www.dvd-web.eu

Home

Gastenboek

Geschiedenis

Juridisch

Katwijk

Klassieke muziek

De geslachtsnaam Van Duijvenbode

Tips

E-mail

Zoek

 

Zie ook: De geschiedenis van:

BE

DE

DK

ES

FR

LU

NL

NO

PT

RU

SE

TR

UK

US

VA

 

Inleiding

Jaartallentabel

Dutch history

Unie van Utrecht

Nederlandse regeringsleiders

Nederlandse kabinetten

Musea

 

De Unie van Utrecht

 

Hieronder volgt de bewerking van een werkstuk dat ik in juni 1992 maakte voor het vak Geschiedenis van het Staatsrecht aan de Universiteit Leiden. Inhoudelijk is de tekst gelijk gebleven, maar de opmaak is geschikt gemaakt voor het internet en voorzien van hyperlinks.

 

Inhoudsopgave

 

v      Hoofdstuk 1 ‑ Inleiding

v      Hoofdstuk 2 ‑ Het begrip grondwet

v      Hoofdstuk 3 ‑ De Unie van Utrecht

o        § 3.1. De voorgeschiedenis

o        § 3.2. De inhoud

o        § 3.3. De praktijk

v      Hoofdstuk 4 – De Unie van Utrecht: een grondwet?

v      Hoofdstuk 5 ‑ Slotopmerkingen

v      Bijlage ‑ Literatuurlijst

 

Tekstkaders:

v      Kader 1 ‑ Landvoogden over de Nederlanden tijdens Filips II

v      Kader 2 – Hoofdlijnen van de Pacificatie van Gent

v      Kader 3 – Hoofdlijnen van de Unie van Atrecht

 

Hoofdstuk 1 – Inleiding  top

 

Wie wel eens een rijksdaalder uit het jaar 1979 wat nader bekeken heeft zal opgemerkt hebben dat deze in plaats van het (in 1979 nog gebruikelijke) rijkswapen een tekst vertoont, namelijk: 1579 · Unie van Utrecht · Grondslag van de Nederlandse Staat. Over deze “grondslag van de Nederlandse staat”, de Unie van Utrecht derhalve, handelt dit werkstuk. Getracht wordt om de Unie te plaatsen in de geschiedenis van ons land. Centraal staat daarbij de vraag of de Unie van Utrecht betiteld kan worden als een grondwet.

Alvorens deze vraag beantwoord kan worden moeten eerst twee subvragen beantwoord worden, namelijk:

1.      de vraag wat precies onder een grondwet dient te worden verstaan; en

2.      de vraag wat Unie van Utrecht eigenlijk precies inhield.

Eerstgenoemde subvraag komt ter sprake in Hoofdstuk II.

De tweede subvraag komt aan de orde in Hoofdstuk III. In de eerste paragraaf van dit hoofdstuk wordt de voorgeschiedenis van de Unie van Utrecht verhaald; daarbij wordt onder meer ingegaan op het ontstaan van ons land. De tweede paragraaf is gewijd aan de inhoud van de Unie. In de derde paragraaf ten slotte wordt in het kort geschetst hoe de Unie in de praktijk werkte.

In Hoofdstuk IV worden de uitkomsten van de twee voorgaande hoofdstukken naast elkaar gelegd om aldus te komen tot een beantwoording van de hoofdvraag (namelijk of de Unie van Utrecht als een grondwet kan worden beschouwd).

Tot besluit volgen in Hoofdstuk V enkele slotopmerkingen.

 

Hoofdstuk 2 ‑ Het begrip grondwet  top

 

Om te kunnen nagaan of iets een grondwet is moet men uiteraard goed voor ogen hebben wat daaronder moet worden verstaan. In dit hoofdstukje worden daarom enkele definities van het begrip grondwet gegeven.

v      Fockema Andreæ definieert de term grondwet als “een wet of wetsregeling die de grondslag vormt van enige instelling en in bijzonderheden door regels van andere aard is uitgewerkt, inzake een wet waarin de grondbeginselen van de Regering van een staat vervat zijn”. [Noot: Zie S.J. Fockema Andreae: Fockema Andreae’s Rechtsgeleerd Handwoordenboek [bewerkt door N.E. Algra, en H.R.W. Gokkel], Alphen aan den Rijn 1977.] Ik vermoed dat dit een standaarddefinitie is, want ik vond deze zelfde definitie eveneens in mijn woordenboek en in een encyclopedie.

v      Van Caenegem omschrijft de term grondwet als “een geschreven hogere beginselenwet waarin de fundamenten van de staatsinrichting ‑ i.v.m. de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht ‑ worden neergelegd en de vrijheden van de onderdanen tegenover de staatsmacht gedefinieerd, en dit op een duurzamer manier dan in gewone wetten pleegt te geschieden”. [Noot: Zie R.C. van Caenegem: Geschiedkundige Inleiding tot het Recht, Deel II. Publiekrecht, Brussel 1988, nr. 84.]

v      Koopmans maakt onderscheid tussen de begrippen “grondwet” en “constitutie”. Onder “constitutie” verstaat hij: “de rechtsregels die de gezagsfunctie organiseren en er de werkingssfeer van afpalen”. [Noot: Zie T. Koopmans: Compendium van het staatsrecht [bewerkt door J.E. Goldschmidt, A.W. Heringa en R.E. de Winter], Deventer 1987, nr. 8.] Voor zover deze regels zijn neergelegd in één basiswet is volgens hem sprake van een grondwet. [Noot: Idem.] De grondwet vormt dus een onderdeel van het wijdere begrip “constitutie”.

Tot zover enkele omschrijvingen over het begrip grondwet. Uiteraard kan men over grondwetten nog heel wat meer schrijven, maar in het kader van dit werkstuk (waarin het primair gaat om de Unie van Utrecht) meen ik met het bovenstaande te kunnen volstaan.

 

Hoofdstuk 3 ‑ De Unie van Utrecht  top

 

De sluiting van de Unie van Utrecht staat uiteraard niet op zich zelf. Zij vormt een onderdeel van een hele reeks van gebeurtenissen. Om de Unie beter te kunnen doorgronden lijkt het me noodzakelijk om die gebeurtenissen hier aan de orde te brengen. In dit hoofdstuk wordt eerst behandeld wat aan het sluiten van de Unie vooraf ging. Vervolgens wordt op de inhoud van de Unie zelf ingegaan. Ten slotte wordt aandacht besteed aan het functioneren van de Unie in de praktijk.

 

§ 3.1. De voorgeschiedenis  top

Deze paragraaf begint met een korte schets van de staatkundige geschiedenis van de gewesten die de Unie van Utrecht sloten. Deze gewesten waren: Gelderland, Holland, Zeeland, Utrecht en de Groningse Ommelanden. Later voegden zich bij hen ook enkele steden en de gewesten Drenthe en Overijssel. Uiteindelijk besloeg het gebied van de Unie dus de gehele Noordelijke Nederlanden (ongeveer het huidige Nederland).

De Noord-Nederlandse gewesten kwamen in 1579 niet voor het eerst bij elkaar. In de twee eeuwen daarvóór was er al een zekere mate van samenhang ontstaan. Deze samenhang is begonnen onder de Bourgondiërs.

In het jaar 1363 schonk de Franse koning Jan II (bijgenaamd “de Goede”) aan zijn jongste zoon, Filips de Stoute, een hertogdom in het oosten van Frankrijk, namelijk Bourgondië. De hertogen van Bourgondië wisten in de loop der tijd, onder meer door het sluiten van “tactische” huwelijken, hun gebied sterk uit te breiden. De belangrijkste uitbreidingen betroffen de Nederlandse gewesten. (Overigens nog niet alle Nederlandse gewesten; dat was pas het geval onder Karel V.)

Op verzoek van Filips van Bourgondië kwamen in 1430 voor de eerste maal de Staten-Generaal bijeen. Dit was een vergadering van vertegenwoordigers van de Staten-colleges in de verschillende gewesten. Zij mochten beslissen over de algemene beden. Voorts werden zij geraadpleegd over zaken die alle gewesten aangingen. [Noot: Zie onder meer A.M. Elias, H.W. van Soest en Chr.H. Stokman-Prins: Syllabus van de Geschiedenis van de Nederlandse Staatsinrichting tot 1813, Vakgroep rechtshistorische vakken Faculteit der rechtsgeleerdheid Leiden, januari 1990, nr. 14.]

In 1477 verloor Maria van Bourgondië het gebied waar het allemaal mee begonnen was, namelijk Bourgondië (en wel aan koning Lodewijk XI van Frankrijk). In dat zelfde jaar trouwde zij echter met Maximiliaan van Habsburg; en deze Maximiliaan was niet alleen keizer van het Duitse Rijk, maar tevens hertog van Oostenrijk. De twee echtelieden beheersten aldus een tamelijk groot gebied. Hun zoon, Filips de Schone, huwde op zijn beurt met Johanna, de dochter van Ferdinand van Aragon en Isabella van Castilië (met andere woorden: van de heersers van Spanje). Filips de Schone overleed reeds op jonge leeftijd. En zo kwam alles vrij snel in handen van zijn zoon, Karel V. Deze kreeg dus de heerschappij over Spanje, de Nederlanden en Oostenrijk. Bovendien verwierf hij na de dood van zijn grootvader de Duitse keizerstitel.

Karel V wilde in zijn rijk meer eenheid scheppen. Dit blijkt onder meer uit het feit dat hij de Nederlanden in 1512 samenvoegde in de zogenaamde “Bourgondische Kreits”. Overigens werd deze reeds in 1521 opgeheven. In 1543 kwamen de Nederlanden (nu met Franche-Comté en Charolais) echter opnieuw in een Bourgondische Kreits samen. [Noot: Zie onder meer A.M. Elias, H.W. van Soest en Chr.H. Stokman-Prins, t.a.p. nr. 18.]

Het streven van Karel V naar eenheid werd in belangrijke mate belemmerd door de opkomst van het protestantse geloof; hierdoor was er immers geen geloofseenheid meer. Bij de Godsdienstvrede van Augsburg (1555) moest Karel V zich hierbij neerleggen. Een jaar later trad hij af. De Oostenrijken en de keizerstitel deed hij daarbij over aan zijn broer Ferdinand. De belangrijkste delen van zijn rijk, Spanje en de Nederlanden, gaf hij echter in handen van zijn zoon Filips II.

We zoomen nu in op de regeringsperiode van deze Filips II; het is immers in deze tijd dat de Unie van Utrecht werd gesloten.

Filips II was in de Nederlanden niet geliefd. Dit had verschillende oorzaken:

v      In de eerste plaats was er het feit dat hij, evenals zijn vader, streefde naar centralisatie. Dit streven ging uiteraard ten koste van de geliefde privilegiën.

v      In de tweede plaats kan genoemd worden het punt van de godsdienst. Filips II trad meedogenloos op tegen het protestantse geloof, dat hij als een ketterij beschouwde, waartegen het “ware” geloof beschermd moest worden. Zo werd in 1566 de “Raad van Beroerten” (beter bekend onder de veelzeggende naam Bloedraad) ingesteld, met name om de beeldenstormers (Protestanten die in katholieke kerken beelden hadden neergehaald [Noot: Zie over de beeldenstorm onder meer W. Velema (samenstelling), J.T.L.M. van Bree [et al.] (teksten), en P. Bataille [et al.] (beeldresearch): Spectrum atlas van historische gebeurtenissen van de Lage Landen, Utrecht/Antwerpen 1985, blz. 36-37 (“Beeldenstorm in Utrecht”).]) en de hageprekers (Protestantse prekers die op het open veld predikten) te bestraffen. Niet alleen deelde deze raad hardvochtige straffen uit, bovendien was haar rechtspraak in strijd met alle privilegiën. [Noot: Zie R. Fruin en H.T. Colenbrander: Geschiedenis der staatsinstellingen in Nederland tot den Val der Republiek [ingeleid door Prof. dr. I. Schöffer], ’s-Gravenhage 1922 [reprint 1980], blz. 155-156.]

v      Als derde punt noem ik de belastingen. Alva heeft verwoede pogingen gedaan om de gehate “Tiende Penning” ingevoerd te krijgen. [Noot: Zie W. Velema [et al.], t.a.p. blz. 38-39 (“Alva en de Tiende Penning”).] Ook dit werkte uiteraard de populariteit van Filips II niet in de hand. Overigens beweerde Filips II later dat hij de Tiende Penning zelf nooit had gewild. [Noot: Zie R. Fruin en H.T. Colenbrander, t.a.p. blz. 158.] Men kan zich echter afvragen of hij hiermee de waarheid sprak.

Tekstvak: Landvoogden over de Nederlanden tijdens Filips II:

1559-1567:	Margaretha van Parma
1567-1573:	Fernando A. de Toledo, Hertog van Alva
1573-1576:	Don Luis de Requesens y Zuñiga
1576-1578:	Don Juan d’Austria (Jan van Oostenrijk)
1578-    :	Alessandro Farnese, Hertog van Parma
[1577-1581:	Aartshertog Matthias]
Door al deze punten is het niet verwonderlijk dat men in de Nederlanden tegen hem in verzet kwam. Dit verzet uitte zich op vele manieren. Ik volsta hier met het noemen van de belangrijkste:

v      In 1566 bood de lage adel aan Margaretha van Parma een smeekschrift aan, waarin werd aangedrongen op verzachting van de plakkaten tegen de “ketters”. [Noot: Zie A. Algra en H. Algra: Dispereert niet ‑ Twintig eeuwen historie van de Nederlanden, Deel 1, Franeker 1987, blz. 311-312.]

v      In dat zelfde jaar vond de Beeldenstorm plaats, waarbij protestanten zich wierpen op de vele beelden in de katholieke kerken.

v      In 1568 viel Willem van Oranje [Noot: Willem van Oranje (1533-1584) bezat in de Nederlanden verschillende heerlijkheden. Zie onder meer A. Algra en H. Algra, t.a.p. blz. 300 e.v.], die zich niet kon verenigen met de opvattingen van Alva, op verschillende plaatsen (onder meer bij Heiligerlee) de Nederlanden binnen; hij werd echter op alle punten verslagen. [Noot: Zie S. Groenveld, H.L.Ph. Leeuwenberg, N. Mout en W.M. Zappey: De kogel door de kerk? De Opstand in de Nederlanden en de rol van de Unie van Utrecht 1559-1609 [met een woord vooraf van H.J.L. Vonhoff], Zutphen 1979, blz. 84-85.] De Slag bij Heiligerlee wordt beschouwd als het begin van de Tachtigjarige Oorlog.

v      In 1572 werd Willem van Oranje door de Staten van Holland en die van Zeeland erkend als hun landvoogd en stadhouder (in plaats van de Graaf van Bousso, die in 1567 door Margaretha van Parma als stadhouder over Holland, Zeeland en Utrecht was benoemd). In 1575 gingen Holland en Zeeland een defensieve unie met elkaar aan. Een jaar later werd een nauwere unie tussen hen tot stand gebracht. [Noot: Zie R. Fruin en H.T. Colenbrander, t.a.p. blz. 160-164.]

v      Eveneens in 1576 werd tussen deze twee gewesten enerzijds en de andere (loyaal gebleven) gewesten Tekstvak: Bij de Pacificatie van Gent (1576) werd onder meer het volgende overeengekomen:
* De Spaanse troepen zouden gezamenlijk verdreven worden.
* Zo spoedig mogelijk na vertrek van de troepen zouden de Staten-Generaal bijeenkomen om de algemene zaken (onder meer de godsdienst) definitief te regelen.
* Tot genoemd tijdstip zou Willem van Oranje de positie die hij tot dan toe had behouden en zou de uitvoering van de plakkaten tegen de ketterij worden geschorst.
* In Holland en Zeeland zou uitoefening van de protestantse godsdienst steeds geoorloofd blijven, terwijl in de andere gewesten de Rooms-Katholieke godsdienst niets in de weg zou worden gelegd.
anderzijds een vrede gesloten, de Pacificatie van Gent. [Noot: Zie W. Velema [et al.], t.a.p. blz. 46-47 (“Spaanse furie en Pacificatie van Gent”).] De belangrijkste punten van het Pacificatie-verdrag ziet men in het tekstblok hiernaast. [Noot: Ontleend aan A.M. Elias, H.W. van Soest en Chr.H. Stokman-Prins, t.a.p. nr. 23.]

Toen in 1577 de nieuwe landvoogd Don Juan arriveerde (toen de Pacificatie van Gent werd gesloten was de oude landvoogd, Requesens, enige maanden daarvoor overleden terwijl er nog geen opvolger was) sloten de loyale gewesten met hem de Unie van Brussel, waarin de Pacificatie werd bevestigd, maar waarin ook werd besloten tot handhaving van het oude geloof. De protestantse gewesten Holland en Zeeland ondertekenden eveneens, zij het onder protest. [Noot: Zie R. Fruin en H.T. Colenbrander, t.a.p. blz. 167.] Reeds dat zelfde jaar pleegde Don Juan verraad, namelijk door Namen en Antwerpen aan te vallen. De gewesten gingen toen op zoek naar een andere landvoogd. (Overigens was Don Juan in de optiek van Filips II gewoon landvoogd gebleven.) De keuze viel op Aartshertog Matthias (een neef van Filips II). Men bood hem de landvoogdij aan, zij het op voorwaarden die hem weinig vrijheid lieten. Hij aanvaardde dit. Niettemin sloten enkele zuidelijke gewesten (te weten Henegouwen, Artois, Rijssel, Douai en Orchies) begin 1579 met Parma (die door Filips II het jaar daarvoor tot landvoogd aangesteld was als opvolger van Don Juan, die was overleden) de Unie van Atrecht. De hoofdpunten Tekstvak: Bij de Unie van Atrecht (1579) werden onder meer de volgende punten overeengekomen:
* Het land zou geen andere troepenmacht hebben dan de inlandse.
* De Raad van State zou georganiseerd zijn als onder Karel V; twee derden van de leden zouden de Staten welgevallig moeten zijn.
* Alle privilegiën zouden worden hersteld.
* Elke andere dan de katholieke godsdienst zou verboden worden.
van deze Unie ziet men in het tekstblok hiernaast. Zoals men ziet werd op belangrijke punten tegemoet gekomen aan verlangens van de gewesten; er was echter één punt dat het voor de protestantse gewesten onmogelijk maakte om toe te treden tot de Unie, en dat was uiteraard het verbod van alle andere godsdiensten dan de katholieke. Zodoende werd door hen op 23 januari 1579 het verdrag gesloten waar het in dit werkstuk om handelt, namelijk de Unie van Utrecht Het verdrag was getiteld: Uerhandelinghe vande Vnie, eevvich Uerbont ende eendracht. Tusschen die Landen/Provincien/Steden ende Leden van dien hier nae benoempt [namelijk die furstendomme van Gelre ende graeffschappe Zutphen, die graeffschappen ende landen van Hollandt, Zeelant, Utrecht, ende die Vriesche Ommelanden tusschen die Eems ende Lauwerts, DvD] binnen die Stadt Vtrecht ghesloten/ ende ghepubliceert vanden Stadt Huyse den 29. January Anno M.D.LXXIX. Ghedruct t’Vtrecht, By de WeduWe van Coenraet Henricksz: Wonende inden gulden Engel by die Gaert-Brugghe.

 

§ 3.2. De inhoud  top

Om een indruk te geven van wat in de Unie van Utrecht zoal werd geregeld geef ik hier een kort overzicht van de inhoud er van. Hierbij is gebruik gemaakt van de “Aanteekening” van Fruin op de Unie van Utrecht. [Noot: Zie R. Fruin en H.T. Colenbrander, t.a.p. Bijlage I (“Aanteekening op de Unie van Utrecht”), blz. 379-416.] Omdat de oorspronkelijke tekst, welke Fruin weergeeft, voor een twintigste-eeuwer niet op alle punten even duidelijk is heb ik tevens gebruik gemaakt van een moderne versie. [Noot: Namelijk J. Jobse: Unie van Utrecht, 23 januari 1579, in modern Nederlands, Utrecht 1979.]

v      Het verdrag bestond uit een préambule en 26 artikelen.In de préambule werd uitdrukkelijk bepaald dat de aangesloten gewesten gebonden wilden blijven aan de Pacificatie van Gent, en dat de onderhavige Unie diende als een nader verbond tot bescherming tegen de listen van de vijand.

v      Men zou kunnen zeggen dat Art. I de structuur van de Unie aangaf: enerzijds werd er in bepaald dat de gewesten naar buiten (naar de vijand) toe verbonden waren alsof zij één provincie waren, anderzijds werd er in bepaald dat de privilegiën en andere rechten van iedere provincie en stad geëerbiedigd moesten worden. [Noot: Zie hierover A.Th. van Deursen: Tussen eenheid en zelfstandigheid ‑ De toepassing van de Unie als fundamentele wet (in: S. Groenveld en H.L.Ph. Leeuwenberg: De Unie van Utrecht ‑ Wording en werking van een verbond en een verbondsakte, blz. 136-154), ’s‑Gravenhage 1979, blz. 138-139.] Zoals men ziet zijn dit twee punten die niet zeer goed met elkaar te verenigen zijn. Van Deursen merkt hierover op dat het tweede punt de voorrang had; handhaving van de privilegiën was immers het eigenlijke oorlogsdoel. [Noot: A.Th. van Deursen, t.a.p.] Naast genoemde punten bevat Art. I een geschillenregeling: geschillen binnen een provincie worden beslist door de gewone rechter.

v      Art. II was een uitwerking van Art. I.

v      Art. III betrof de onderlinge hulpverlening.

v      Art. IV handelde over de versterking van grenssteden; de helft van de kosten hiervan zouden door de Generaliteit worden gedragen. Art. V en Art. VI bepaalden dat ter bekostiging van deze versterkingen belastingen zouden worden geheven.

v      Art. VII bepaalde dat de steden gehouden zouden zijn om zo nodig garnizoenen te herbergen. De soldij van deze garnizoenen zou echter door de verenigde provincies moeten worden betaald.

v      Art. VIII regelde de dienstplicht.

v      Art. IX bepaalde welke zaken bij eenparigheid en welke zaken bij meerderheid moesten worden beslist. Indien tussen de provincies onenigheid zou ontstaan moest daarover beslist worden door de stadhouders.

v      Art. X en Art. XI bepaalden dat voor: 1. het aangaan van een verbond door afzonderlijke provincies of steden met naburige heren of landen; en 2. het deelnemen van andere heren, landen of steden in de Unie; eenstemmigheid was vereist.

v      Art. XII bepaalde dat de provincies overeenstemming moesten bereiken over het muntstelsel (overigens behielden de provincies zelf het muntrecht).

v      Art. XIII handelde over de godsdienst. Het belangrijkst is wellicht de slotpassage, welke luidde: ... mits dat een yder particulier in sijn Religie vrij sal moegen blijven, ende dat men nyemant ter cause van de Religie sal moegen achterhaelen ofte ondersoucken, volgende die voorsz. Pacificatie tot Ghendt gemaeckt.

v      Art. XIV en Art. XV behelsden de positie van (ex-)kloosterlingen.

v      Art. XVI bepaalde dat geschillen tussen enkele provincies beslist moesten worden door de andere provincies.

v      Art. XVII verbood de provincies andere landen aanleiding te geven hen de oorlog te verklaren.

v      Volgens Art. XVIII mocht geen der provincies zonder toestemming van de anderen accijnzen en dergelijke invoeren; deze lasten mochten voor de anderen ook niet hoger zijn dan voor de eigen ingezetenen.

v      Art. XIX en Art. XX regelden de wijze waarop de vergaderingen moesten worden gehouden en bijeengeroepen.

v      Art. XXI en Art. XXII regelden de uitleg en de wijziging van het Unieverdrag.

v      In Art. XXIII beloofden de gewesten plechtig het Unieverdrag na te zullen komen; iets dat in strijd er mee zou worden gedaan zou nietig zijn.

v      In Art. XXIV en Art. XXV werden verschillende categorieën mensen opgenoemd die bij ede moesten verklaren zich aan de Unie te houden.

v      Art. XXVI ten slotte bepaalde dat van het Unieverdrag brieven moesten worden opgesteld en ondertekend.

 

§ 3.3. De praktijk  top

In deze paragraaf komt, nadat ik enkele woorden heb gewijd aan de gebeurtenissen van na 1579 en aan de instellingen van de Republiek, het functioneren van de Unie in de praktijk aan de orde.

Na het sluiten van de Unie trachtte men in Keulen nog tot vrede te komen met Filips II. Dit gelukte echter niet. Daarom zwoer men hem in 1581 af, en wel bij het Placcaet van Verlatinghe, ondertekend door Brabant, Gelderland, Vlaanderen, Holland, Zeeland, Friesland, Mechelen, Overijssel en Utrecht. [Noot: Zie R. Fruin en H.T. Colenbrander, t.a.p. blz. 172.] In de jaren daarna deed men verwoede pogingen om een goede landsheer te krijgen. Toen men hier niet in slaagde besloot men in 1588 om de pogingen maar op te geven. De toen ontstane republiek, de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, omvatte de leden van de Unie van Utrecht en voorts de onder soevereiniteit van de Staten-Generaal staande Generaliteitslanden (zijnde de door de Staten-Generaal veroverde gebieden, te weten Staats-Vlaanderen, Staats-Brabant, Staats-Opper-Gelder, de Landen van Overmaze en Westerwolde) en koloniën. Als hoogste orgaan van de Republiek fungeerden de Staten-Generaal, waarin iedere provincie één stem had. Voorts was er de Raad van State, die fungeerde als uitvoerend orgaan van de Staten-Generaal. Ten slotte waren er de stadhouders. Deze hadden ongeveer de zelfde functies als in de landsheerlijke tijd, zij het dat zij die functies nu uitoefenden op grond van aanstellingen door de Staten-Generaal en de Staten-Provinciaal. [Noot: Zie A.M. Elias, H.W. van Soest, en Chr.H. Stokman-Prins, t.a.p. nrs. 28-30.]

Dan nu het functioneren van de Unie in de praktijk. Ik baseer mij op dit punt voornamelijk op een artikel van Van Deursen. [Noot: A.Th. van Deursen, a.w.] De belangrijkste conclusie van bedoeld artikel is: de Unie had grote betekenis in de praktijk, maar dat voornamelijk als “historisch feit”, en niet zo zeer als juridisch document dat punt voor punt nageleefd moest worden. Van Deursen noemt verschillende voorbeelden uit de praktijk waaruit blijkt dat de Staten-Generaal, indien op hen een beroep werd gedaan door strijdende partijen, steun gaven aan de partij wier inzichten strookten met hun eigen politiek. “Het politieke aspect was doorslaggevend, niet de formele rechtmatigheid op grond van het Unie-traktaat”, aldus Van Deursen. [Noot: A.w., blz. 153.] Hij wijst voorts op het punt dat de geschillenregelingen die in het verdrag werden gegeven (in Art. I, Art. IX en Art. XVI) in de praktijk nauwelijks werkten. Het kwam er meestal op neer dat de Staten-Generaal via “de weg van de persuasie” een oplossing trachtten te bereiken. [Noot: A.w., blz. 145.] Ook op het punt van de belastingen werd het Unieverdrag niet opgevolgd. Het verdrag voorzag namelijk in eenparige belastingen (Art. V). In de praktijk echter werd per provincie vastgesteld hoeveel moest worden bijgedragen in de algemene middelen (de quote), waarop de provincies zelf belastingen hieven om hun quote te kunnen voldoen. Zo noemt hij nog verschillende voorbeelden waaruit blijkt dat men het niet zo nauw nam met de letterlijke inhoud van de Unie. Ook bij Fruin ziet men verscheidene van dergelijke voorbeelden. [Noot: Zie R. Fruin en H.T. Colenbrander, t.a.p. Bijlage I (“Aanteekening op de Unie van Utrecht”), blz. 379-416.] De teneur is dus: de Unie van Utrecht had vrij veel gezag, er werd in de praktijk regelmatig een beroep op gedaan, maar zij werd niet strikt nageleefd.

 

Hoofdstuk 4 ‑ De Unie van Utrecht: een grondwet?  top

 

Kan men nu, het voorgaande overziende, stellen dat de Unie van Utrecht een grondwet was? Alvorens daar zelf op in te gaan laat ik eerst enkele andere schrijvers aan het woord:

v      “De loop der omstandigheden [...] heeft er toe geleid, dat uit de unies en afspraken dier jaren juist de Utrechtse de grondslag is geworden voor het Nederlandse gemenebest, de “grondwet” a.h.w. van het land.” [Noot: Uit: J. Presser [met medewerking van J. Romein, A.C.J. de Vrankrijker, R.E.J. Weber en J.W. Wijn]: De Tachtigjarige Oorlog, Amsterdam/Brussel 1978, blz. 93.]

v      “Uit deze inleiding [bedoeld is de inleiding van de Unie van Utrecht, DvD] blijkt duidelijk, dat men met een verdedigend verbond tegen den vijand, niet met een grondwet te doen heeft.” [Noot: Uit: R. Fruin en H.T. Colenbrander, t.a.p. blz. 381.]

v      “De Unie van Utrecht, tussen de noordelijke gewesten in 1579 gesloten, was bedoeld als een onderling verdrag van bijstand. Later werden haar bepalingen aanvaard als grondwet voor de “Republiek der Geünieerde Gewesten.” [Noot: Uit: C.J. Franssen, J. van Zwijndregt, H.M. Franssen en J.F. Schouwenaar-Franssen: Staatsinrichting van Nederland, Groningen 1976, blz. 213.]

v      “De eerste Nederlandse staatsregeling was de Unie van Utrecht van 1579. Het was, zoals vele federale of confederale staatsregelingen, een verdrag, gesloten tussen een aantal soevereine provincies, waarbij zij ter wille van een gemeenschappelijke zaak een deel van hun soevereiniteit aan een centraal gezag overdroegen.” [Noot: Uit: A.D. Belinfante en J.L. de Reede: Beginselen van Nederlands staatsrecht, Alphen aan den Rijn 1991, blz. 28.]

v      “Ooit opgezet als een defensief verbond van zelfstandige gewesten, werd het Unietraktaat onbedoeld een soort grondwet in het nieuwe staatsbestel van de Republiek der Verenigde Nederlanden.” [Noot: Uit: W. Velema [et al.], t.a.p. blz. 49, rechter kolom.]

v      “Een echte grondwet heeft de Republiek niet gekend, wel kan men enkele fundamentele principes terugvinden in de bepalingen van de Unie van Utrecht (1579).” [Noot: Uit: R.C. van Caenegem, t.a.p. blz. 118.]

v      “De Republiek der Verenigde Nederlanden was een statenbond, waarin de Unie van Utrecht (1579) de functie van grondwet vervulde.” [Noot: Uit: P. Gerbenzon en N.E. Algra [met medewerking van B.S. Hempenius-Van Dijk en M. Tragter-Schubert]: Voortgangh des rechtes ‑ De ontwikkeling van het Nederlandse recht tegen de achtergrond van de Westeuropese cultuur, Alphen aan den Rijn 1979, blz. 125.]

Zoals men ziet verschillen de meningen der schrijvers. De één zegt dat er in feite sprake was van een grondwet, terwijl de ander juist het tegendeel beweert. Deze verschillen worden, vermoed ik, veroorzaakt doordat men verschillende opvattingen heeft omtrent het begrip grondwet.

Zo zegt Fruin, simpel weergegeven, dat de Unie geen grondwet was omdat het een defensief verbond was. Hij meent dus blijkbaar dat een defensief verbond niet tevens een grondwet kan zijn. Franssen et al. en Velema et al. daarentegen zeggen dat de Unie, hoewel oorspronkelijk opgezet als een verdrag, casu quo verbond, in de loop der tijd geworden is tot een (soort) grondwet. Zij zien in het verbondskarakter van de Unie dus geen beletsel om haar als grondwet te bestempelen.

Om verwarring te voorkomen heb ik zelf eerst in het tweede hoofdstuk omschrijvingen gegeven van het begrip grondwet. Aldus is in ieder geval duidelijk waaraan ik toets wanneer ik mij uitspreek omtrent de vraag of de Unie al dan niet als een grondwet kan worden aangemerkt.

Ik begin met een toetsing aan de omschrijving van Van Caeneghem. Deze spreekt in zijn definitie onder andere van “vrijheden van de onderdanen”. De Unie van Utrecht was inderdaad opgezet om de privilegiën te beschermen. En in Art. XIII (met name in de slotpassage, die ik aangehaald heb in de tweede paragraaf van het vorige hoofdstuk), werd de vrijheid van godsdienst gewaarborgd. Men zou dus kunnen zeggen dat aan dit element van de definitie voldaan is. Maar Van Caeneghem spreekt evenzeer van een regeling van “de fundamenten van de staatsinrichting” (in verband met de drie machten). En die is in het Verdrag nauwelijks te vinden. Weliswaar wordt er in geregeld hoe de Staten-Generaal moesten beslissen en hoe geschillen tussen de leden beslecht moesten worden, maar een regeling van de regering is er bijvoorbeeld nauwelijks in te vinden (in het Verdrag wordt met geen woord gerept over de Raad van State, die, zoals in het vorige hoofdstuk bleek, in de Republiek belast was met de uitvoerende macht). Bovendien spreekt Van Caeneghem van een wet. En de Unie was uiteindelijk een verdrag, een overeenkomst. Men zou daar tegen in kunnen brengen: “een overeenkomst strekt dengenen die haar aangaan tot wet”, maar om het verdrag louter op grond hiervan als wet aan te merken doet toch enigszins gedrongen aan. Kortom: als men de definitie van Van Caeneghem hanteert kan men haast niet anders dan concluderen dat de Unie van Utrecht géén grondwet was.

Bij de definitie van Fockema Andreæ stuit men op dezelfde moeilijkheden. Ook hij spreekt van “een wet of wetsregeling” en van “grondbeginselen van de Regering van een staat”. Volgens deze omschrijving kan men de Unie van Utrecht dus evenmin een grondwet noemen.

Koopmans maakt, zoals gezegd, onderscheid tussen constitutie en grondwet. Onder het eerste verstaat hij “de rechtsregels die de gezagsfunctie organiseren en er de werkingssfeer van afpalen.” De Unie bevatte inderdaad van deze regels: het gaf in grote lijnen aan welke dingen de provincies zelf mochten regelen en welke dingen door de provincies gezamenlijk geregeld moesten worden (zie § 3.2). Ook gaf het aan hóe de Staten-Generaal moesten beslissen (bijvoorbeeld bij meerderheid of niet). Men kan dus stellen dat de Unie onderdeel uitmaakte van de constitutie van de Republiek. Maar van een grondwet kan men ook volgens Koopmans’ definitie niet spreken. Deze definitie vereist namelijk (onder meer) dat sprake is van “één basiswet”, en dat was bij de Unie van Utrecht niet het geval.

De conclusie waartoe het voorgaande noopt is dat de Unie van Utrecht niet onder te brengen is onder de moderne definities van het begrip grondwet. Niettemin voel ik er persoonlijk veel voor om de Unie toch als “grondwet” te betitelen. Dit om de volgende redenen.

v      Zoals in het voorgaande hoofdstuk bleek vertoonde de Unie veel trekken van een grondwet: men beschouwde het als een gezaghebbend document (Johan van Oldenbarnevelt beschreef het Unieverdrag als “die fundamentele wet van de vergaderinghe van de heeren Staten-Generael” [Noot: Aangehaald door Van Deursen, t.a.p. blz. 137.]), het beoogde vrijheden te beschermen (zoals uit het artikel van Van Deursen bleek is in de praktijk regelmatig een beroep gedaan op die bescherming) en het heeft in niet onbelangrijke mate het saamhorigheidsgevoel onder de gewesten versterkt. Kortom: het heeft voor een niet onbelangrijk deel functies vervuld die ook een moderne grondwet vervult.

v      Dat vele van haar bepalingen niet (althans niet letterlijk) werden nageleefd vind ik geen argument om de Unie geen grondwet te noemen. “Naleving” is immers geen onmisbaar element van het begrip grondwet. Dat geldt zelfs voor moderne grondwetten. Ik denk hierbij aan een passage uit de Memorie van Toelichting op de Grondwet van 1983 (handelende over grondrechten): “Beperkingen op en afwijkingen van grondrechten kunnen zich voordoen wanneer de heersende rechtsovertuigingen zodanig evalueren dat bepaalde belemmeringen in de uitoefening van een grondrecht, zonder tot een beperkingsclausule herleidbaar te zijn, algemeen aanvaard worden. In de tweede plaats is het mogelijk, dat in de praktijk rechtsinstellingen, strijdig met de letter van het grondrecht, tot ontwikkeling komen en op een zeker moment een gevestigde en algemeen aanvaarde plaats in het rechtsbestel innemen.” [Noot: Geciteerd door A.W. Heringa en T. Zwart in Grondwet 1983, Zwolle 1987, blz. 25.]

v      Ook het feit dat het Unieverdrag niet voldoet aan de moderne definities van het begrip grondwet kan mij niet afbrengen van mijn standpunt. Ik wijs daarvoor op het volgende: Een moderne definitie van het begrip “Staten-Generaal” zal ongetwijfeld elementen bevatten als “bestaande uit twee Kamers”, “voor een groot deel rechtstreeks gekozen door het Nederlandse volk”, “de leden vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk”, enzovoort. Het orgaan uit de tijd van de Republiek dat wij aanduiden als “Staten-Generaal” voldeed echter aan geen van deze elementen. Niettemin zal niemand aarzelen om zowel het oude als het nieuwe orgaan aan te duiden als “Staten-Generaal”. Als zo iets mogelijk is met het begrip “Staten-Generaal”, waarom zou dat dan niet kunnen met het begrip “grondwet”? Zelf kan ik geen reden kan bedenken waarom dat niet zou kunnen, en daarom voel ik er persoonlijk veel voor om de Unie van Utrecht als “grondwet” te betitelen, zij het met de aantekening dat men daarbij dan niet moet denken aan een grondwet in de moderne zin des woords, maar aan één van de eerste vormen van een grondwet.

 

Hoofdstuk 5 – Slotopmerkingen  top

 

Uit het voorgaande blijkt dat men verschillend kan denken over de vraag of de Unie van Utrecht al dan niet als een grondwet moet worden aangemerkt. Het hangt er onder meer van af hoe belangrijk men de werking in de praktijk vindt en welke definitie men hanteert.

Welke opvatting men ook moge koesteren omtrent haar juridische status, één ding kan men in ieder geval met zekerheid stellen, en dat is dat de Unie van Utrecht een belangrijke rol gespeeld heeft in de geschiedenis van ons land. Het is dan ook terecht dat de rijksdaalders van 1979 haar betitelen als de Grondslag van de Nederlandse Staat.

 

D. van Duijvenbode

Katwijk, Juni 1992

 

Bijlage ‑ Literatuurlijst  top

 

v      Algra en H. Algra: Dispereert niet ‑ Twintig eeuwen historie van de Nederlanden, Deel 1, m.n. Paragraaf 5 (“Onderhoudt Uwe Unie wel”) van Hoofdstuk 3 (“De worsteling om de vrijheid”), Franeker 1987

v      A.D. Belinfante en J.L. de Reede: Beginselen van Nederlands staatsrecht, m.n. Paragraaf 2 (“Geschiedenis van de Grondwet”) van Hoofdstuk II (“De bronnen van het staatsrecht”), Alphen aan den Rijn 1991

v      J.C. Boogman: The Union of Utrecht, its Genesis and Consequences (In: J.C. Boogman en G.N. van der Plaat [redactie]: Federalism ‑ History and Current Significance of a Form of Government, blz. 5-35), ’s-Gravenhage 1980

v      F.H. van der Burg: De grondwet (In: Werkboek Staatkunde van de Vakgroepen politieke wetenschappen en staatsrechtelijke vakken van de Rijksuniversiteit Leiden, blz. 155‑162), Alphen aan den Rijn, 1986

v      R.C. van Caenegem: Geschiedkundige Inleiding tot het Recht, Deel II. Publiekrecht, nrs. 75‑76, 79 en 84, Brussel 1988

v      Y. CAZAUX: De geboorte van een natie ‑ De Nederlanden in de 16de en 17de eeuw (vertaling door P. van Theunissen van Naissance des Pays-Bas, Paris 1984), Antwerpen/Kampen 1985

v      A.Th. van Deursen: Tussen eenheid en zelfstandigheid ‑ De toepassing van de Unie als fundamentele wet (in: S. Groenveld en H.L.Ph. Leeuwenberg, De Unie van Utrecht ‑ Wording en werking van een verbond en een verbondsakte, blz. 136-154), ’s-Gravenhage 1979

v      A.M. Elias, H.W. van Soest en Chr.H. Stokman-Prins: Syllabus van de Geschiedenis van de Nederlandse Staatsinrichting tot 1813, nrs. 23 en 28 e.v., Vakgroep rechtshistorische vakken Faculteit der rechtsgeleerdheid Leiden, januari 1990

v      S.J. Fockema Andreæ: Fockema Andreæ’s Rechtsgeleerd Handwoordenboek [bewerkt door N.E. Algra en H.R.W. Gokkel], Alphen aan den Rijn 1977

v      C.J. Franssen, J. van Zwijndregt, H.M. Franssen, en J.F. Schouwenaar‑Franssen: Staatsinrichting van Nederland, m.n. nr. 34 (“De tijd vóór 1795”), Groningen 1976

v      R. Fruin, en H.T. Colenbrander: Geschiedenis der staatsinstellingen in Nederland tot den Val der Republiek [ingeleid door Prof. dr. I. Schöffer], m.n. Tweede Boek (“Veranderingen gedurende de troebelen”), blz. 154-180, en Bijlage I (“Aanteekening op de Unie van Utrecht”), blz. 379‑416, ’s-Gravenhage 1922 [reprint 1980]

v      P. Gerbenzon, en N.E. Algra [met medewerking van B.S. Hempenius-van Dijk en M. Tragter-Schubert]: Voortgangh des rechtes ‑ De ontwikkeling van het Nederlandse recht tegen de achtergrond van de Westeuropese cultuur, Hoofdstuk V (“De Republiek (1581-1795)”), Alphen aan den Rijn 1979

v      S. Groenveld, en H.L.Ph. Leeuwenberg: De Unie van Utrecht ‑ Wording en werking van een verbond en een verbondsakte, ’s-Gravenhage 1979

v      S. Groenveld, H.L.Ph. Leeuwenberg, N. Mout en W.M. Zappey: De kogel door de kerk? De Opstand in de Nederlanden en de rol van de Unie van Utrecht 1559-1609 [met een woord vooraf van H.J.L. Vonhoff], Zutphen 1979

v      J. Jobse: Unie van Utrecht, 23 januari 1579, in modern Nederlands, Utrecht 1979

v      T. Koopmans: Compendium van het staatsrecht [bewerkt door J.E. Goldschmidt, A.W. Heringa en R.E. de Winter], m.n. nr. 8 (“Staat en constitutie”), Deventer 1987

v      J.Ph. de Monté Ver Loren, en J.E. Spruit: De rechterlijke organisatie in de Noordelijke Nederlanden tot de Bataafse omwenteling, Hoofdstuk V, paragraaf 3 (“De Unie van Utrecht”), blz. 217-220, Deventer 1982

v      J. Presser [met medewerking van J. Romein, A.C.J. de Vrankrijker, R.E.J. Weber en J.W. Wijn]: De Tachtigjarige Oorlog, Hoofdstuk III; zie met name bladzijde 92-93. (“Vive le Geus, is nu de loes (1572-1588)”) en blz. 79-104, Amsterdam/Brussel 1978

v      W. Velema (samenstelling), J.T.L.M. van Bree [et al.] (teksten), en P. Bataille [et al.] (beeldresearch): Spectrum atlas van historische gebeurtenissen van de Lage Landen, m.n. blz. 48-49 (“De Unie van Utrecht”), Utrecht/Antwerpen 1985

v      A.H. Zwart [e.v.a.]: De Middeleeuwen; hieruit m.n. het hoofdstuk “De welvarende Bourgondiërs” (blz. 322-327), Rotterdam 1977

 

index – © Dirk van Duijvenbode, Katwijk aan Zee (NL) – Laatste wijziging: 21.V.2006