de Religie sal moegen achterhaelen ofte ondersoucken, volgende die
voorsz. Pacificatie tot Ghendt gemaeckt.
v Art. XIV en Art. XV behelsden
de positie van (ex-)kloosterlingen.
v Art. XVI bepaalde
dat geschillen tussen enkele provincies beslist moesten worden door de andere
provincies.
v Art. XVII verbood
de provincies andere landen aanleiding te geven hen de oorlog te verklaren.
v Volgens
Art. XVIII
mocht geen der provincies zonder toestemming van de anderen accijnzen en
dergelijke invoeren; deze lasten mochten voor de anderen ook niet hoger zijn
dan voor de eigen ingezetenen.
v Art. XIX en Art. XX regelden
de wijze waarop de vergaderingen moesten worden gehouden en bijeengeroepen.
v Art. XXI en Art. XXII
regelden de uitleg en de wijziging van het Unieverdrag.
v In
Art. XXIII
beloofden de gewesten plechtig het Unieverdrag na te zullen komen; iets dat in
strijd er mee zou worden gedaan zou nietig zijn.
v In Art. XXIV en Art. XXV werden
verschillende categorieën mensen opgenoemd die bij ede moesten verklaren zich
aan de Unie te houden.
v Art. XXVI ten
slotte bepaalde dat van het Unieverdrag brieven moesten worden opgesteld en
ondertekend.
In deze paragraaf komt, nadat ik enkele woorden heb gewijd
aan de gebeurtenissen van na 1579 en aan de instellingen van de Republiek, het
functioneren van de Unie in de praktijk aan de orde.
Na het sluiten van de Unie trachtte men in Keulen nog tot
vrede te komen met Filips II. Dit
gelukte echter niet. Daarom zwoer men hem in 1581 af, en wel bij het Placcaet van Verlatinghe, ondertekend door Brabant,
Gelderland, Vlaanderen, Holland, Zeeland, Friesland, Mechelen, Overijssel en
Utrecht. [Noot: Zie R. Fruin en H.T. Colenbrander, t.a.p.
blz. 172.] In de jaren daarna deed men verwoede pogingen om
een goede landsheer te krijgen. Toen men hier niet in slaagde besloot men in
1588 om de pogingen maar op te geven. De toen ontstane republiek, de Republiek
der Zeven Verenigde Nederlanden, omvatte de leden van de Unie van Utrecht en
voorts de onder soevereiniteit van de Staten-Generaal staande
Generaliteitslanden (zijnde de door de Staten-Generaal veroverde gebieden, te
weten Staats-Vlaanderen, Staats-Brabant, Staats-Opper-Gelder, de Landen van
Overmaze en Westerwolde) en koloniën. Als hoogste orgaan van de Republiek
fungeerden de Staten-Generaal, waarin iedere provincie één stem had. Voorts was
er de Raad van State, die fungeerde als uitvoerend orgaan van de
Staten-Generaal. Ten slotte waren er de stadhouders. Deze hadden ongeveer de
zelfde functies als in de landsheerlijke tijd, zij het dat zij die functies nu
uitoefenden op grond van aanstellingen door de Staten-Generaal en de
Staten-Provinciaal. [Noot: Zie A.M. Elias, H.W. van Soest, en
Chr.H. Stokman-Prins, t.a.p. nrs. 28-30.]
Dan nu het functioneren van de Unie in de praktijk. Ik
baseer mij op dit punt voornamelijk op een artikel van Van
Deursen. [Noot: A.Th. van Deursen, a.w.]
De belangrijkste conclusie van bedoeld artikel is: de Unie had grote betekenis
in de praktijk, maar dat voornamelijk als “historisch feit”, en niet zo zeer
als juridisch document dat punt voor punt nageleefd moest worden. Van
Deursen noemt verschillende voorbeelden uit de praktijk waaruit
blijkt dat de Staten-Generaal, indien op hen een beroep werd gedaan door
strijdende partijen, steun gaven aan de partij wier inzichten strookten met hun
eigen politiek. “Het politieke aspect was doorslaggevend, niet de formele
rechtmatigheid op grond van het Unie-traktaat”, aldus Van Deursen. [Noot:
A.w., blz. 153.] Hij wijst voorts op het punt dat de
geschillenregelingen die in het verdrag werden gegeven (in Art. I, Art. IX en Art. XVI) in de praktijk nauwelijks
werkten. Het kwam er meestal op neer dat de Staten-Generaal via “de weg van de
persuasie” een oplossing trachtten te bereiken. [Noot: A.w.,
blz. 145.] Ook op het punt van de belastingen werd het
Unieverdrag niet opgevolgd. Het verdrag voorzag namelijk in eenparige
belastingen (Art. V).
In de praktijk echter werd per provincie vastgesteld hoeveel moest worden
bijgedragen in de algemene middelen (de quote), waarop de provincies zelf
belastingen hieven om hun quote te kunnen voldoen. Zo noemt hij nog verschillende
voorbeelden waaruit blijkt dat men het niet zo nauw nam met de letterlijke
inhoud van de Unie. Ook bij Fruin ziet men verscheidene van
dergelijke voorbeelden. [Noot: Zie R. Fruin en
H.T. Colenbrander, t.a.p. Bijlage I (“Aanteekening op de Unie van
Utrecht”), blz. 379-416.] De teneur is dus: de Unie van
Utrecht had vrij veel gezag, er werd in de praktijk regelmatig een beroep op
gedaan, maar zij werd niet strikt nageleefd.
Kan men nu, het voorgaande overziende, stellen dat de Unie
van Utrecht een grondwet was? Alvorens daar zelf op in te gaan laat ik eerst
enkele andere schrijvers aan het woord:
v “De
loop der omstandigheden [...] heeft er toe geleid, dat uit de unies en
afspraken dier jaren juist de Utrechtse de grondslag is geworden voor het
Nederlandse gemenebest, de “grondwet” a.h.w. van het land.” [Noot: Uit:
J. Presser [met medewerking van J. Romein,
A.C.J. de Vrankrijker, R.E.J. Weber en J.W. Wijn]: De
Tachtigjarige Oorlog, Amsterdam/Brussel 1978, blz. 93.]
v “Uit
deze inleiding [bedoeld is de inleiding van de Unie van Utrecht, DvD] blijkt
duidelijk, dat men met een verdedigend verbond tegen den vijand, niet met een
grondwet te doen heeft.” [Noot: Uit: R. Fruin en
H.T. Colenbrander, t.a.p. blz. 381.]
v “De
Unie van Utrecht, tussen de noordelijke gewesten in 1579 gesloten, was bedoeld
als een onderling verdrag van bijstand. Later werden haar bepalingen aanvaard
als grondwet voor de “Republiek der Geünieerde Gewesten.” [Noot: Uit:
C.J. Franssen, J. van Zwijndregt, H.M. Franssen en
J.F. Schouwenaar-Franssen: Staatsinrichting van Nederland, Groningen 1976,
blz. 213.]
v “De
eerste Nederlandse staatsregeling was de Unie van Utrecht van 1579. Het was,
zoals vele federale of confederale staatsregelingen, een verdrag, gesloten
tussen een aantal soevereine provincies, waarbij zij ter wille van een
gemeenschappelijke zaak een deel van hun soevereiniteit aan een centraal gezag
overdroegen.” [Noot: Uit: A.D. Belinfante en J.L. de Reede:
Beginselen van Nederlands staatsrecht, Alphen aan den Rijn 1991, blz. 28.]
v “Ooit
opgezet als een defensief verbond van zelfstandige gewesten, werd het
Unietraktaat onbedoeld een soort grondwet in het nieuwe staatsbestel van de
Republiek der Verenigde Nederlanden.” [Noot: Uit: W. Velema [et al.],
t.a.p. blz. 49, rechter kolom.]
v “Een
echte grondwet heeft de Republiek niet gekend, wel kan men enkele fundamentele
principes terugvinden in de bepalingen van de Unie van Utrecht (1579).” [Noot:
Uit: R.C. van Caenegem, t.a.p. blz. 118.]
v “De
Republiek der Verenigde Nederlanden was een statenbond, waarin de Unie van
Utrecht (1579) de functie van grondwet vervulde.” [Noot: Uit:
P. Gerbenzon en N.E. Algra [met medewerking van
B.S. Hempenius-Van Dijk en M. Tragter-Schubert]: Voortgangh des
rechtes ‑ De ontwikkeling van het Nederlandse recht tegen de
achtergrond van de Westeuropese cultuur, Alphen aan den Rijn 1979,
blz. 125.]
Zoals men ziet verschillen de meningen der schrijvers. De
één zegt dat er in feite sprake was van een grondwet, terwijl de ander juist
het tegendeel beweert. Deze verschillen worden, vermoed ik, veroorzaakt doordat
men verschillende opvattingen heeft omtrent het begrip grondwet.
Zo zegt Fruin, simpel weergegeven, dat
de Unie geen grondwet was omdat het een defensief verbond was. Hij meent dus
blijkbaar dat een defensief verbond niet tevens een grondwet kan zijn. Franssen
et al. en Velema et al. daarentegen zeggen dat de Unie, hoewel oorspronkelijk
opgezet als een verdrag, casu quo verbond, in de loop der tijd geworden is tot
een (soort) grondwet. Zij zien in het verbondskarakter van de Unie dus geen
beletsel om haar als grondwet te bestempelen.
Om verwarring te voorkomen heb ik zelf eerst in het tweede
hoofdstuk omschrijvingen gegeven van het begrip grondwet. Aldus is in ieder
geval duidelijk waaraan ik toets wanneer ik mij uitspreek omtrent de vraag of
de Unie al dan niet als een grondwet kan worden aangemerkt.
Ik begin met een toetsing aan de omschrijving van Van
Caeneghem. Deze spreekt in zijn definitie onder andere van
“vrijheden van de onderdanen”. De Unie van Utrecht was inderdaad opgezet om de
privilegiën te beschermen. En in Art. XIII
(met name in de slotpassage, die ik aangehaald heb in de tweede paragraaf van
het vorige hoofdstuk), werd de vrijheid van godsdienst gewaarborgd. Men zou dus
kunnen zeggen dat aan dit element van de definitie voldaan is. Maar Van
Caeneghem spreekt evenzeer van een regeling van “de fundamenten
van de staatsinrichting” (in verband met de drie machten). En die is in het
Verdrag nauwelijks te vinden. Weliswaar wordt er in geregeld hoe de
Staten-Generaal moesten beslissen en hoe geschillen tussen de leden beslecht
moesten worden, maar een regeling van de regering is er bijvoorbeeld nauwelijks
in te vinden (in het Verdrag wordt met geen woord gerept over de Raad van
State, die, zoals in het vorige hoofdstuk bleek, in de Republiek belast was met
de uitvoerende macht). Bovendien spreekt Van Caeneghem
van een wet. En de Unie was uiteindelijk een verdrag, een overeenkomst. Men zou
daar tegen in kunnen brengen: “een overeenkomst strekt dengenen die haar
aangaan tot wet”, maar om het verdrag louter op grond hiervan als wet aan te
merken doet toch enigszins gedrongen aan. Kortom: als men de definitie van Van
Caeneghem hanteert kan men haast niet anders dan concluderen dat
de Unie van Utrecht géén grondwet was.
Bij de definitie van Fockema Andreæ
stuit men op dezelfde moeilijkheden. Ook hij spreekt van “een wet of wetsregeling”
en van “grondbeginselen van de Regering van een staat”. Volgens deze
omschrijving kan men de Unie van Utrecht dus evenmin een grondwet noemen.
Koopmans maakt, zoals gezegd,
onderscheid tussen constitutie en grondwet. Onder het eerste verstaat hij “de
rechtsregels die de gezagsfunctie organiseren en er de werkingssfeer van
afpalen.” De Unie bevatte inderdaad van deze regels: het gaf in grote lijnen
aan welke dingen de provincies zelf mochten regelen en welke dingen door de
provincies gezamenlijk geregeld moesten worden (zie § 3.2). Ook gaf het aan hóe de
Staten-Generaal moesten beslissen (bijvoorbeeld bij meerderheid of niet). Men
kan dus stellen dat de Unie onderdeel uitmaakte van de constitutie van de Republiek.
Maar van een grondwet kan men ook volgens Koopmans’
definitie niet spreken. Deze definitie vereist namelijk (onder meer) dat sprake
is van “één basiswet”, en dat was bij de Unie van Utrecht niet het geval.
De conclusie waartoe het voorgaande noopt is dat de Unie van
Utrecht niet onder te brengen is onder de moderne definities van het begrip
grondwet. Niettemin voel ik er persoonlijk veel voor om de Unie toch als
“grondwet” te betitelen. Dit om de volgende redenen.
v Zoals
in het voorgaande hoofdstuk bleek vertoonde de Unie veel trekken van een
grondwet: men beschouwde het als een gezaghebbend document (Johan van
Oldenbarnevelt beschreef het Unieverdrag als “die fundamentele wet van de
vergaderinghe van de heeren Staten-Generael” [Noot: Aangehaald door
Van Deursen, t.a.p. blz. 137.]), het beoogde vrijheden te
beschermen (zoals uit het artikel van Van Deursen
bleek is in de praktijk regelmatig een beroep gedaan op die bescherming) en het
heeft in niet onbelangrijke mate het saamhorigheidsgevoel onder de gewesten
versterkt. Kortom: het heeft voor een niet onbelangrijk deel functies vervuld
die ook een moderne grondwet vervult.
v Dat
vele van haar bepalingen niet (althans niet letterlijk) werden nageleefd vind
ik geen argument om de Unie geen grondwet te noemen. “Naleving” is immers geen
onmisbaar element van het begrip grondwet. Dat geldt zelfs voor moderne
grondwetten. Ik denk hierbij aan een passage uit de Memorie van Toelichting op
de Grondwet van 1983 (handelende over grondrechten): “Beperkingen op en afwijkingen
van grondrechten kunnen zich voordoen wanneer de heersende rechtsovertuigingen
zodanig evalueren dat bepaalde belemmeringen in de uitoefening van een
grondrecht, zonder tot een beperkingsclausule herleidbaar te zijn, algemeen
aanvaard worden. In de tweede plaats is het mogelijk, dat in de praktijk
rechtsinstellingen, strijdig met de letter van het grondrecht, tot ontwikkeling
komen en op een zeker moment een gevestigde en algemeen aanvaarde plaats in het
rechtsbestel innemen.” [Noot: Geciteerd door A.W. Heringa en
T. Zwart in Grondwet 1983, Zwolle 1987, blz. 25.]
v Ook
het feit dat het Unieverdrag niet voldoet aan de moderne definities van het
begrip grondwet kan mij niet afbrengen van mijn standpunt. Ik wijs daarvoor op het
volgende: Een moderne definitie van het begrip “Staten-Generaal” zal
ongetwijfeld elementen bevatten als “bestaande uit twee Kamers”, “voor een
groot deel rechtstreeks gekozen door het Nederlandse volk”, “de leden
vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk”, enzovoort. Het orgaan uit de
tijd van de Republiek dat wij aanduiden als “Staten-Generaal” voldeed echter
aan geen van deze elementen. Niettemin zal niemand aarzelen om zowel het oude
als het nieuwe orgaan aan te duiden als “Staten-Generaal”. Als zo iets mogelijk
is met het begrip “Staten-Generaal”, waarom zou dat dan niet kunnen met het
begrip “grondwet”? Zelf kan ik geen reden kan bedenken waarom dat niet zou
kunnen, en daarom voel ik er persoonlijk veel voor om de Unie van Utrecht als
“grondwet” te betitelen, zij het met de aantekening dat men daarbij dan niet
moet denken aan een grondwet in de moderne zin des woords, maar aan één van de
eerste vormen van een grondwet.
Uit het voorgaande blijkt dat men verschillend kan denken
over de vraag of de Unie van Utrecht al dan niet als een grondwet moet worden
aangemerkt. Het hangt er onder meer van af hoe belangrijk men de werking in de
praktijk vindt en welke definitie men hanteert.
Welke opvatting men ook moge koesteren omtrent haar
juridische status, één ding kan men in ieder geval met zekerheid stellen, en
dat is dat de Unie van Utrecht een belangrijke rol gespeeld heeft in de
geschiedenis van ons land. Het is dan ook terecht dat de rijksdaalders van 1979
haar betitelen als de Grondslag
van de Nederlandse Staat.
D.
van Duijvenbode
Katwijk,
Juni 1992
v Algra
en H. Algra: Dispereert niet ‑ Twintig
eeuwen historie van de Nederlanden, Deel 1, m.n. Paragraaf 5
(“Onderhoudt Uwe Unie wel”) van Hoofdstuk 3 (“De worsteling om de
vrijheid”), Franeker 1987
v A.D. Belinfante
en J.L. de Reede: Beginselen van Nederlands
staatsrecht, m.n. Paragraaf 2 (“Geschiedenis van de Grondwet”) van
Hoofdstuk II (“De bronnen van het staatsrecht”), Alphen aan den Rijn 1991
v
J.C. Boogman: The Union of
v F.H. van
der Burg: De grondwet (In: Werkboek Staatkunde van de
Vakgroepen politieke wetenschappen en staatsrechtelijke vakken van de
Rijksuniversiteit Leiden, blz. 155‑162), Alphen aan den Rijn,
1986
v R.C. van
Caenegem: Geschiedkundige Inleiding tot het Recht,
Deel II. Publiekrecht, nrs. 75‑76, 79 en 84,
Brussel 1988
v Y. CAZAUX:
De geboorte van een natie ‑ De Nederlanden in de 16de en
17de eeuw (vertaling door P. van Theunissen van Naissance des
Pays-Bas, Paris 1984), Antwerpen/Kampen 1985
v A.Th. van
Deursen: Tussen eenheid en zelfstandigheid ‑ De
toepassing van de Unie als fundamentele wet (in: S. Groenveld en
H.L.Ph. Leeuwenberg, De Unie van Utrecht ‑ Wording en
werking van een verbond en een verbondsakte, blz. 136-154),
’s-Gravenhage 1979
v A.M. Elias,
H.W. van
Soest en Chr.H. Stokman-Prins: Syllabus
van de Geschiedenis van de Nederlandse Staatsinrichting tot 1813,
nrs. 23 en 28 e.v., Vakgroep rechtshistorische vakken Faculteit der
rechtsgeleerdheid Leiden, januari 1990
v S.J. Fockema
Andreæ: Fockema Andreæ’s Rechtsgeleerd Handwoordenboek
[bewerkt door N.E. Algra en H.R.W. Gokkel], Alphen aan den Rijn 1977
v C.J. Franssen,
J. van
Zwijndregt, H.M. Franssen, en J.F. Schouwenaar‑Franssen:
Staatsinrichting van Nederland, m.n. nr. 34 (“De tijd vóór
v R. Fruin,
en H.T. Colenbrander: Geschiedenis der
staatsinstellingen in Nederland tot den Val der Republiek [ingeleid door
Prof. dr. I. Schöffer], m.n. Tweede Boek (“Veranderingen gedurende de
troebelen”), blz. 154-180, en Bijlage I (“Aanteekening op de Unie van
Utrecht”), blz. 379‑416, ’s-Gravenhage 1922 [reprint 1980]
v P. Gerbenzon,
en N.E. Algra [met medewerking van B.S. Hempenius-van
Dijk en M. Tragter-Schubert]: Voortgangh
des rechtes ‑ De ontwikkeling van het Nederlandse recht tegen
de achtergrond van de Westeuropese cultuur, Hoofdstuk V (“De Republiek
(1581-1795)”), Alphen aan den Rijn 1979
v S. Groenveld,
en H.L.Ph. Leeuwenberg: De Unie van Utrecht ‑ Wording
en werking van een verbond en een verbondsakte, ’s-Gravenhage 1979
v S. Groenveld,
H.L.Ph. Leeuwenberg,
N. Mout
en W.M. Zappey: De kogel door de kerk? De Opstand in
de Nederlanden en de rol van de Unie van Utrecht 1559-1609 [met een woord
vooraf van H.J.L. Vonhoff], Zutphen 1979
v J. Jobse:
Unie van Utrecht, 23 januari
v T. Koopmans:
Compendium van het staatsrecht [bewerkt door J.E. Goldschmidt,
A.W. Heringa
en R.E. de Winter], m.n. nr. 8 (“Staat en
constitutie”), Deventer 1987
v J.Ph. de
Monté Ver Loren, en J.E. Spruit:
De rechterlijke organisatie in de Noordelijke Nederlanden tot de Bataafse
omwenteling, Hoofdstuk V, paragraaf 3 (“De Unie van Utrecht”),
blz. 217-220, Deventer 1982
v J. Presser
[met medewerking van J. Romein, A.C.J. de
Vrankrijker, R.E.J. Weber en J.W. Wijn]:
De Tachtigjarige Oorlog, Hoofdstuk III; zie met name bladzijde
92-93. (“Vive le Geus, is nu de loes (1572-1588)”) en blz. 79-104,
Amsterdam/Brussel 1978
v W. Velema
(samenstelling), J.T.L.M. van Bree [et al.]
(teksten), en P. Bataille [et al.] (beeldresearch): Spectrum
atlas van historische gebeurtenissen van de Lage Landen, m.n.
blz. 48-49 (“De Unie van Utrecht”), Utrecht/Antwerpen 1985
v A.H. Zwart
[e.v.a.]: De Middeleeuwen; hieruit m.n. het hoofdstuk “De welvarende
Bourgondiërs” (blz. 322-327), Rotterdam 1977
|
index – © Dirk
van Duijvenbode, Katwijk aan Zee (NL) – Laatste wijziging: 21.V.2006 |