Verlies en Zin
Doctoraalscriptie
Wijsgerige Ethiek
Begeleider:
Drs. C..G. Bremmers
Katholieke
Universiteit Nijmegen
Jan G.
Roza
Nijmegen,
december 1995
1 HET ROUWEN
1.0 Vooraf
In dit gedeelte worden ter informatie enige
belangrijke aspecten van het rouwproces zeer beknopt en daardoor onvolledig
naar voren gebracht, waarbij gebruik wordt gemaakt van de opvattingen van
diverse psychologen, zoals Lindemann, Ramsay, Worden, Engel, Nancy O'Connor
en van de gynaecoloog Keirse. Zeer bekend
is het eerste systematische onderzoek van het rouwproces door Lindemann. (Voetnoot: Lindemann, E., Symptomatology
and management of acute grief. American journal of Psychiatry, 101,
141-148, 1944).
Benadrukt zal worden dat alle bovengenoemden als
doelstelling van het rouwproces beschouwen, dat rouwenden zo snel mogelijk,
met name om pathologisch gedrag te voorkomen, zich op een bepaalde manier
behoren te herstellen van de klap in hun leven om te komen tot integratie in
de maatschappij.
Hierna wordt aandacht gegeven aan het door
verdrietigen veel geraadpleegde boek van Ter Horst die ook dezelfde
doelstelling heeft, maar die tot mijn
grote verbazing opstandigheid ten opzichte van leed als beste houding naar voren brengt.
Bovendien is zijn boek interessant, omdat hij
uitgaat van de vraag "wat moet
een mens doen" en daarop ook "doe- antwoorden" geeft
die over het algemeen door vele treurenden die absoluut niet weten, wat ze
moeten doen en hoe ze met het sterven van een kind moeten omgaan, worden
opgevolgd. (Voetnoot. W.ter Horst, Over troosten en verdriet, 3e
dr., Kampen z.j.)
1.1 Het rouwproces verloopt in fasen
Vele auteurs beschrijven het rouwproces in fasen.
Parkes (Parkes,C.M. The
first Year of bereavement, 440-470, 1970)
en ook Bowbly( Voetnoot, J.Bowbly, Processes of mourning,
in: Internat. Journ. Psychoanalysis 42 (1961) 317-340) geven een
duidelijke beschrijving van het rouwproces in de volgende vier fasen:
1.
Verdoving en verbijstering
2.
Smachtend verlangen en zoeken naar de overledene
3.
Desorganisatie en wanhoop
4.
Reorganisatie
- De fase van de verdoving, waarin het verlies in
zijn volle waarheid nog niet
doordringt, treedt onmiddellijk op na het verlies en duurt volgens Parkes
enkele uren tot enkele weken.
- Daarna komt de tweede fase waarin men hevig
verlangt dat de gestorvene terugkeert. Het is de fase van het intense verdriet, in het engels goed weergegeven met
"pangs of emotion".
- In de derde fase is de verdrietige mens vaak
eenzaam, wanhopig en gedesoriënteerd, waardoor hij niet in staat is goed te
functioneren in het gewone dagelijkse leven. Het besef dringt door dat de
geliefde persoon definitief uit het leven is verdwenen en dat alle activiteiten
zonder hem moeten plaats vinden. Er vindt een desorganisatie plaats omdat oude
patronen moeten worden opgegeven, terwijl er nog geen nieuwe zijn, waardoor er
depressiviteit ontstaat en men zich terugtrekt uit allerlei sociale activiteiten.
- Uiteindelijk gaat men over in de laatste fase
van de rouw. De gestorvene wordt geleidelijk losgelaten en er ontstaat een
nieuwe betrokkenheid bij mensen en gebeurtenissen. In het leven ontstaan
andere patronen vanuit een acceptatie dat de ander niet meer terugkeert, hoewel
dat samengaat met steeds terugkerende gevoelens van eenzaamheid en verdriet.
Deze reorganisatie is door Bowbly en Parkes
beschreven vanuit een theoretisch kader waarin cognitieve processen centraal
staan: Er vindt een herdefinitie plaats van zichzelf en van de situatie en men
past zich aan, aan de gewijzigde situatie. In feite beginnen de nabestaanden
nieuwe rollen op zich te nemen. Het gehele netwerk van verwachtingen,
opvattingen en gedragingen wijzigt zich.
1.2 De opvatting van de psycholoog Worden.
Worden ( Voetnoot J.W. Worden ,
Grief counseling and grief therapy, London, 1983) heeft de opvatting
dat bij de indeling van het rouwproces in fasen de nadruk te veel gelegd wordt
op de passiviteit van de rouwenden. Hij is van mening dat het van
wezenlijk belang is voor het goed verlopen van het rouwproces dat de rouwende
mens actie onderneemt en handelend optreedt ten aanzien van het
verwerken van het verlies en het omgaan met verdriet. Hij stelt dat de
rouwende noodzakelijkerwijs vier taken uitgevoerd moet hebben, voordat de rouw
voltooid is.
Als deze vier taken niet vervuld worden ontstaat
volgens Worden - en hij poneert dat met grote stelligheid - een storing in de verdere groei en de
ontwikkeling van de mens.
Hij beschrijft de volgende vier taken die in een
zekere volgorde uitgevoerd moeten worden: (
Voetnoot Zie Keirse p.35)
1.
Aanvaarden van de realiteit van het verlies.
2.
Ervaren van de pijn van het verlies.
3. Zich
aanpassen aan de omgeving zonder de overledene.
4.
Emotionele energie losmaken van de overledene en herin- vesteren in nieuwe
relaties.
- Het aanvaarden van het feit dat een geliefde
gestorven is, ziet Worden dus als een eerste taak, een eerste activiteit van
een treurend mens tegenover het ontkennen van het gebeuren door het te negeren
of te minimaliseren.
- Als tweede taak ziet Worden het ervaren van de
pijn van het verlies. Hij is van mening dat de meesten pijn niet toelaten,
maar er aan proberen te ontkomen.
Volgens Worden (en ook Parkes) is het noodzakelijk de pijn van het verdriet
te voelen en niet te onderdrukken of te vermijden, want dat verlengt het
rouwproces. Als deze taak niet goed wordt voltooid, kan in het latere leven
psychotherapie vereist zijn, maar dan is het vaak veel moeilijker en
ingewikkelder de pijn alsnog op te roepen en te ervaren.
- Het zich aanpassen aan de omgeving zonder de
overledene is de derde taak. De derde taak is volgens Worden mislukt als men
niet in staat is bepaalde vaardigheden te ontwikkelen om zonder de
gestorvene weer te functioneren in de maatschappij en te voldoen aan maatschappelijke
verplichtingen.
- Worden ziet de vierde taak waarin men de
emotionele energie losmaakt van de overledene en richt op een andere relatie
als de moeilijkst te verwezenlijken. Velen vinden volgens hem deze taak zeer
moeilijk, omdat ze bang zijn daarmee de overledene oneer aan te doen. Bovendien
bestaat er angst voor het opnieuw optreden van
verlies , zodat men zich niet meer bindt en zelfs geen liefde meer kan
geven of ontvangen. Keirse (Voetnoot Keirse p.37) stelt dat velen op dit punt
vastlopen in hun rouw en dat ze later vast moeten stellen dat "hun
leven in zekere zin gestopt is op het moment van het verlies".
Volgens Worden is het rouwproces voltooid als
de vier taken zijn vervuld, maar bij een verlies van iemand met wie men een
diepe relatie had, duurt dit zeker twee jaar. Tot mijn verbijstering noemt hij
als criterium van een goede verwerking dat men aan de persoon van de overledene
kan denken zonder pijn. Hij benadrukt dat het eindresultaat van het rouwen
integratie in de maatschappij is.
1.3 De
opvatting van Ramsay
Ook Ramsay stelt dat er vrij algemene reacties
bestaan op een verlies.( Voetnoot, Ron Ramsay, Over rouw,
rouwverwerking en zelfhulp na de dood van een kind, Ouders van een
Overleden Kind 1982). Volgens hem is het zinnig de algemene kenmerken van een
rouwproces te weten, want dan is het mogelijk het beter te begrijpen,
beter te hanteren en het beter te beïnvloeden.
Hij benadrukt dat na de schok, de desoriëntatie en de desorganisatie de
mens kan komen tot reïntegratie in de maatschappij, onder voorwaarde dat hij in
staat is de heftige gevoelens als verdriet, angst, schaamte, jaloezie,
machteloosheid schuld, agressie en boosheid te verminderen en na een jaar te
neutraliseren. In de periode van de reïntegratie is het noodzakelijk dat een
mens talrijke keren afscheid neemt van zijn gestorven kind.
Zeer bekend
is zijn confrontatiemethode, waarin hij benadrukt dat het noodzakelijk
is de gevoelens en gedachten hoe pijnlijk ook toe te laten en er zo lang in te
blijven dat ze vanzelf zwakker worden. Door confrontatie met het sterven van
de geliefde, met de oorzaken van het sterven, met de manier van sterven, met
de rol van de omgeving, en met de gang van zaken tijdens de crematie of de
begrafenis, ontstaan de heftigste gevoelens. Ramsay kiest voor deze harde
confrontaties, omdat hij er van overtuigd is, dat het gevolg is, dat de
gevoelens langzamerhand neutraliseren en verdwijnen.
Volgens hem is dan na gemiddeld dertien maanden
het verwerkingsproces afgesloten.
De gehele methode is er op gebaseerd dat
verdrietigen hun verdriet verwerken met name door confrontatie met wat
er gebeurd is, zodat ze weer normaal kunnen functioneren in de maatschappij.
1.4 Verdriet is een ziekte
Omdat door vele psychologen verdriet om een
verlies door sterven
als een ziekte wordt behandeld, geef ik daaraan
aandacht.
1.4.1 De opvatting van G.L.Engel
Volgens Engel (Voetnoot l,G.L.,Is grief
a disease? p 18 -32, 1961.) is het verlies van een geliefd persoon even
traumatisch als een ernstige ziekte of verwonding. Rouw is volgens hem een afwijking van de gezondheid, waarvan een
mens met behulp van de beste middelen
zo spoedig mogelijk moet genezen. Het gaat er om de treurende mens weer terug
te brengen tot een toestand van evenwicht, zodat hij weer gewoon als vroeger
kan functioneren in de maatschappij.
1.5 De opvatting van Ter Horst
1.5.1 Mogelijke antwoorden op leed
Ter Horst die van mening is dat verdriet een van
de vele mogelijke reacties op leed is, plaatst om meer helderheid te
verkrijgen in de veelheid van mogelijkheden
de antwoorden op drie assen.
(Voetnoot, W. ter Horst, Over troosten
en verdriet, derde druk, Kampen, z.j.hoofdstuk 3)
De eerste as loopt van aanvaarding naar niet
aanvaarding.
Over de mens die het leed aanvaardt zegt Ter
Horst het volgende:"Zo gaat het in het leven, het is nu een maal zo. Leed
hoort erbij. De mens wikt, God beschikt".
Wie het leed niet aanvaardt, protesteert en
reageert aldus: Zo gaat het wel maar zo behoort het niet te gaan. Dit neem
ik niet! Leed hoort er niet bij. (23).
De tweede as loopt van openheid naar geslotenheid.
De derde as gaat van inzet naar geen inzet.
Op de eindpunten van de assen ontstaan dan acht
antwoorden op leed, zoals in het volgende overzicht wordt getoond.
1.5.2 De mogelijke antwoorden in schema
-inzet
------- opstandigheid
-open
-geen inzet -- verdriet
niet aanvaarden
-inzet
------ bitterheid
-gesloten
-geen
inzet -- bevriezing
-inzet
------- onverstoorbaarheid
-open
-geen
inzet -- berusting
aanvaarden
-inzet
------- wrok
-gesloten
-geen
inzet -- kwijnen
1.5.3 Opstandigheid als de beste reactie op leed
De meest belangrijke en meest juiste reactie
is volgens Ter Horst opstandigheid in
een niet aanvaarden en zich actief verzetten tegen datgene wat leed
veroorzaakt.
Verdriet als minder goede reactie op leed houdt
in dat leed niet wordt aanvaardt, dat men leeft in hoop en dat men zich niet
inspant het leed te overwinnen.
Bij herhaling brengt Ter Horst naar voren dat het
belangrijk is geen genoegen te nemen met het leed, zich er niet bij neer te
leggen en er niet in te berusten, want dan sluit die mens zich af voor de
werkelijkheid. Bij hem staat het volgende hoog genoteerd zoals hij het
uitdrukt op blz. 27. "Nee zeggen tegen het leed, er geen vrede mee
sluiten, erin volharden dat het niet zo hoort". Vandaar dat hij
opstandigheid boven aan in het schema plaatst.
Opm. Uit mijn gehele onderzoek zal blijken dat ik
grote problemen heb met de opvatting van Ter Horst dat opstandigheid de
beste nhouding is ten aanzien van leed.
2 Kritiek op het fasenmodel
2.0 Vooraf
De grondgedachte van het fasenmodel is dat een
verdrietig mens een proces moet doormaken dat hoewel soms onregelmatig, in verschillende
fasen verloopt, waarna het afgesloten kan worden.
Degene die geconfronteerd wordt met het verlies
door de dood van een geliefd kind, maakt volgens deze theorie verschillende
fasen door die, als het rouwproces goed verloopt, uitlopen op een
aanvaarding van het verlies en een
afsluiting van het rouwproces. De achtergeblevenen worden innerlijk vrij en
kunnen ruimte creëren voor nieuwe
bindingen, zodat ze na een betrekkelijk korte rouwperiode in staat zijn goed
te functioneren in de maatschappij.
In dit gedeelte van het hoofdstuk wordt eerst een
algemene kritiek gegeven ten aanzien
van diagnostiek die uitmondt in het fasenmodel en vervolgens worden er
vraagtekens bij geplaatst dat men op basis van bepaalde gedragingen komt tot
pathologie.
Na deze algemene kritiek worden vervolgens enkele
kanttekeningen geplaatst bij het beheersmatig karakter van het fasenmodel.
Tenslotte wordt aandacht gegeven aan het
egocentrisch karakter van het
fasenmodel
2.1 ALGEMENE KRITIEK
2.1.1 De diagnose (
Voetnoot. Deze kritiek is ondermeer ontleend aan het boek van Hermans die
beroemd is geworden door het ontwikkelen van de zelfconfrontatie methode.
Titel opzoeken)
- De diagnostiek die uitmondt in het fasenmodel
heeft een klassificerend karakter, want op basis van algemene kenmerken van rouwenden komt men,
afgaande op verdrietuitingen van een cliënt, tot een diagnose van het verdriet
van die persoon en op grond daarvan tot een aangepaste therapie. In feite
wordt de betreffende persoon beschouwd als een 'replicatiepersoonlijkheid':
Deze persoon komt in zijn kenmerken overeen met andere personen dus beschouwen
we hem eender en plaatsen hem in een fase van het rouwproces. Daar deze
stellingname gegrond is op de idee van
een vaststaande replicatiepersoonlijkheid is het volgens Hermans onmogelijk
voldoende aandacht te besteden aan
specifieke kenmerken van deze persoon in zijn unieke situatie en
aan veranderingen die zich in een persoon voordoen. Het ontbreken van dit inzicht maakt het volgens Hermans
onmogelijk een therapie te ontwikkelen die optimaal aansluit bij die betreffende
persoon.
- De diagnose vindt bovendien veel te gemakkelijk
en veel te snel plaats, want het is te
weinig betrouwbaar als men aan de hand van een werkelijkheid, opgevat als
objectief gegeven, oordeelt over iemands verdriet. Men heeft te weinig nagedacht over wat werkelijkheid is. Is dat
de werkelijkheid van de psychologie of die van een verdrietig mens? Is dat de
werkelijkheid, zoals die gedacht wordt door een filosoof, of is dat de
werkelijkheid van alledag, of is dat de werkelijkheid die de werkelijkheid overstijgt,
zoals die voorkomt in een dichterlijke inspiratie of een andere grondervaring?
- Vraagtekens worden er ook geplaatst bij het
impliciete uitgangspunt dat men op basis van vele onderzoekingen van rouwenden,
komt tot een gemiddeld gedrag op basis van de gegeven antwoorden. Een groot probleem is immers, dat men dat gemiddelde
als het beste interpreteert. Deze vorm van diagnostiseren kan worden afgewezen
want men kwantificeert antwoorden zonder rekening te houden met de kwaliteit
ervan. Het lijkt onmogelijk, dat men op basis van een optelsom van
ongelijkwaardige antwoorden (scores) komt tot een normering van verdriet. De
achterliggende filosofie is mechanisch-analytisch en de psycholoog is een
'operator' die de procedure nauwkeurig dient uit te voeren. Naar analogie van
de medische ziekteleer tracht hij de rouwende te genezen op basis van gediagnostiseerde
problemen en uitgekiende therapie.
2.1.2 Pathologie
Het is problematisch dat psychologen op basis van
specialistische kennis van rouwprocessen zich het recht toeëigenen te bepalen
welk gedragingen, als normaal beschouwd worden, omdat ze overeenkomen met een statistisch gemiddelde en welke
pathologisch zijn, omdat ze afwijken van dat statistisch gemiddelde. Naar
mijn overtuiging vinden met name in de gedragstherapie dergelijke diagnoses
vaak ongefundeerd plaats. Zowel de vaststelling van pathologie op basis van
algemene normen, als de therapie die gebaseerd is op die diagnose, wordt
afgewezen.
Wellicht wordt onderschat welke negatieve invloed het heeft mensen in nood
te kategoriseren en te rubriceren. Het risico is niet denkbeeldig dat men de
zwakte en de incompetentie van een verdrietige mens vergroot, en hem diep
kwetst als men zijn langdurig en diepgaand verdriet pathologisch noemt. De
alteriteit van een rouwende wordt dan gereduceerd tot een bepaalde categorie
die beantwoordt aan door de wetenschap vastgestelde eigenschappen en kenmerken
op basis waarvan een diagnose wordt gesteld, waarna medicijnen of een therapie worden voorgeschreven ter
genezing. In feite legt men dan criteria aan op basis waarvan men komt tot
systematische diskwalificatie en kleinering van mensen die bepaalde eigenschappen
bezitten en "afwijkende" gedragingen vertonen.
Opvallend is dat rouw, in de American
Psychiatric Association's Diagnostic and Statistical Manual of Mental
Disorders. Vol. 111, Washington, 1980.) als een depressie-achtig syndroom,
gedurende de eerste drie maanden, wordt beschouwd als normaal en niet als een
afwijking of een ziekte. Als dat gedrag zich echter binnen die tijd niet
wijzigt, wordt (ook door hen) zulk gedrag als abnormaal en afwijkend
beschouwd. Men is van mening dat, als dit gedrag langer voortduurt, het in de
maalstroom van de pathologie terecht komt. Deze stellige diagnose is bevreemdend
en voorbarig, omdat de mens door de eeuwen heen geconfronteerd is met onzekere
en wisselende criteria van pathologie en gezondheid.
2.2 Kritiek op het beheersmatig aspect van het
fasenmodel
2.2.0 Vooraf
In het volgende gedeelte worden kritische
kanttekeningen geplaatst bij het fasenmodel, die in het vervolg van mijn
onderzoek nog uitvoerig aan de orde komen
2.2.1 Het intellectualisme
Een vierde bezwaar tegen het fasenmodel is dat
deze theorie een intellectualistische inslag heeft. Achter dit model steekt de
wetenschapsman die het rouwproces cognitief wil plaatsen en zo duidelijk
mogelijk wil diagnostiseren, construeren, ordenen
en verklaren. Een dergelijke psycholoog is zo
druk bezig met het organiseren en rangschikken van gegevens, dat hij nauwelijks
oog kan hebben voor de verdrietervaring
van de verdrietige zelf.
Zonder daar uitgebreid op in te gaan wil ik
benadrukken dat aan een professioneel helper twee voorname eisen gesteld
worden nl. het persoonlijk engagement
en de deskundigheid om de juiste hulp te kunnen bieden in het begeleiden van
een levensproces van een mens in nood. De professionele helper zal zich buiten
zijn strikte professionele rol moeten begeven om een contact van persoon tot
persoon te doen lukken.
2.2.2 Autonomie
2.2.2.1 Het causa-sui beginsel
Het is bijna vanzelfsprekend dat het
beheersmatige fasenmodel zonder enige bedenking kiest voor het eindpunt van het
rouwen,, als een integratie in de maatschappij, door een autonoom persoon.
Zowel het fasenmodel als de beheersmatige maatschappij zijn immers in hun te
bereiken doelstelling gericht op het het goed functioneren in de maatschappij..
Ter verduidelijking verwijs ik naar de opvatting
van Hollak die stelt dat hoe complex de
westerse cultuur ook moge zijn, zij een eindeloze variatie is op één grondthema
: het beginsel van causa sui.( Voetnoot J. Hollak, Van causa
sui tot autonomie, Hilversum 1966). Dit causa-sui-beginsel komt volgens hem
duidelijk tot uiting in het westerse moderne mensbeeld van een subject dat
zichzelf ziet als autonoom en zichzelf handhaaft tegenover de dreiging van
ziekte en dood. In het leven gaat het om zelf-handhaving, zelf-verwerkelijking,
zelf-ontplooiing en autonomie. Dit causa-sui-beginsel is de basis voor de
moderne rationaliteit. Bovendien leidt
dit beginsel tot het verheerlijken van processen die zelfstandig kunnen
optreden zoals automatiseringsprocessen en cybernetische systemen en tot een
vertechnisering van de cultuur. Tenslotte leidt het causa-sui-beginsel tot het
veilig stellen van de eigen belangen door onder meer het afsluiten van verzekeringen.
2.2.2.2 Bezwaren
Grote bezwaren kunnen ingebracht worden tegen het
gegeven dat een (rouw)therapie gericht
is op een dergelijke autonomie, terwijl er geen aandacht is voor andere aspecten van het rouwen, zoals de vraag of het sterven van
een kind en het verdriet daarover van betekenis
kunnen zijn voor het verdere leven en zo ja van welke betekenis dan.
Bovendien kan men er een kanttekening bij plaatsen dat er zonder discussie van
uit wordt gegaan dat autonomie, die een mens in de ervaring van het lijden
ontglipt, hersteld dient te worden, zodat een mens weer zo snel mogelijk in
staat is tot optimaal functioneren in de maatschappij waarin echter
nauwelijks of geen plaats is voor verdriet.
Deze doelstelling lijkt niet alleen te beperkt, maar
men kan ook grote twijfels hebben over de juistheid er van, want het is
een
belangrijke vraag of therapie inderdaad gericht moet zijn op versterken
van autonomie.
Wellicht is het een misverstand in een dergelijke
therapie, dat een mens de dingen, het gebeuren, het lijden, de angst, het
heimwee in de hand moet hebben en dient te beheersen.(Voetnoot In mijn
onderzoek komt dit probleem uitvoerig aan de orde)
2.2.3 Het egoïsme van verdriet
Er kan ook bezwaar gemaakt worden tegen tegen het
feit dat men in de therapie die gebaseerd is op het fasenproces rouw te veel
benadert als een losstaand niet goed verlopend proces. Men dreigt immers te vergeten, dat er geen
twijfel mogelijk is aan het feit dat rouw veroorzaakt wordt door verdriet, en
verdriet op zijn beurt door een verlies. (Voetnoot, Cornelis Verhoeven,
Het leedwezen ..... p.17) De therapie is slechts gericht op het genezen
van de cliënt en daardoor wordt versterkt dat verdrietig zijn een egocentrisch en wellicht egoïstisch
gebeuren is. Dat rouwen een uiting is van liefde en verdriet ten aanzien van
de gestorvene is nauwelijks aan de orde in het zakelijke fasenproces.
De liefde is echter van groot belang want zij
heeft een dubbel funerair aspect. Aan de ene kant verzet zij zich tegen het
sterven van een geliefde: "Beminnen is willen dat de beminde niet zal
sterven." Gabriël Marcel zegt het treffend: "Aimer un être, c'est dire: toi, tu ne
mourras pas." (Voetnoot Homo
Viator, 205). Hoewel die
liefde sterker wil zijn dan de dood, is de wens in feite niets anders dan een
poging, maar dan een die samen gaat met het smartelijk weten,- dat vaak genegeerd
wordt-, dat die wens en die poging tot
mislukken gedoemd zijn. (Voetnoot Verhoeven, 28). Aan de andere kant
houdt die liefde de bereidheid in na de dood van de geliefde te rouwen.
Verhoeven zegt het aldus: "Een geliefde
is bij definitie iemand, die zal treuren als wij gestorven zijn, iemand dus,
wiens bestaan zozeer in het onze doordringt, dat de dood van de een, ook voor
de ander een dood betekent." (Voetnoot Verhoeven , Het
leedwezen p.30)
Wanneer de rouw in een voorspelbaar model wordt geplaatst met de bedoeling een
verdrietig mens te verlossen van zijn rouw en van zijn verdriet, gaat men volledig voorbij aan het feit dat
het belangrijk
is te gedenken en zich te herinneren vanuit een liefde, die er onder
meer op gericht is dat de overledene niet
vergeten wordt. Zolang er nog
iemand is die zich zijn naam herinnert, is de gestorvene immers niet helemaal
verdwenen en weggevlakt.
In dit verband is het belangrijk om te
signaleren, dat in tegenstelling tot de Duitse, Franse, Britse en Belgische inscriptie op de graven van
de vele soldaten die gesneuveld zijn in de wereldoorlogen: "Onbekende
soldaat, gesneuveld voor het vaderland", de Britse luidt: "Known
unto God." Eigenlijk betekent
dit dat de soldaat die daar begraven ligt, niet helemaal onbekend en anoniem is
en dat zijn naam moet blijven bestaan.
In het volgende hoofdstuk probeer ik meer zicht
te krijgen op de utope van een beheersmatige maatschappij door een omweg te
maken naar een roman van Mas Dendermomde: De wereld gaat aan vlijt ten
onder.
3. Een omweg naar een roman om het verzet tegen
het ideaal van het beheersmatige te versterken
3.0 Vooraf
In dit gedeelte geef ik aandacht aan een boek van
Max Dendermonde
waarin hij op literaire wijze het beheersmatig
denken aan de kaak stelt. Ik maak die kleine omweg omdat ik het huidige
beheersmatig denken en de steeds grotere invloed van techniek en wetenschap als
een bedreiging beschouw voor de ontwikkeling van de mens.
Vervolgens trek ik de conclusie dat het
beheersmatig denken met name de treurende mens bedreigt.
3.1 Een utopie
In de literatuur verzet men zich tegen het
optimisme van het beheersmatige vooruitgangsdenken. Als voorbeeld daarvan dient
de roman van Max Dendermonde, De wereld gaat aan vlijt ten onder, waaraan
door Achterhuis in een lezing aandacht wordt besteed vanuit de gedachte dat de
ideale samenleving, waarin de mens heer en meester is, zich weerspiegelt in de
verschillende utopieën die samenvallen met de lange weg naar vooruitgang.
(Voetnoot Zie Hans Achterhuis, In elke utopie schuilt een nachtmerrie,
Filosofia lezing d.d. 1 april 1994).
De utopie waar Achterhuis op doelt, is een
opvatting die als belangrijkste kenmerk heeft dat vanuit een vooruitgangsgeloof
en een vast vertrouwen in de rede de ideale samenleving maakbaar is. Achterhuis
stelt, en ik onderschrijf zijn
opvatting, dat er binnen het beheersmatig denken een grote droom, een
"utopie" aanwezig is en dat het uitgangspunt ten aanzien van het
beheersbare van de werkelijkheid niets anders is dan een utopie, hoewel die als zodanig door verscheidene wetenschappers niet geac
cepteerd wordt. Volgens henzelf is de
mogelijkheid van steeds grotere technocratische beheersing van het leven geen utopie maar een bereikbaar ideaal. Om zijn opvatting te onderstrepen verwijst
hij naar een boek van Max Dendermonde.
3.1.1 De wereld gaat aan vlijt ten onder
In de roman van Max Dendermonde: De wereld
gaat aan vlijt ten onder, komen de hoofdlijnen van een utopische maatschappij duidelijk naar voren. Alle beperkingen van
de mens verdwijnen door toepassing van technische hulpmiddelen.
- Vader Pousekovsky heft de beperkingen van tijd
en plaats op door de mogelijkheid te creëren dood en levend materiaal radiatomisch
te verplaatsen. Vliegtuigen zijn overbodig en legers kunnen in een oogwenk
overgebracht worden naar bedreigde punten. De natuurlijke omgeving van de
mens wordt terwille van de mens door de techniek omgevormd en tijd en plaats
spelen geen rol meer van betekenis.
- Stiefzoon Bert ontwikkelt een vertaalmachine
die elke taal in een andere gewenste
taal kan overzetten, met de uiteindelijke bedoeling te komen tot één taal voor
alle mensen.
Hiermee is de bouw van de toren van Babel te
vergelijken, want de mens die deze toren tot in de hemel wilde laten reiken-
het beeld van een utopie- was één van taal en spraak. Ook de hedendaagse
techniek zoekt naar een uniforme communicatietaal die voor iedereen beschikbaar
en te begrijpen zal zijn. De moderne vertaalmachine en het streven naar één
computertaal heeft als hoofddoel dat de mensen elkaar altijd en overal
verstaan.
- Dochter Helen zoekt naar de mogelijkheid dat
alle mensen zich onder alle omstandigheden happy kunnen voelen en ontdekt
daartoe een synthetisch hormoonpreparaat. Deze chemische aanpak om te komen
tot geluk vinden we ook bij Huxley (Brave New World). Het gaat bij beiden
om een samenleven in een fantastische harmonie. Mocht iemand toch ongelukkig
dreigen te worden dan is er in de heerlijke nieuwe wereld van Huxley altijd nog
de wonderpil soma die alle ellende als sneeuw voor de zon doet
verdwijnen.
- Stiefzoon William tracht een spiegel te
ontwikkelen waarin alles op aarde en in het heelal te zien valt. Er zijn geen
geheimen meer, want alle gebeurtenissen zijn zichtbaar.
Het zal duidelijk zijn dat het de bedoeling van
de hele familie Pousekovsky is, door technologie en wetenschap de mens te
verlossen van zijn beperkingen, en ongeluk definitief uit te sluiten.
3.1.2 Het individuele
Helen ontdekt
echter als eerste de keerzijde van dit ideaal als zij in haar
verliefdheid voor Alec Weatherhood, de hoofdpersoon van het boek, toegeeft aan
haar verwarde gevoelens van liefde en
verlangen. Met het bewust worden van het individu-zijn en in het besef van haar
verlangens en andere gevoelens, verdwijnt de utopie. Op het eerste gezicht leek
voor Helen het volmaakte geluk langs technologische weg bereikbaar door middel
van farmaceutica of conditionering van de omgeving, maar dit blijkt schijn als
er een echt individu optreedt, want dan wordt de utopie ontmaskerd.
3.2 Het moderne beheersmatig denken
Na de korte bespreking van de utopie als literair
genre, geef ik nu enkele kenmerken van de moderne utopie van het beheersmatig
denken
3.2.1 Het individuele verhaal verdwijnt
Volgens Achterhuis is een belangrijk kenmerk van
de utopie van de beheersing van het leven door de techniek, dat er geen individuele
verhalen verteld kunnen worden. Door de zeer sterke technische vooruitgang
raakt het persoonlijke verhaal in de verdrukking, omdat het er niet zoveel meer
toe doet. Met name voor lijdende mensen is dit een ontwikkeling die vervreemdend
werkt, omdat zij juist aandacht vragen voor hun verhaal.
In het boek News from Nowhere (Voetnoot.
schrijver opzoeken) waarin iedereen te pas en te onpas beweert: We feel
so happy, is verhalen vertellen reactionair, want de mensen leven in een
eeuwig heden zonder interesse voor verleden en toekomst. "Geen enkel
gevoel mag te diep gaan, dat is maar sentimenteel en men leeft gemakkelijk,
easy-going, in een eeuwigdurende vakantie. Er bestaat geen enkele ruzie en
de opvoeding is anti-autoritair. Over de bewoners is geen enkel verhaal te
vertellen.
Ook Orwell maakt in zijn beschrijving van Newspeak
duidelijk, dat het in deze taal
uitgesloten is tot associaties bij woorden te komen, zodat er alleen
maar sprake kan zijn van eenduidige informatie-overdracht en ook hier
verdwijnen de verhalen.
Ook de huidige computertaal als eenheidstaal
belemmert het vertellen van verhalen, want iemand die zich moet bedienen van de
mondiaal uniforme communicatietaal zal nooit tot een eigen persoonlijk verhaal
kunnen komen.
3.2.2 De naam wordt onbelangrijk
Bovendien is een kenmerk dat de mensen die wonen
in een moderne utopie, waarin veel
beheerst wordt door de techniek meestal geen eigennaam hebben, maar aangeduid worden door een letter of een cijfer,
waardoor persoonlijke verschillen wegvallen, omdat ze er niet toe doen. Te
denken valt aan leger, ziekenhuis, inrichting, grote stad, universiteit,
scholengemeenschap, multinationals en andere grote bedrijven, lopende band
arbeiders, bejaardenhuizen, verpleegtehuizen, hotels, vermaakcentra etc.,
want ook daar gaat het om duidelijkheid en efficiency zodat mensen niet onder hun naam, maar onder een
nummer in de computer worden ingevoerd
en ook daar doen persoonlijke situaties en levensverhalen er steeds
minder toe.
3.2.3
Er bestaan geen geheimen meer
Ook in de "Big Brother" van
Orwell is in een of andere vorm een utopie aanwezig, namelijk in het gegeven
dat alles voor iedereen zichtbaar moet zijn en dat er geen geheimen mogen
bestaan. Ook Foucault verwijst hiernaar als hij stelt dat onze westerse maatschappij
die gericht is op geluk panoptisch
is, want als men het grootste geluk voor het grootste aantal mensen
wil bereiken moet alles voor iedereen zichtbaar zijn. In onze moderne westerse
maatschappij is deze aanwezig in de vorm van de informatietechnologie en de
media die alles bloot leggen wat er maar bloot te leggen valt, zodat er geen
geheimen meer zijn.
Iedereen heeft een eigen sofi-nummer en wordt
daardoor zelf een nummer. Met behulp
van een computer kunnen alle
persoonlijke gegevens gekoppeld
worden, zodat er geen geheimen meer bestaan. In zo'n beheersbare maatschappij
verdwijnt de betovering om plaats te maken voor technologische beheersing.
Velen denken te weten hoe de werkelijkheid in elkaar zit, maar de kunst, de
literatuur en misschien ook de filosofie hebben te maken met datgene wat vóór
het beheersbare ligt en dat het tegelijkertijd overstijgt.
3.3 De dreiging van de utopie van het
beheersmatig denken.
Met enige nadruk verwijs ik naar het beroemde
citaat van de Russische filosoof Berdjajew bij 'Brave New World' waarin
hij zijn bezorgdheid uit voor de dreiging dat dergelijke utopieën, waarin de
techniek en de wetenschap zegevieren, gerealiseerd worden, maar waarin hij
tegelijk zijn hoop vestigt op met name intellectuelen om dat te verhinderen : "Utopieën
blijken veel uitvoerbaarder dan men vroeger dacht. En wij staan tegenwoordig
voor een heel wat angstwekkender vraag: Hoe kan men vermijden dat zij voorgoed
worden verwezenlijkt? .....Het leven beweegt zich in de richting van utopieën.
En misschien staan wij aan het begin van een nieuw tijdperk, waarin de
intellectuelen en de ontwikkelde klasse zullen gaan zinnen op middelen om
utopieën te voorkomen en terug te keren tot een niet-utopische, minder
"volmaakte" en vrijere samenleving."
3.4 Een eerste conclusie
3.4.1 De utopie bestaat
Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd
worden, dat in de Westeuropese
maatschappij het geloof in technocratische vooruitgang door middel van de rede
sterk aanwezig is, en dat in die maatschappij weinig plaats is voor persoonlijk
lijden.
Door de sterke vooruitgang van de techniek met name binnen de
geneeskunde stijgt de gemiddelde leeftijd waarop mensen sterven, is pijn niet
meer nodig door de mogelijkheid dat de patiënt bij pijn zichzelf computergestuurd
zeer kleine doses medicijnen kan toedienen, kunnen veel te vroeggeborenen door
technische ingrepen in het leven worden gehouden, is het mogelijk door ver doorgevoerde
specialisaties mensen te opereren aan zeer ernstige kwalen, rukt het gebruik
van medicijnen binnen de psychiatrie geweldig op, kunnen vrouwen zelf bepalen
wanneer ze een kind 'nemen', en kan het leven op allerlei manieren bijna
onuitputtelijk met behulp van de wetenschap gerekt worden. Binnen die
maatschappij leeft de utopie dat het bijna onmogelijk is dat kinderen sterven
en als het al gebeurt, is men er van overtuigd dat het nooit bij zichzelf
plaatsvindt, maar altijd bij anderen.
3.4.2 De utopie wordt bedreigd, maar wint van een
verdrietig mens.
Als er dan toch een eigen kind sterft, valt het
kaartenhuis van de utopie volledig in elkaar en verdwijnt het geloof in
zichzelf en in al die anderen die voortrazen in de carrousel van de westerse
maatschappij. Sommigen stappen even, en anderen iets langer uit de draaimolen
van de voortrazende jachtige massa, maar de meesten gunnen zich zelfs geen
tijd om te troosten, omdat ze gericht zijn op andere prioriteiten. Ze ijlen
voort in hun jacht naar status, bezit en geluk.
De verdrietige mens die treurt om zijn kind,
wordt eenzaam, komt in een leegte terecht in een maatschappij
die hij niet meer verstaat en die hem niet meer als verdrietige accepteert. Hij
heeft de keus het verdriet te negeren en te ontkennen, opdat hij weer een
plaats binnen de utopie heeft, of hij kiest voor het eenzame verdriet en voelt
zich dan niet meer thuis in de westerse maatschappij. Uiteindelijk gaat hij ten einde raad naar rouwtherapie
die hem weer terug wil voeren naar de beheersmatige maatschappij. In de
beheersmatige benadering van het rouwproces wordt er immers van uitgegaan, dat
verdriet manipuleerbaar is en dat de crisis waarin de verdrietige zich bevindt,
zo snel mogelijk opgeheven dient te worden, zodat het voor de cliënt weer
mogelijk wordt goed te functioneren in
de maatschappij.
3.4.3 Een paradoxale situatie
In feite wordt hij geconfronteerd met een paradoxale
situatie, want aan de ene kant wil hij terug naar de tijd dat zijn kind nog
leefde, aan de andere kant kiest hij niet meer voor die situatie, omdat hij
door de individuele verlieservaring geconfronteerd is met de waanzin van de utopische maatschappij, waarin hij
desondanks toch leeft en waarbinnen hij bovendien ook ruimschoots gebruik
maakt van de "weldaden" van de techniek.
Hoe kan hij leven in deze technocratische
maatschappij en tegelijkertijd leven met zijn individuele verdriet en met zeer
veel vragen, want vragen zijn er:
Waarom moest mij dit overkomen, waarom sterven
jonge kinderen en blijven oude, zieke, gebrekkige, bejaarden, van wie er velen
naar de dood verlangen, leven. Wat is de zin van zo'n kort leven? Hoe ga ik om
met al die mysteries.
Hoe ga ik om met mijn eigen verdriet?
In de loop van mijn onderzoek komt met name de
waarom-vraag uitgebreid aan de orde, maar eerst besteed ik in het volgende
gedeelte ven dit hoofdstuk aandacht aan het troosten van verdrietigen, zoals
dat onder meer in het genre van de 'consolationes plaats vond.
4 CONSOLATIONES
4.0 Vooraf
Nadat er in het voorafgaande gedeelte aandacht is
besteed aan het bestrijden van rouw als gevolg van een verlies van een
geliefde door de dood, wordt nu de blik gericht op het zoeken naar troost voor
treurenden.
Allereerst wordt beknopt aangegeven dat de
presocratische filosofie, in tegenstelling met het denken in de
prefilosofische tijd, het lot van een mens tracht te verzachten door het te
begrijpen en te verklaren. Belangrijk voor mijn onderzoek is, dat de macht
buiten de mens, wordt afgebroken, terwijl er tegelijkertijd een macht in de
mens (een autonomie) wordt opgebouwd.
Daarna wordt de blik gericht op de consolationes
in het algemeen om daarna aandacht te geven aan een troostbrief van Servius
Sculpius aan Cicero. Ik behandel de brief tamelijk uitvoerig, om dat ik me
afvraag of een dergelijke brief mij zou troosten.
Hierna wordt ingegaan op de moderne RET therapie,
omdat deze gebaseerd is op opvattingen van de Stoïcijnen.
Uiteindelijk vraag ik mij af, of deze omweg een verdrietig mens verder brengt in zijn
omgang met het verlies van zijn kind door de dood
4.1 Het prefilosofische Griekse denken
In het Griekse denken zag in de prefilosofische
tijd de mens zich als klein wezen in een universum dat volledig werd beheerst
door goddelijke krachten. Bij Homerus onder meer werden de levens van mensen
bepaald door de beschikking van de goden, zodat het duidelijk was, dat de mens
zijn eigen leven niet in eigen hand had en zelfs zonder het te weten,
meewerkte aan de eigen ondergang, zoals de dappere helden in de Griekse
tragedies de eigen ondergang en het lot op heroïsche en tegelijk tragische
wijze op zich namen.
Belangrijk is ook het begrip moira dat bij
Homerus duidt op een macht die buiten de mens ligt en die later bij Hesiodos
gepersonificeerd werd in de schikgodinnen: Atropos, Lachesis en Klotho.
Tegen deze macht buiten de mens ontstond verzet vanuit
de filosofie, maar in feite ontstond er een nieuwe macht die niet buiten de
mens, maar in de mens zich bevond.
4.2 HET TRAGISCHE WORDT OVERWONNEN DOOR DE
MACHT VAN HET WETEN
De
vroeg-Griekse filosofen verzetten zich tegen de opvatting
dat het lot van een mens in handen zou zijn van
de goden of van bovennatuurlijke krachten. De Presocraten leggen de nadruk niet
op het ondergaan van het lot, maar meer op het verklaren van datgene wat er
gebeurt. Ook de socratische mens laat zoals Nietzsche het zegt in De
geboorte van de Tragedie, de tragische levenshouding achter zich, omdat
hij gelooft in de macht van het weten. ( Voetnoot Zie F.Nietzsche,
Sämtliche Werke. Kritische Studienausgabe, Berlin 1980).
Volgens Martha Nussbaum is Plato op zoek naar een
leven zonder broosheid en heeft hij de intentie het lot te beheersen door het
op een streng rationale wijze te benaderen (Voetnoot, M.Nussbaum, The fragility of Goodness, Cambridge
1986).
Ook Runia benadrukt dat de Griekse filosofen
vooral willen beheersen door te begrijpen en dat het ideaal niet is heroïsche beleving,
maar rationele verklaring. Deze verklaring zet aan tot bepaald handelen, waardoor de menselijke
kwetsbaarheid tot een minimum wordt teruggebracht.( Voetnoot. Douwe
Runia,Noodlot, toeval en de ervaring van het kwade, In Het lot in
eigen hand? onder redactie van Paul van Tongeren, Baarn 1994, 59)
4.3 De consolationes
Onder consolatio wordt in engere zin verstaan een
geschrift dat opgesteld is naar aanleiding van een sterfgeval met als doel het
verdriet van de nabestaanden te verminderen of zelfs te doen verdwijnen. In
bredere zin is het geschreven met de bedoeling dat degene die het leest steun
kan ontvangen bij allerlei tegenspoeden. (Voetnoot, R. Kassel,
Untersuchungen zur griechischen und römischen Konsolationsliteratur,
München 1985,p. 3)
Naast de filosofie heeft de retorica grote
invloed gehad op het genre van de consolatio. De retoren legden namelijk
vooral de nadruk op het opzetten van een methode voor het troosten en stelden
allerlei eisen aan de woordkeus en de opbouw. Beroemd is hun bindende schema
van lamentatio, laudatio en consolatio.( Voetnoot
Ook in onze tijd zien we in de benadering van verdrietigen vaak dezelfde
volgorde. Mem treurt mee, prijst de gestorvene en spreekt daarin en daarna
troostende woorden).
Om wat meer zicht te krijgen op de manier van
troosten wordt tamelijk uitgebreid aandacht geschonken aan een beroemde Stocijnse
troostbrief, waarna een eerste commentaar zal worden gegeven.
4.3.1 Troostbrief van Servius Sculpius aan Cicero
Servius Sculpius
schrijft aan Cicero een brief
naar aanleiding van het sterven van zijn dochter Tullia.
- Na in de eerste volzinnen Cicero zijn medeleven
betuigd te hebben, stelt hij hem de volgende vragen: "Hoe komt het
toch dat uw persoonlijk verdriet u zo ontstelt? Bedenk, hoe tot nog toe de
fortuin met ons gehandeld heeft; bedenk, dat ons ontnomen is wat de mensen
niet minder dierbaar moet zijn dan hun kinderen: Het vaderland, het aanzien,
de achting, onze ambten. Wat kon door deze ene onaangename gebeurtenis
die er nu nog bijgekomen is, aan uw verdriet nog toegevoegd worden? Of welke
door dergelijke zaken gehanteerde geest moet niet allang een soort eelt
ontwikkeld hebben en alles voor betrekkelijk onbelangrijk houden?
Uit deze vragen komt duidelijk naar voren dat
Cicero zich dient te beheersen, want de fortuin heeft hem al zo veel leed
gebracht dat het verliezen van een kind het verdriet niet erger kan maken. Hij moet al eelt op zijn ziel
hebben en de betrekkelijkheid van
alles wat hem overkomt, inzien.
- In de volgende zinnen stelt de briefschrijver
dat zijn dochter niet zo slecht af is, omdat het "in deze moeilijke
tijden nog niet zo slecht vergaan is met hen, wie het vergund is zonder pijn
het leven met de dood te verwisselen."
- De volgende alinea is een waarschuwing om niet
te lang te lijden, want dat maakt het allemaal nog erger:
" Het is erg zijn kinderen te verliezen,
maar misschien is het nog erger hieraan te lijden en te blijven lijden."
- Vervolgens verstelt de
briefschrijver dat hij bij zijn terugkeer uit Klein-Azië de steden Aegina,
Megara, Piraeus en Corinthe die eertijds bloeiende steden waren, daar nu totaal
verwoest zag liggen in een woest landschap vol ruïnes. Hij vertolkt zijn gedachten
aldus: "Ach moeten wij nietige mensen nu in opstand komen, wanneer
iemand van ons wier leven uiteraard zoveel korter is, sterft of gedood wordt,
wanneer op één plaats zoveel lijken van steden zomaar neerliggen? Zou jij,
Servius, je niet klein voelen en bedenken dat je maar een mens bent?
- En dan komt een verbazende zin: "Geloof
mij, door deze gedachte werd ik niet weinig bemoedigd. Hij geeft daarvan
de volgende uitleg: Nog kort geleden
zijn zoveel mannen van groot aanzien omgekomen, is afbreuk gedaan aan de macht
van het Romeinse volk .... en is u nu ontredderd, omdat u afstand heeft
moeten doen van het nietige leven van één zwakke vrouw?" De vrouw
is blijkbaar maatschappelijk gezien
van weinig belang en bovendien is het onjuist te treuren om het sterven van één
mens als er zoveel anderen sterven of gestorven zijn. Cicero geeft door zijn
lijden veel te veel aandacht aan het verliezen van één persoon, die ook nog een
zwakke vrouw is.
- Bovendien, aldus de
briefschrijver, zou uw dochter, omdat ze maar een mens is, als ze nu niet
gestorven was toch over weinige jaren
hebben moeten sterven.
In deze opvatting komt duidelijk het relativeren
van het leven naar voren. Het kan er
toch niet zoveel toedoen of een mens een paar jaar ouder wordt of niet. Ten
opzichte van de eeuwigheid zijn die paar jaren immers te verwaarlozen. Het is
eigenlijk uitstellen van verdriet als uw dochter was blijven leven.
- Daarna zegt Sculpius het volgende: "En u moet tenslotte niet vergeten,
dat u Cicero bent en de man die gewoon is anderen te onderrichten en raad te
geven. Nu moet u de raad, die u zelf aan anderen pleegt te geven, nu op uzelf
toepassen en ter harte nemen." Het
is blijkbaar vanzelfsprekend dat een man van een bepaald hoog niveau
zich beheerst.
- Tenslotte zegt hij nog het volgende: Als de
mensen in de onderwereld nog enig gevoel hebben, wil uw dochter vast niet dat
u om haar verdrietig bent, want zij houdt van u.
Deze laatste opmerking ontneemt Seneca elke
mogelijkheid tot verdriet, want als hij treurt gaat hij blijkbaar in tegen de
wens van zijn dochter.
4.3.2 Verdriet moet verdwijnen door redeneren
In bovengenoemde brief komt duidelijk naar voren
dat het sterven van een kind, moet worden afgewogen tegen andere situaties die
wellicht nog erger zijn. In feite wordt het verdriet afgenomen.
Vervolgens wordt troost aangeboden en verdriet
opnieuw afgenomen door er op te wijzen dat de dochter zonder pijn gestorven is.
Ook wordt gewaarschuwd niet te lang te lijden,
want dat is zinloos en maakt het gebeuren alleen maar erger.
Bovendien is het treuren om één nietige vrouw
niet terecht.
Tenslotte wordt verdriet ontnomen omdat het niet
past bij een man als Cicero en bovendien zal de dochter verdriet om haar niet
willen
Naar mijn opvatting zou een dergelijke brief
bedoeld als consolatio mij niet troosten, maar diep wonden, omdat ik het doel,
dat een mens leert op een verstandelijke manier het verdriet te beëindigen
niet kan onderstrepen..
4.4 De huidige situatie
We zien een vergelijkbare opvatting in het fasenmodel,
waarin een mens na het doorlopen van enkele vastgestelde fasen in een
betrekkelijk korte tijd in staat behoort te zijn in de maatschappij terug te
keren.
In feite sluit de brief van Servius Sculpius aan
Cicero immers tamelijk goed aan bij de rationele en beheersmatige manier van omgaan met treurenden in onze
tijd. Het probleem is echter dat vele treurenden het niet redden in de
beheersmatige maatschappij. Ze gaan in
grote getale naar zelfhulpgroepen of leven in eenzaamheid.
Na de vaststelling dat de therapie die gebaseerd
is op het fasenmodel ontoereikend is, wordt de voorzichtige conclusie getrokken
dat ook de consolationes niet toereikend zijn.
4.5 De RET therapie
Omdat de RET-therapie zich zeer snel uitbreidt en
omdat deze therapie als rouwtherapie veel wordt gehanteerd, geef ik ruim aandacht
aan deze belangrijke therapie.
4.5.1 De grondslag van de therapie
Stoïsche ideeën hebben hun actualiteit niet
verloren. We vinden ze onder meer terug in de door Albert Ellis ontwikkelde
Rationeel-Emotive-Therapie(RET). (Voetnoot Zie René Diekstra en Will
F.M.Dassen, Rationele therapie Amsterdam 1976). De grondlegger van
deze therapie, Albert Ellis, maakt duidelijk dat de ideeën welke ten grondslag
liggen aan de rationele therapie gevonden kunnen worden bij de Stoïcijnen en
met name bij Marcus Aurelius en
Epictetus. Bij herhaling "citeert" Ellis uit het Encheiridon
de volgende uitspraak: " Men are not disturbed by things themselves,
but by the views they take of them".( Voetnoot (Voetnoot
A.Ellis, Rational emotiv therapy: Research data that support the clinical and
personality-hypothesis of RET and other modes of cognitive therapy, in: The
Counseling Psychologist, 1977,7,14)
4.5.2 Leven volgens de rede
Hij onderstreept dat het gaat om te leven
volgens de natuur en dat staat volgens hem gelijk met het leven volgens de rede
en daarnaar vastberaden te handelen.
Ellis legt net als de Stoïcijnen nadruk op
apatheia, maar amendeert hun opvattingen enigszins door te stellen dat
menselijke emoties voornamelijk het resultaat zijn van denken, waarbij hij
denken opvat als 'mental processing
of words', kortweg self-talk genoemd.
Belangrijk in de therapie is, dat de mens door te
analyseren ervaart waardoor die emoties
eigenlijk zijn ontstaan, maar nog fundamenteler is, dat hij er naar dient te
streven op rationele wijze controle over zijn emoties te verkrijgen en
ze te beheersen. Belangrijk is daarbij alle irrationele oorzaken te ontdekken
en uit te bannen. Volgens Ellis zijn emotionele en psychische stoornissen
vooral het gevolg van onlogisch en irrationeel denken. Een mens kan zijn
lijden verminderen als hij leert zijn rationeel denken te maximaliseren
en zijn irrationeel denken te minimaliseren.
4.5.3 Een emotionele stoornis
Ellis spreekt van een emotionele stoornis,
wanneer een persoon één of meer irrationele ideeën aanhangt, dat wil zeggen,
opvattingen heeft, die niet met de werkelijkheid overeenkomen.
Belangrijk is dat naar zijn mening een emotionele
stoornis niet primair ontstaat door een externe gebeurtenis, maar door een
bepaald idee over de werkelijkheid. Zeer bekend is zijn ABC
ten aanzien van de anatomie van emoties waarbij A
staat voor de gebeurtenis, B voor de houding ten aanzien daarvan en C de
emotionele reactie er op. Deze volgorde impliceert dat de emotionele reactie
niet het gevolg is van een gebeuren, maar van de houding ten aanzien daarvan.
Binnen het ABC van een emotie is er sprake van een emotioneel probleem, dus van een
stoornis, als de houding ten aanzien van A gebaseerd is op irrationele ideeën
die niet verifieerbaar zijn.
4.5.4 Gesprekken en trainingen zijn van groot
belang
In deze therapie staat centraal het via
gesprekken opzoeken, begrijpen en daarna betwisten en veranderen van een
irrationeel idee. De therapeut is dus in deze aanpak directief en rationeel bezig met het beïnvloeden
van zijn cliënt.
Opvallend en ook zeer interessant is dat Ellis
gericht was op het veranderen van irrationele self-talk, dus van het taalgebruik
van de cliënt, die hij trainde in het afleren van het irrationeel gebruiken van woorden zoals, verschrikkelijk,
afschuwelijk., aangrijpend, overstelpend, en het aanleren van andere woorden die voortkomen uit een
rationeel taalgebruik. In zijn opvatting komt naar voren, dat door het corrigeren van irrationele self-talk, irrationele ideeën
worden afgeleerd. Hij ging zelfs zo ver dat hij, nadat hij de cliënt geconfronteerd
had met zijn irrationele ideeën
en irrationeel taalgebruik, met behulp
van gedragsoefeningen bepaalde gedragingen afleerde en andere aanleerde.
Hoofdzaak in de therapie is de cliënt te leren op
rationele wijze om te gaan met zichzelf en met de gehele werkelijkheid
door rationele zelfanalyse, rationeel denken, rationele imaginatie oefeningen, waarbij de persoon
gevraagd wordt het gebeuren zich voor te stellen. De therapie is gericht op
specifieke rationele gedragsveranderingen, met de bedoeling
dat de cliënt zich niet alleen in de
huidige situatie, maar ook in een volgende moeilijke situatie zichzelf kan
redden.
4.5.5 De aanpak is directief
In tegenstelling met veel non-directieve
therapieën, geeft de therapeut directe concrete adviezen, geeft ook zijn
interpretatie van bepaalde uitingen en gedragingen, waarbij hij zeer direct
zijn goed- of afkeuring laat blijken. Hij confronteert met situaties waar de
cliënten bang voor zijn en laat ze ontdekken dat de angst overwonnen kan worden
door met datgene wat angst veroorzaakt rationeler om te gaan, zodat een
ander gedrag ontstaat.
Grote uitbreiding van de therapie
De rationele therapie breidt zich geweldig uit en
het aantal rationele therapeuten stijgt wereldwijd. De huidige maatschappij is blijkbaar
een goede voedingsbodem voor een concrete, zeer directe, rationele en
efficiënte therapie met duidelijk zichtbare en snelle veranderingen, waarbij
de therapeut duidelijk en direct,
zonder omhaal van woorden, zegt wat er fout is en ook concreet aangeeft, welke
veranderingen er moeten plaats vinden.
De rationele aanpak van de Stoïcijnen werkt
blijkbaar nog steeds, want in de Ret therapie gaat het er om het eigen
gedrag met behulp van het verstand te beheersen. Men are not disturbed by the things themselves, but by
the views they take of them. Een mens is niet verdrietig om
een gebeuren, maar zijn verdriet wordt bepaald door de manier waarop hij
daarnaar kijkt en in dat kijken moet hij zijn verstand gebruiken.
4.6 Hoe verder?
Net als de consolatio heeft de Ret-therapie de
doelstelling dat de mens leert op een verstandelijke manier lijden te
beëindigen. In feite heb ik tegen De
RET therapie, in grote lijnen dezelfde bezwaren als tegen de therapie die gebaseerd
is op het fasenmodel, alsook tegen de consolatio. Het is onnodig de bezwaren
te herhalen, maar wellicht is het voldoende te zeggen dat de rationele
benadering, die door velen geapprecieerd wordt geen enkele aandacht heeft voor
het mysterie en voor datgene wat het verstand overstijgt. Uit mijn onderzoek
zal blijken dat met name het geheim en datgene wat niet te begrijpen is van
wezenlijk belang zijn. In het tweede en derde hoofdstuk kom ik daar uitvoerig
op terug
Beide therapieën zijn ontoereikend. Daarom geef
ik in een volgend hoofdstuk aandacht
aan een totaal andere therapeutische benadering, maar eerst vraag ik mij
nogmaals af, wat een mens in hemelsnaam moet doen, als zijn kind gestorven is
en hij tobt met een ontzettend verlies en met vele vragen, waarop niemand hem
kan antwoorden, terwijl hij zich niet thuis voelt in de westerse maatschappij,
geen troost vindt in een geloof aan God, geen goede therapie kan vinden en zich alleen gelaten voelt door de meeste
mensen rondom hem.
In een volgend hoofdstuk probeer ik wat meer
verheldering te vinden hoe om te gaan
met het sterven van een kind
5 Vragen naar waarom?
In dit kernhoofdstuk van mijn onderzoek verdiep ik me in de vraag die door treurenden zeer veel gesteld wordt,
namelijk de vraag naar het waarom van het sterven van hun kind.
5.0 Vooraf
5.0.1 Een terugblik
In het
eerste hoofdstuk heb ik enige informatie
gegeven over psychotherapie die
gebaseerd is op het principe dat rouwen fasengewijs verloopt met als laatste
fase de herintegratie in de maatschappij. Daarna schonk ik aandacht aan het
veelgeraadpleegde boek van Ter Horst
die aan rouwenden praktische
adviezen geeft in de vorm van doe-antwoorden.
In het vierde hoofdstuk richtte ik mijn blik op
de'consolationes' die geschreven zijn met de bedoeling te troosten.
Zowel de psychotherapie, als de prakische
adviezen als ook de consolationes vind ik van belang in verband met de
mogelijke vermindereing van het diepe leed en de ontzettende pijn die ontstaat
door het sterven van een geliefde, maar naar mijn mening zijn ze ontoereikend,
omdat ze 'slechts' aandacht schenken aan het verminderen van leed en het verzachten
van pijn.
5.0.2 Opzet van dit hoofdstuk
In dit hoofdstuk vraag ik mij allererst af, of
het alleen maar gaat om de vraag naar de mogelijkheid van survival van
verdrietigen.
Vervolgens wordt gezocht naar een andere vraag en
wordt geconstateerd dat de waarom-vraag zeer vaak door treurenden wordt gesteld
en dus een belangrijke vraag moet zijn. Het blijkt echter dat deze vraag door
de treurenden zelf, door de wetenschap en het beheersmatig denken, wordt
afgewezen.
In het volgernde gedeelte wordt gesteld, dat de
waarom-vraag toch een goede vraag is, maar dan als 't volgt gesteld: Waarom
gaat het, als een kind sterft?
Vervolgens wordt ontdekt, dat er toch nog een
moeilijkheid is, omdat een mens die vraag zich niet kan toeëigenen.
In het laatste gedeelte wordt een poging gedaan dichter
bij de opvatting te komen dat een mens geen vragen stelt, maar dat ze hem door
de werkelijkheid worden gesteld, onder bepaalde voorwaarden. Om wat meer
duidelijkheid te verwerven over de mogelijkheden dichter bij de werkelijkheid
te komen, zodat een mens hoort waarom het gaat, wordt aandacht geschonken aan
de grafrede die gehouden is op de begrafenis
van Heidegger.
5.1 Consolatio en psychotherapie zijn
ontoereikend
Ik stel de vraag of het sterven van een eigen
kind slechts een onbarmhartig,
verschrikkelijk, verbijsterend en verdrietig gebeuren is, of het alleen een
nederlaag en een ontzettende pijn is, of dat het mogelijk is in het
allerdiepste treuren, in de woestijn van het leven, in de nacht van
het bestaan, iets anders te ontdekken of te ontvangen.
De situatie is echter precair, want, als een
therapeut die wil genezen, door een verdrietig mens afgewezen wordt en als de
rationele benadering van de Stoïcijnen niet geaccepteerd wordt en als God niet
wordt beschouwd als de Grote Helper en als het ook niet gaat om het stellen van
doe-vragen en zelfs niet om troost, wat blijft er dan nog over voor de
overlevende die de liefde, de aandacht, de aanwezigheid, de woorden, de blik,
het hele lichaam, de aanraking van de
overledene op een indringende wijze, mist?
Is er een oplossing te vinden? Kunnen we de
juiste vragen stellen?
5.2 Zoeken naar de juiste vragen
In de boeken en verhalen die treurenden schrijven
over het sterven van hun kind staat regelmatig
als belangrijke vraag Waarom? (Voetnoot Boeken noemen)
5.2.1 Waarom?
In het ene woordje 'waarom' liggen het wanhopig
vragen, de immense verbijstering en ontzetting over het gebeuren en de
antwoordloze stilte en leegte na de dood van een eigen kind. Steeds dieper
dringt het tot de treurende door dat zijn kind nooit meer terug komt, dat hij
geen antwoorden krijgt op de vele vragen en dat hij moet leven met gemis en
leegte.
Hij zoekt naar steun om te leren omgaan met het
onoplosbare probleem:
- In de eerste plaats kan hij de vlucht voor de dood in onze geseculariseerde
maatschappij een uitweg uit het probleem noemen, maar in feite komt hij dan
niet eens aan het echte probleem toe, hoewel aan de onbewuste vluchtreactie toch een probleeembeleving ten
grondslag ligt.
- Een andere uitweg is de religie, voorzover ze
de mens troost en verzoent met de dood, maar ook dat is voor hem geen uitweg.
In de geseculariseerde maatschappij is de dood nog geen probleem, in de religie
is de dood geen probleem meer. In beide gevallen heeft de dood zijn scherpte,
dat wil zeggen, zijn onoplosbare problematiek verloren, maar dat geeft geen
enkele steun.
- Ook een filosofie die door redeneren de dood
een plaats in het leven wil geven helpt hem niet want ook deze ontwijkt het
echte probleem van de dood.
Of de verlammende uitwerking van de dood wordt
opgeheven door vergetelheid, door gelovige overgave, of door redelijke doordenking,
steeds hebben we te maken met een poging een oplossing aan te reiken waar geen
oplossing is. Daarmee wordt een treurende niet geholpen, want het echte
probleem wordt ontweken. Hij blijft wanhopig vragen naar het waarom en
uiteindelijk stopt hij daarmee
maar de vraag blijft knagen.
5.2.1.1 De vraag naar waarom wordt door treurenden afgewezen.
Hoewel mensen die geconfronteerd worden met leed, zelf allerlei vragen stellen, is het pijnlijk voor een
nabestaande de waarom vraag, als zin-vraag, ten aanzien van het sterven van
een eigen kind, voorgelegd te krijgen door een ander. Het is belangrijk te
achterhalen hoe dit komt. Wellicht wordt de vraag niet goed gesteld, of wordt
de vragensteller niet goed begrepen. Misschien suggereert de vraag, dat er in
het sterven van een eigen kind iets
goeds aanwezig zou kunnen zijn voor de treurende. De vraag zou immers kunnen
slaan op de redenering dat het sterven van een kind, het leven zou kunnen
verrijken. Een dergelijke suggesties wondt en wordt afgewezen, want een
eventuele verrijking kan niet opwegen tegen zoveel verdriet. De verrijking
van het leven kan immers nooit ten koste gaan van een eigen kind. Iedere
treurende zou dan liever arm zijn gebleven. Het is absurd te accepteren dat een
mens door het sterven van een eigen kind rijker zou kunnen worden. (Voetnoot In de loop van mijn betoog zal ik ver
duidelijken dat een ander de waarom vraag nooit
kan stellen, omdat hij geen toegang heeft tot de werkelijkheid waar de vraag
vandaan komt. Hij is nooit in staat de vraag goed te formuleren. Daarom
zal zijn vraag nooit goed overkomen en kan hij beter zwijgen).
De reactie is volkomen legitiem, maar toch is het
ingewikkelder. Ik wijs daarvoor naar een boek van de hoogleraar filosofie Nicholas Woltersdorff, waarin hij op indringende wijze schrijft over het plotselinge sterven van zijn zoon.
Hij schrijft in zijn boek op bladzijde 17 dat het
ontaard verkeerd is dat een kind vóór zijn ouders sterft, maar op pagina 102
zegt hij het volgende: "Lijden kan ons goed doen - kan een zegen zijn,
iets om dankbaar voor te zijn. Dat heb ik geleerd." Blijkbaar was het
verschrikkelijke lijden van zo,n groot belang voor zijn leven, dat hij er
dankbaar voor was.
Misschien geeft Wolterstorff hier een belangrijke
aanwijzing. Daarom zet ik mijn zoektocht voort naar de meest belangrijke vraag.
5.2.1.2 De vraag naar waarom past niet in de
wetenschap
In de moderne
wetenschappelijke filosofie van het subject is het cogito vaak
het funderende moment (Voetnoot Braidotti32). Wetenschappen worden
gelegitimeerd door het feit dat de mens in staat is helder en transparant te
denken volgens verificatie- en legitimatie voorschriften, doordat hij een
verbond gesloten heeft tussen denken en bewustzijn. De zekerheid van het
cartesiaanse cogito, waarin geen plaats is voor illusie, droom, waanzin
en ervaring van het niet-denken (Voetnoot Br.69) verdwijnt als sneeuw
voor de zon in een crisissituatie, waarin blijkt dat de situatie op geen
enkele manier door de rede te beheersen valt. Het geloof in de hegemonie van
het rationele zelf, als rationele legitimerende instantie, vervalt en de greep
die het meent te hebben op de werkelijkheid is illusoir. De rationaliteit wordt
grondig ter discussie gesteld en de illusie dat alles te interpreteren valt,
zakt als een kaartenhuis in elkaar. Het vertoog, de wetenschap en de theorie geven
geen echte mogelijkheden, tot het verstaan van b.v. het sterven van een eigen
kind. Hoe meer de vragen over leven en
dood systematisch beantwoord worden hoe verder een mens afraakt van datgene
waar het om gaat in het leven en hoe oppervlakkiger hij omgaat met de
wezenlijke vragen in het leven. Door te verklaren ontneemt men de dood zijn
scherpte en laat men de onoplosbaarheid verloren gaan. Ik ervaar dat als een
verlies terwijl de wetenschapper dat als winst ziet en als een vooruitgang van
de wetenschap.
Het technisch discours is zelfs een gevaar, niet
omdat het technisch is, maar omdat het suggereert dat een mens tot alles in
staat is. Het kunnen dat de techniek ons voorhoudt, kleeft ons zo vast aan, dat
wij ongevoelig worden voor ons niet-kunnen, voor het niet-beheersen. Daarmee
neemt de techniek een spanning weg en dreigt te ontspannen en zorgeloos te
maken, waar juist een spanning dient te zijn.
5.2.1.3 Het beheersmatig denken als antwoord op
waarom wordt afgewezen
Essentieel voor het beheersmatig denken is dat de mens de beschikking heeft over een
scherp verstand, een frisse drang voorwaarts en een goed gevulde
gereedschapskist, want hij moet alles naar zijn hand kunnen zetten om het in
de hand te kunnen houden. Waar dat niet lukt, geldt het motto, dat het nog
niet lukt. Het uitbannen van verdriet is in deze opvatting een kwestie van
tijd. Hoe beter de wetenschap verdriet kan interpreteren hoe minder verdrietig
de mens hoeft te zijn. Verdriet kan via een wetenschappelijke logische en rationele bewerking causaal
begrepen en daardoor met succes efficënt bestreden worden. In feite zoekt men
naar een ethiek die zich baseert op de technocratische rationaliteit van
beheersing en regulering.
Na de dood van God is de mens immrs genoodzaakt
het heft zelf in handen te nemen op zoek naar zijn heil dat blijkbaar niet te
vinden is in het hiernamaals, maar in het hier en nu. Het lijkt er op dat de
mens steeds meer en meer na het geloof in God een maakbaarheidsgeloof
aanhangt.
Met name het beheersmatig denken schiet tekort, omdat het juist het
tekortschieten niet als probleem ervaart en ook niet wil ervaren omdat het
alles wil oplossen. De waarom- vraag komt
als niet-rationele vraag niet eens aan de orde
Ondanks bovenstaande problemen met de
waarom-vraag, zet ik mijn zoektocht voort naar
de belangrijkste vraag of vragen, omdat ik vanuit mijn voorverstaan
niet accepteer dat het sterven van mijn kind geen zin zou heben en van geen
betekenis zou zijn.
5.2.2 De belangrijkste vraag
Zonder ook maar de suggestie te willen wekken dat
ik het verdriet niet helemaal serieus benader in zijn diepe ellende en zonder
te suggereren, dat het niet belangrijk zou zijn van lijden verlost te worden,
zoek ik verder naar de belangrijkste
vraag of vragen die gesteld kunnen
worden aan mensen die treuren om het verlies van hun kind.
Voordat ik mijn zoektocht voortzet benadruk ik
echter eerst dat het sterven van mijn
kind op indringende wijze werkzaam is in mijn leven, dat het me heel
veel doet en dat het me aan gaat of anders uitgedrukt, dat het sterven mijn leven beïnvloedt en dus van belang is
voor mijn verdere leven. Tot mijn
verrassing kunnen aan de vorige zin opeens de volgende zeer belangrijke vragen
worden ontleend :
(Hoe) is de gebeurtenis van belang voor het
leven?
(Hoe) is de gebeurtenis werkzaam?
(Hoe) doet de gebeurtenis veel in het leven?
Als de gebeurtenis van belang is voor het leven,
maakt deze dan duidelijk waarom het gaat in het leven?
(Wat) heeft de gebeurtenis te maken met de manier
waarop een mens verder leeft?
Waar gaat het om, wat zegt het en wat is het belang?
Tot mijn opluchting kan ik in feite de vorige
vragen samenvatten in één vraag, want eigenlijk ben ik weer terug bij de waarom
vraag, maar dan zo geformuleerd: Kan
een verdrietig mens door datgene wat hem overkomen is, ontdekken waarom het
gaat in het leven?
De belangrijkste vraag is dus toch de waarom vraag.
Dit is een kernpunt van mijn onderzoek. Vanuit
dit punt terugkijkend kan ik duidelijker stellen dat de eerste gedachte dat
het gaat om het verminderen van lijden ontoereikend is. Vooruitkijkend wil ik
mijn zoektocht voortzetten door in het tweede hoofdstuk me te richten op de
vraag hoe ik kan ervaren waarom het gaat om in het derde
hoofdstuk aan de orde te stellen wat
'waarom het gaat'inhoudt.
5.2.2.1
Er is toch nog een moeilijkheid
Nu ik de vraag gevonden heb, blijft nog over hoe
ik de vraag kan toeëigenen, maar dat blijkt voorbarig want er is helemaal geen
mogelijkheid van toeëigenen van de vraag waarom het gaat als een kind sterft.
In een situatie van verdriet om het sterven van een geliefde ervaart een mens
immers, dat hij als subject anders gedacht moet worden dan een persoon die
zichzelf op een zinvolle manier kan realiseren, want in zo'n situatie is er geen sprake van zelfverwerkelijking
als toeëigening. We moeten dan meer denken aan het ek-sisteren dat wil zeggen
het openstaan voor een werkelijkheid, niet als een activiteit van een autonoom
subject, maar als een passiviteit en ontvankelijkheid.
De vraag : Kan een verdrietig mens door
datgene wat hem onverkomen is ontdekken waarom het gaat in het leven?,
moet opnieuw be- vraagd worden.
??????ik ben van mening dat het ten diepste niet gaat om het stellen van de zinvraag ten aanzien van het sterven van een
geliefde en dat het er ook niet om kàn
gaan en zeker niet als die zin gezocht wordt door mensen die het sterven van een kind alleen abstract theoretisch en
daardoor afstandelijk benaderen. Een dergelijke benadering is alleen maar een
nachtmerrie. Moet dan de conclusie zijn dat het gebeuren zinloos is. Ook dat
is geen juist alternatief.
5.2.2.2 Een nieuwe poging
Eigenlijk ben ik weer vastgelopen, want misschien
moet ik de vraag anders formuleren, of moet ik zelfs ophouden met vragen stellen
en ben ik te methodisch en daardoor
wellicht beheersmatig bezig met de belangrijkste vraag. Ik zeg wellicht op een methodische wijze dat
de vraag nooit methodisch bereikt kan worden en in die zin kan mijn onderzoek
nooit gelukken, maar kan ik slechts de problemen aanraken, zonder de diepte van
de echte vraag te ervaren. Ondanks dat waag ik toch een poging.
Allererst
tracht ik de vraag te herformuleren, zodat het actieve subject verdwijnt
en het niet zelf de vraag stelt. De
herformulering luidt aldus: In het
ervaren van het sterven van een kind, heeft een mens de mogelijkheid te ervaren
waarom het gaat.
5.2.2.3 Waarom het gaat is de
kern van mijn onderzoek
'Waarom het gaat' kan een mens dus niet zelf
ontwikkelen, maar wordt duidelijk door het zich openstellen van de mens voor
wat er gebeurt en gebeurd is.
'Waarom het gaat is in feite een geschenk van de
werkelijkheid. Het is met name
belangrijk stil te staan bij het ontbrekende en dat te raadplegen, want
daaruit komen de vragen naar boven die niet verzonnen zijn door mensen, want de
mens stelt niet de vraag maar wordt gevraagd (Voetnoot Eldert willems, Hetzelfde
anders, in Lier en Boog 1992 jrg.8 nr.29. 71- 88). Hoe meer de vragen
systematisch benaderd worden, hoe verder een mens verwijderd raakt waarom het
gaat.
Waarom het gaat is de kern van mijn onderzoek en
daarom zal ik als prélude op hoofdstuk twee en drie in dit gedeelte
alleen maar proberen en beetje dichter bij 'waarom het gaat' te komen als een
kind sterft.
Allereerst tracht ik een beetje dichterbij het
mysterie (van het sterven van een kind) te komen, zonder dat ik naar een
precies antwoord streef op waarom het gaat, want dan zou ik het mysterie ontkennen.
Ik ga daarvoor naar de grafrede die gehouden werd
op de begrafenis van Heidegger (Voetnoot: Erinnerung an Martin
Heidegger, Ansprache zur Beisetzung am 28.Mai 1976 uitgesproken door de
godsdienstfilosoof B. Welte).
5.3 Enkele pogingen om dichter bij 'waarom het
gaat' te komen
5.3.1 Het aandachtig zoeken
Om dichterbij het mysterie te komen voldoet niet een methodische uitwerking van
het probleem, maar wordt het filosoferen meer een aandachtig en liefdevol
vragen en zoeken rondom het gebeuren in om toegang te verkrijgen tot het meest
wezenlijke dat altijd een geheim blijft.
In de grafrede van Heidegger staat er het volgende over: "
Martin Heidegger ist nun selber durch die Tür getreten. Wohin führt sie?" Niemand kan het zeggen: "Was
kein Wort sagt und kein Bild malt, ist das Geheimnis. Heidegger suchte es immerfort. Er suchte es auf seinem Weg,
und er suchte es im geheimnisvollen Geschick des Todes am meisten."
De dood heeft het geheim van het zijn in zich,
daarom is het toelaten van de dood (van een eigen kind) een weg naar 'zijn',
waarin het duidelijk wordt dat de mens zijn leven als sterfelijk wezen
voltrekt. De openheid van de mens tot dat wat er werkelijk is, of anders gezegd
het laten optreden van de werkelijkheid als werkelijkheid, geeft hem openheid
tot het zijn.
Daarom is denken niet hetzelfde als begrijpen of
verklaren, maar is het veel meer het komen tot een 'viering', waarin er plaats
is voor zuivere herinnering en gedenken, en bovendien voor het uitspreken van
de verwondering, omdat een mens de spreekbuis van de werkelijkheid en de
hoeder van 'zijn' mag wezen.
5.3.2 Het roepen uit de diepte
Misschien gaat het alleen om het roepen uit de
diepte: "De Profundis, aus der Tiefe, da ist der Psalm der aus der
Tiefe der Gottesferne zum göttlichen Gott ruft. Der ruf, den Heidegger Nietsche
zugedacht hat, war gewiss sein eigener Ruf."(Voetnoot Idem)
Misschien is het mogelijk in de allerergste ervaring en in het allerdiepste
treuren te wachten op de wenkende boden van het 'goddelijke', want "Sie
winken aus der Gegend des Sterbens, des Todes, des Nichts und des Seins und der
Weg des Heideggerschen Denkens ging diesen Winken entgegen. ... Dahin war das
ganze Denken dieses Grossen Denkers unterwegs."
5.3.3 Het toelaten van de sterfelijkheid
Misschien kunnen we dichter bij het geheim komen
van het sterven van een eigen kind als we toelaten dat we zelf ook
sterfelijk zijn, want daarin ligt het geheim'. In de grafrede voor Heidegger
staat het aldus: "Der Tod birgt als der Schrein des Nichts, das Wesen
des Seins in sich. Der Tod ist als der Schrein des Nichts das Gebirge des
seins." (Voetnoot Erinnerung an Martin Heidegger)
Na deze korte omweg naar Heidegger, probeer ik
nog meer mogeklijkheden te vinden die toegang geven tot het wezenlijke dat
altijd een geheim blijft
5.4 Enkele andere mogelijkheden
5.4.1 Zich openstellen voor de werkelijkheid
Mijn uitgangspunt is dus dat een ingrijpende
gebeurtenis een mens duidelijk kan maken waarom het gaat in het leven.
Dat gebeurt echter niet automatisch. Als mensen
zich niet openstellen en de werkelijkheid niet toelaten wordt het zeer bedreigend,
want dan toont de werkelijkheid zich niet en dan gebeurt er niets, dan wordt
alles weer vanzelfsprekend en dan rent een mens weer voort in zijn jacht op
welvaart en geluk.
Alleen waar iemand zich openstelt kan het
belangrijke ter sprake komen. Vanuit een nood en vanuit verlangen gaat
het er om te wachten op wat zich aandient, zoals Heidegger ook heel zijn leven
gewacht heeft op een wenk van de werkelijkheid. ( Voetnoot Zie Erinnerung)
De werkelijkheid is een woestijn en als dat
toegelaten wordt, dan bestaat de mogelijkheid dat de werkelijkheid naar een
mens toe komt om voor een aandachtig liefdevol luisterend oor te vertellen wat
belangrijk is en wat niet.
Dit is echter uitzonderlijk, want het is niet
vanzelfsprekend dat de werkelijkheid iets zegt. Vaak zwijgt de werkelijkheid in
alle talen en is alles nietszeggend en kan de mens slechts wachten.
Een mens maakt blijkbaar niet zelf uit, of iets
belangrijk is, of niet en dat is zeer frusterend voor de moderne westerse mens.
5.4.2 Een mens stelt niet de vragen, maar wordt
gevraagd
Het gaat er dus niet om allerlei vragen te
stellen, want dan reageert de
werkelijkheid niet, maar het is wel nodig een vragende aandachtige liefdevolle
houding aan te nemen in een overgave, die wellicht zelf ook weer een gave is.
(Voetnoot. Deze houding komt nadrukkelijk aan de orde in de oratio van
de Joods/Christelijke mystiek, waaraan
ik in het derde hoofdstuk aandacht besteed).
Het gaat niet om het stellen van vragen, maar
veel meer om het luisteren en om te wachten op de vragen die vanuit de
werkelijkheid en met name vanuit de lege plekken gesteld worden. Ook de
waarom- vraag moet ingeslikt worden. Het is niet het meest belangrijke
te vragen naar de zin van verdriet om het sterven van een geliefde, maar het gaat het er om in liefde te treuren, te
gedenken en zich te her-in-neren
en zo daar doorheen dichter bij het geheim te komen. Het gaat er
uiteindelijk niet om dat een mens naar het gebeuren teruggaat, maar dat het
naar de mens toekomt en de mens
toelaat, als de mens er diepe aandacht voor heeft. De gebeurtenis laat
een mens denken of anders gezegd geeft hem te denken
5.4.3 Geen toeëigening van betekenis
De mens kan betekenis zich niet toeëigenen maar
kan deze ontvangen van de werkelijkheid. De werkelijkheid vraagt om
diepe luisterende aandacht, stil
worden, leeg worden, loslaten, en zwijgen. Het is een luisterend stil worden,
het is het ophouden van vragen stellen zodat we datgene kunnen ervaren, wat we
dikwijls overschreeuwen met onze eigen drukte, met onze begrippen en
vooroordelen en met onze rationele benadering. We zijn niet gericht op resultaat,
oplossing of verklaring, want die doen de werkelijkheid waarin een verdrietig
mens verkeert slechts geweld aan en die zijn een sta- in-de-weg bij de zoektocht
naar de diepe werkelijkheid. Juist door het stil worden, kunnen de allerdiepste
existentiële vragen, zoals de vraag naar de zin van het lijden ons worden
gegeven. We kunnen de vragen dan niet meer van ons afschuiven met intellectuele
schijn-antwoorden.
5.5 De werkelijkheid zegt waarom het gaat
De werkelijkheid zegt me iets en daardoor geeft
het me een ander perspectief. Het geeft richting aan mijn leven en het maakt
duidelijk, waarom het gaat, in het leven want het heeft iets te zeggen. In
feite wordt in mijn leven de vanzelfsprekendheid afgebroken dat het leven zo
gaat zoals ik verwacht dat het zal
gaan. Het paradoxale is dat het me verontrust, dat het me letterlijk doet
sidderen, dat het huiveringwekkend en
gewelddadig is, maar juist daardoor gebeurt er iets. Door de diepe
grondervaring wordt het leven me een zorg, want er is iets in het geding: Het
zegt me waarom het gaat. Het sterven van een kind is van zo'n groot belang dat
na de gebeurtenis het leven opnieuw begint. Het sterven van een kind vindt
plaats in het jaar nul, want er begint een nieuwe jaartelling.
Na een belangrijke eerste uiteenzeting van de opvatting dat het er om gaat dat de werkelijkheid onder bepaalde voorwaarden
kan laten zien waarom het gaat, maak ik in het volgende hoofdstuk een omweg
naar de Joods -Christelijke
traditie, waarin ik aandacht geef aan
de aandachtige en liefdevolle houding ten aanzien van de Tora. Ik maak die
omweg vanuit mijn voorverstaan dat de 'vreemde' benadering als een religieuze
inspiratie mijn relatie met de eigen werkelijkheid kan verduidelijken.
In het zevende hoofdstuk ga ik naar Heidegger,
omdat hij mij onder meer verduidelijkt dat het er om gaat in verdriet te zijn.
Bovendien ontvang ik van hem filosofische inspiratie om verder te zoeken naar
een manier van omgaan met de werkelijkheid.
Ik geef ondermeer aandacht aan gedenken omdat ik
wil benadrukken dat gedenken niet alleen plaats vindt om een verlies te verwerken,
maar veel meer om de gestorvene liefde te betonen en te eren. Bovendien voeg ik
een gedachte toe, over het gedenken van gestorvenen in de tweede wereldoorlog,
om de wezenlijke onmacht van mensen ten aanzien van de werkelijkeheid aan te geven.
Daarna zal ik in het laatste hoofdstuk me
verdiepen in de opvatting dat er in een mens niet alleen een onmacht is ten aanzien van het sterven
van een geliefde, maar dat er altijd een niet-kunnen is. Het gaat er om
dichterbij het niet-kunnen te komen.
6 Een omweg naar de Joods-christelijke mystieke
traditie.
6.0 Vooraf
In het vorige hoofdstuk ben ik uiteindelijk tot
de conclusie gekomen, dat het er om gaat van de werkelijkheid te horen, waarom
het gaat.
In dit hoofdstuk, maak ik, om meer zicht te
krijgen, hoe ik in staat kan zijn, te horen wat de werkelijkheid zegt,
een omweg naar de Joodse traditie. Ik geef aandacht aan de Pardes-formule van
de Joodse mystiek en aan de lectio divina. Ik maak die omweg, omdat ik hoop hierdoor het sterven van een eigen kind, beter te verstaan,
zodat ik de bereidheid ontwikkel het moeilijke in mijn leven toe te laten.
Na een korte verantwoording van de keuze van deze
speciale omweg,
wordt informatie gegeven over de Pardes als acroniem uit de woorden pesjat,
remez ,derasj en sod en over de ladder van Guigo II, die in het geestelijk leven de volgende vier
stappen onderscheidt: lectio, meditatio, oratio en contemplatio
Met name de stappen oratio en contemplatio
krijgen wat meer aandacht om dat hierin met de onmacht van een mens naar
voren komt.
Aan het eind van het hoofdstuk breng ik zeer beknopt, de weg naar de Tora, in relatie met mijn eigen weg
in het omgaan met sterven
6.1 Verantwoording van de omweg
Mede onder invloed van Wittgenstein komt Herman
De Dijn in zijn boek 'Kan kennis troosten?' tot de conclusie dat
wetenschap geen antwoord kan geven op de meest fundamentele vragen die de mens
stelt.( Voetnoot Herman De Dijn, Kan kennis troosten, Kapellen/Kampen
1994, 117) Hij verwerpt echter noch de wetenschap, noch een integratie van
zingeving en wetenschap, maar hij zoekt naar een authentieke levenshouding en
is er vast van overtuigd dat die te vinden is in de religie. Hij stelt dat met
de opkomst van het wetenschappelijk, empirisch denken een bepaald soort denken,
namelijk de intuïtieve kennis van het
hart, verloren is gegaan, en dat tegelijk met de crisis van de rationaliteit
en van het mechanistisch wereldbeeld van de natuurwetenschappen, ook
bepaalde tradities weer herleven, zoals de mystiek. Mede op basis van die opvatting, wend ik mij tot de Joods-Christelijke mystieke traditie in mijn
zoektocht naar een authentieke houding ten aanzien van lijden.
In de tweede plaats kies ik voor het benaderen van mystieke ervaringen, omdat
evenals ten aanzien van heftig
verdriet de interpretaties in de loop van de geschiedenis tegenstrijdig zijn.
Het is òf een onuitsprekelijke ervaring met wezenlijke mogelijkheden, òf het
is een uitingsvorm van waanzin.
6.2 Enige informatie
De Pardes-formule waarschijnlijk ontworpen door
Mozes de Leon omstreeks het jaar 1290 is een acroniem gevormd uit de beginletters
van de woorden: pesjat, remez, derasj, sod. Het duidt de vier volgende
traditionele leeswijzen aan van de joodse mystiek: Pesjat is de letterlijke
uitleg van een tekst. Remez duidt op een
verborgen aanwijzing, een wenk in de tekst die wijst op een diepere betekenis. Derasj is het aangeven van de
betekenis van een tekst voor het leven en functioneert als een contrast-aanduiding tegenover pesjat. Sod betekent geheim, mysterie en dat wijst op de
allerdiepste betekenislaag. (Voetnoot, A. van der Heide, p.120)
Voordat ik in ga op de pardes en de lectio divina
geef ik eerst aandacht aan de beroemde parabel van Zohar, omdat er een relatie gelegd kan worden tussen de
weg naar de Tora volgens de Joodse traditie, de parabel van Zohar en de weg van
een mens die treurt om een verlies door de dood
6.3 De parabel van Zohar
Het is belangrijk aandacht te schenken aan een
schitterende parabel, (Voetnoot, Zohar II,99a/b.)waarin het benaderen
van de Tora vergeleken wordt met de wederzijdse toenaderingen van een minnaar
en zijn geliefde. Deze minnaar zwerft
rondom het paleis van zijn geliefde om een glimp van haar op te vangen.
Zij weet dat en laat door een klein deurtje haar gezicht even zien, waarna ze
zich direct weer terugtrekt. Niemand heeft iets gezien behalve haar minnaar.
Zijn hart gaat nog meer naar haar uit, want hij weet dat zij zich uit liefde
tot hem een ogenblik toont om zijn liefde op te wekken.
Zo gaat het ook met de Tora, want zij toont zich slechts aan wie haar liefhebben. Ook
zij geeft hem een wenk (Voetnoot Remez) ,om zich daarna weer
terug te trekken, zodat zijn hart naar haar uit gaat. En als hij dan bij haar komt, begint ze met hem te spreken vanachter
haar sluier die zij voor haar woorden heeft gehangen, zodat hij langzaam tot
inzicht komt. Daarna spreekt ze met hem vanachter een dunne sluier, maar wel in parabelen. Nadat hij met haar vertrouwd
is, laat zij zich zien van gelaat tot gelaat en spreekt met hem over al haar
geheimen (Voetnoot sod) en over alle geheime wegen die in
haar hart verborgen zijn.
(Voetnoot Zo verlang ik er naar dat ook de
werkelijkheid aan mij zijn geheimen vertelt).
6.4 De ladder van Guigo II en de Pardes-formule
6.4.0 Vooraf
We brengen eerst zeer beknopt de spirituele
tradities zoals ze verwoord zijn in de ladder van Guigo II, en de
Pardes-formule naar voren. Soms wordt
er een relatie gelegd met de levensverhalen van verdrietigen, maar dit
gebeurt incidenteel, want het eventueel
aanwezig zijn van diepere relaties vereist een
veel uitgebreidere studie. Er worden slechts enige aanzetten gegeven
die zouden kunnen leiden tot diepgaander onderzoek.
6.4.1 LECTIO EN PESJAT
In de lectio beschouwen we de tekst als
niet-van-mij, als exterioriteit, die de zinnen raakt van buiten af . We
worden vanuit de lezing of vanuit het horen onderricht. "De buitenkant
van het gelezene maakt contact met de buitenkant van de lezer, het
gehoor".(voetnoot Waaijman
36) Dit kan niet slordig of oppervlakkig
gebeuren, maar vereist grote aandacht en zorgvuldigheid, want lezing is als de
aandachtige en eerbiedige streling die het innerlijk doet openbloeien.
Hiermee is de structuur van de lectio paradoxaal, want enerzijds is er
zorgvuldig oppervlakte contact van twee buitenkanten, anderzijds is dit
contact innerlijk gericht met als uiteindelijk doel de beschouwing. In die zin
is de lectio in zijn paradoxale structuur het fundament van de gehele leesprocedure.
In feite is de strekking van pesjat
dezelfde als die van de lectio. Het is in eerste instantie de voor de hand
liggende, algemeen aanvaarde betekenis van een tekst met name de bijbel, maar
later kreeg het meer de betekenis van letterlijk, terwijl in de joodse mystiek
de nadruk lag op uiterlijke betekenis. Het is het uiterlijk gelaat van de Tora
en niet de Tora zelf.
6.4.2 MEDITATIE EN REMEZ
Meditatie en remez zijn er op gericht om in de
kern van de tekst (c.q. het leven) betekenis te vinden.
Guigo geeft de volgende omschrijving van
meditatie: "De overweging is een werkzaamheid van het verstand dat er
zich op toelegt onder leiding van de eigen rede de kennis van de verborgen
waarheid op te sporen." Voetnoot
Waaijman 62). Remez sluit hierbij aan.
Terwijl de lectio een activiteit van de zinnen
is, ligt bij de meditatie de nadruk op het verstandelijke en het ambachtelijke.
Om duidelijk te maken wat meditatie inhoudt,
gebruikt Guigo het beeld van het herkauwen. Door een herkauwer wordt eerst het
voedsel tot zich genomen, wat vergelijkbaar is met lectio, waarna het
broksgewijs terugkomt en opnieuw wordt gekauwd, waarna het weer doorgeslikt
wordt. Voor de meditatie is met name het broksgewijs verwerken een belangrijk
kenmerk. Een stuk tekst, een alinea, een zin wordt aan alle kanten door het
verstand bekeken en bewerkt. Iedere zinswending, ieder signaal wordt opgevangen.
Dat is ook de betekenis van remez, dat letterlijk wenk betekent.
De lezer weegt alle elementen af, zoekend naar de diepere betekenis van een
stuk tekst. Er is contact met de binnenkant van een tekst, met name omdat de
tekst een wenk (remez) geeft aan de lezer zoals de geliefde een wenk geeft aan
de minnaar, die zich aan de buitenkant van het paleis bevindt. (Voetnoot Zie de parabel van Zohar)
6.4.3 ORATIO EN DERASJ
We komen nu in verband met mijn onderzoek op een
heel belangrijk punt, omdat er in de mens die bidt, een omslag plaats vindt.
Hij kan God niet zelf bereiken, maar kan er slechts om vragen dat God naar hem
toekomt. Deze omslag is te vergelijken met de luisterende houding van een mens
ten aanzien van de werkelijkheid, zoals die in het vijfde hoofdstuk is
uitgelegd.
Oratio en derasj gaan verder op basis van
gevoelens en waarderingen in de meditatie, maar tegelijkertijd treedt er een
verschuiving op, want het gaat nu om een verdergaande omvorming in de
betrokkenheid van mensen ten aanzien van het onvoorwaardelijke en daarmee
verbonden ten aanzien van andere zaken.
6.4.3.1 Een
zeer belangrijke omslag van meditatio naar oratio
In Epistola XII schrijft Guigo dat
meditatie de mens, zowel cognitief als affectief, leidt naar gebed(oratio).
Het cognitieve slaat op het inhoudelijke van het gebed en het affectieve verwijst
naar het verlangen, dat is opgewekt door de meditatie. Belangrijk is de omslag
die plaats vindt in de oratio, dat wil zeggen dat een mens zelf de kennis niet
kan bewerken, maar dat hij er slechts om kan vragen in een gebed. Het is een
gave, die wel of niet wordt gegeven.
Oratio is een vragend zich richten op en het is
vanuit een liefdevol verlangen luisteren naar
Derasj is het spreken vanachter de
sluier die de beminde voor haar woorden heeft gehangen, zodat de geliefde
langzaam tot inzicht komt. Daarna spreekt ze tot hem vanachter een zeer dunne
sluier in parabelen en allegorieën.
Ook hier gaat het om het luisteren van de minnaar
naar de geliefde.
6.4.4 Relatie met de werkelijkheid.
Het is voor mij duidelijk dat de overgang van vragen stellen naar
luisteren van belang is voor het
ontwikkelen van een goede verstandhouding met de werkelijkheid van het
eigen levensverhaal, met name als het gaat over lijden. Ook hier is sprake
van zoekend, verlangend en vragend
luisteren met het hart, wat de werkelijkheid te zeggen heeft.
Ook het spreken van achter een sluier, zodat een
mens langzaam tot inzicht komt, is herkenbaar in het lange rouwproces
proces van ontkenning tot echt weten en
echt geloven dat een kind gestorven is en nooit meer terugkomt. De werkelijkheid
geeft de waarheid in gedeelten door, zodat een mens niet gek wordt van verdriet.
Dat er in het treuren een langdurig ongeloof aanwezig is, is niet een gegeven
op basis waarvan een mens therapie nodig heeft, maar is een 'liefdevolle'
benadering door de werkelijkheid.
6.4.5 Nogmaals de omslag
Het iniatief ligt in de oratio niet bij de
mens, Het is slechts met grote betrokkenheid luisteren en re-ageren
op een oproep van de werkelijkheid en het is wachten op een wenk. Het is het
verlies van alle zelfgenoegzame zelfbetrokkenheid en autonomie en het is een
worsteling om (in taal) te uiten, wat men wil zeggen. Dit worstelen is geen
psychologische of subjectieve achtergrond, maar het is datgene in een mens dat
er naar streeft geuit te worden. Uit datgene wat gezegd wordt, blijkt de worsteling
en tegelijk de onmacht, omdat geprobeerd wordt ter sprake te brengen wat niet
onder woorden gebracht kan worden.
Wat er gezegd of geschreven wordt, is niets meer
en niets minder dan de neerslag van de worsteling, die als zodanig gehoord of
gelezen kan worden. Het is een willen-zeggen en een niet-kunnen
uiten, zoals met name bij mystici herhaaldelijk
wordt aangetroffen.
6.4.6 CONTEMPLATIO EN SOD
Het uiteindelijke doel van de PaRDeS-leeswijze is
dichter te komen bij het geheim (sod). Het gaat er om te naderen tot de
diepste betekenislaag dat wil zeggen tot de
geheimen van de Tora, tot de bron met de diepste zeggingskracht in een
intimiteit van de ontmoeting. (Voetnoot: A. van der Heide, Pardes, 138).
Naast de intieme ontmoeting is het in verband met mijn onderzoek dat er op gericht is meer zicht te ontvangen
op mijn omgang met de werkelijkheid, van belang te wijzen op een ander aspect van de contemplatio.
6.4.6.1. De antifrase
De antifrase
is een stijlfiguur waarin het omgekeerde gezegd wordt, van wat men
bedoelt te zeggen. . (Voetnoot; Guigo II, Epistola VIII): Guigo plaatst
deze antifrase binnen de overgang van oratio naar contemplatio: Een mens kan in
zijn gebed niets meer dan in tranen verlangend uitzien naar God. Hoewel de mens
heftig verlangt, is tegelijk dat verlangen machteloos.
Er is de pijn van het tekort schieten, en er is bijna
tegelijk de vreugde van de genade als God reageert.
De paradoxale verhouding tussen oratio en
contemplatio is de grond voor de mystieke antifrase, die inhoudt, dat als er
wordt losgelaten, er wordt ontvangen.
Een vergelijkbare paradox is aanwezig in gedenken
6.4.5 De paradox van het gedenken
Allereerst is er de paradox dat een verdrietig
mens ondanks de pijn en het pijnlijk ervaren van afwezigheid zich toch uit
liefde in gedenken en herinneren kan verbinden met de gestorvene. Er is afwezigheid en tegelijk is er
aanwezigheid. Het paradoxale is dat de wonde die een verdrietig mens sprakeloos
maakt van ellende tegelijk de weg is naar de geliefde, want juist in de pijn
wordt een aanwezigheid in de afwezigheid ervaren.
In zijn totale verlatenheid kan een mens met
verdriet, maar soms ook met blijdschap terugzien naar de voorbije tijd van
aanwezigheid, want in het gedenken is er de mogelijkheid met het hart bij
iemand te zijn.
In gedenken zit dus steeds een paradox, want
hierin laat een mens alles los en gaat uit naar de ander zonder houvast in de
donkerte van ellende, en tegelijk is het een gebeuren van stil zijn en wachten
op het ontmoeten van de geliefde in het diepste innerlijk.
6. 5 Een conclusie
Nu ik aan het einde gekomen ben van mijn omweg,
blijkt dat ik in een cirkel heb gelopen, want ik ben weer terug bij mijn verdriet,
dat ik, - en ook dat is paradoxaal
-, altijd bij me droeg. Het is
afstand nemen en het is tegelijk ook nabijheid.
De omweg is belangrijk, want de manier, waarop de
joods- Christelijke mystiek, de Tora en daarin de werkelijkheid benadert, is voor de ontwikkeling van mijn
voorverstaan ten aanzien van het sterven van een eigen kind van groot belang.
Vanuit een impliciet aanwezige onmacht heb ik immers ontzettend veel gelezen in
allerlei boeken en artikelen, op zoek naar een manier van omgaan met verdriet.
(Lectio). Gelijktijdig daarmee en ook er op volgend heb ik tijdens
mijn studie filosofie jaren gezocht of ik
met behulp van vele moeilijke teksten, zin en betekenis kon geven aan
het sterven van iemand op jeugdige leeftijd. Ik verdiepte mij onder meer in de
hermeneutiek die mij een methode aangaf om dieper in teksten en in
gebeurtenissen door te dringen. Na de omweg naar de Pardes-formule en de ladder van Guigo realiseerde ik me,
dat ik niet verder was gekomen dan meditatio. Ook besefte ik steeds meer
dat het lezen en zoeken naar zin en betekenis wel belangrijk zijn, maar slechts stappen zijn in een
ontwikkeling van een houding ten aanzien van de werkelijkheid en een verstandhouding
daarmee.
Er ontstond een fundamentele wending in mijn
omgaan met verlies en verdriet, want ik kwam van het actief zoeken en
ontwikkelen terecht in het biddend vragen en het wachten op een wenk van de
werkelijkheid.(Oratio) Daarna zocht
ik en zoek nog steeds in een verlangen
en in een liefdevolle houding, dichterbij het mysterie te komen van leven en
sterven, zodat ik steeds betre weet waarom het gaat in het leven.
In een volgend hoofdstuk verdiep ik me in enkele
opvattingen van Heideger vanuit de verwachting dat ze me kunnen helpen in mijn
zoeken naar datgene waarom het gaat. Met name geef ik aandacht aan het gedenken
als mogelijke weg terug naar datgene wat er gebeurd is.
7 Een omweg naar Heidegger
7.0 Vooraf
In mijn zoektocht naar een goede verhouding met
de werkelijkheid, wil en kan ik niet om Heidegger heen, niet omdat hij
mij veel te leren heeft over de weg naar
God, maar wel over de weg naar het diepste innerlijk. Uiteraard moet ik me
beperken en daarom breng ik slechts
enkele gedachten naar voren die door mij gezien worden als inspiratiebron voor de eigen zoekpogingen om te leren
omgaan met het sterven van een kind. Met name zoek ik bevestiging van de
opvatting dat het er niet om gaat dat een mens vragen stelt ,maar dat
hij bevraagd wordt. Ik zoek filosofische ondersteuning voor de wending van een
mens, zoals die in de joodse traditie voorkomt in oratio dat wil zeggen
dat het niet gat om autonomie ,maar om een ontvankelijke houding voor wat er
gebeurt en gebeurd is.
Allereerst
geef ik aandacht aan zijn opvatting dat het in dat denken noodzakelijk
is een Schritt zurück te doen.
Vervolgens probeer ik te achterhalen wat hij
bedoelt met de opvatting dat het andere denken, een danken, gedenken en herdenken
is. Ik maak daarbij gebruik van de dissertatie van IJsseling( Voetnoot Samuel IJsseling, Heidegger, denken en
danken, geven en zijn, Antwerpen 1964). Wellicht kan ik dan ontdekken hoe
het mogelijk is dat Wolterstorff die ik
al eerder noemde in zijn diepe ellende over het sterven van zijn zoon, tegelijk
spreekt over dankbaarheid voor het lijden.
Tenslotte tracht ik naar aanleiding van een
modern gedenken aan te geven dat er in gedenken altijd onmacht aanwezig is.
7.1 De Heideggeriaanse Schritt zurück.
7.1.1 De Schritt zurück is veranderen van
instelling
Volgens Heidegger is de moderne mens, die denkt
dat alles georganiseerd en geregeld kan worden op de vlucht voor een andere
vorm van denken, maar ziet zelf niet dat hij vlucht. Alles wordt immers teruggebracht
tot bruikbaarheid en beschikbaarheid, waardoor de mens een
waarde krijgt, die uitgedrukt kan worden in geld, maar waardoor hij zijn waardigheid
dreigt te verliezen.
Om te ontsnappen aan het beheersmatig denken, dat
volgens Heidegger voortkomt uit de filosofie - want zonder de filosofie van de
Grieken met name Aristoteles en zonder Bacon en Descartes zou er volgens hem
geen westerse wetenschap zijn - wil Heidegger een 'Schritt zurück' maken
: :"Der Schritt zurück meint nicht einem vereizelten Denkschritt,
sondern die Art der Bewegung des Denkens, und ein Lange Weg....Der Schritt
zurück verlangt ein Dauer und Ausdauer, deren Masse wir nicht kennen.....Der
schritt zurück bedarf eine Vorbereitung, die jetzt und hier gewagt werden
muss...."Voetnoot Identität und Differenz Pfullingen 2e druk 1957 p.46)
. Het is niet één stap terug, maar het is het veranderen van een instelling,
die niet in één keer gelukt. Het is een lange weg en het vereist langdurige
volharding en uithoudinsvermogen. Het
is het uiteindelijk opgeven van het
vermogen zelf te kunnen uitleggen en het ontwikkelen van een bepaalde
houding.
7.1.2 De Schritt zurück is belangrijk
De Schritt zurück is belangrijk want het
gaat net als in de Pardes, om het indachtig zijn voor het verborgene en
ontvankelijk te zijn voor het geheim
onder meer om het geheim dat volgens hem verloren is gegaan, waardoor de
mens geen Heim meer heeft, want een mens is slechts zu Hause im
Geheimnis. (Voetnoot A.Peperzak, Kan de Verlichting ons verlichten?
In :Tijdschrift voor Filosofie 24
(1962), p.243-277). In een louter technische wereld waar alle problemen
opgelost zijn en alles beheerst wordt, leeft de mens slechts aan de oppervlakte
zonder geworteld te zijn in de aarde.
Hij leeft zonder een thuis, zonder vrede en
geluk, zonder lijden.
Hij moet een Schritt zurück maken om weer
thuis te geraken. Leven is het zoeken in de diepte naar de bron, het is een
opnieuw denken en in die zin is het een her-denken en geen wetenschappe- lijk denken om alles te
verklaren. Het is zoeken naar de lege
plekken en naar datgene wat zich niet laat zeggen. Het is teruggaan naar de
oer-zaak en het meest oorspronkelijke gebeuren. Dat vinden we niet door een
teruggang naar het verleden, maar we kunnen het vinden door aandacht voor wat
ons tegemoet komt, voor wat op ons toekomt, wat ons aangaat en wat ons
iets te zeggen heeft en in die zin kan het bevrijdend zijn, want alles wat we
zijn is een gave, is een erfenis. (Voetnoot Sein und Zeit,
Tübingen 8e druk p. 384).
Daarom is ons leven nooit een absoluut begin,
want existeren is altijd ook een overnemen van wat overgeleverd wordt en wat
gebeurd is. Dat verleden staat echter
niet achter ons, maar vóór ons, want het komt steeds op ons toe, alsof het
vraagt er niet achteloos aan voorbij te gaan, want juist dan wordt het
verleden een last, omdat we het niet met respect en eerbied toelaten
in ons toekomende leven.
7.2 De Schritt zurück naar wat er gebeurd
is
7.2.1 De Schritt zurück naar de diepte van lijden is een opgave
Het sterven van een kind roept een
verschrikkelijk lijden op en in eerste instantie wil een mens in zijn
ontreddering alleen maar dat het lijden minder wordt, want de pijn van het
verlies en de angst voor het niet weten, wat er nog te wachten staat en wat er
nog komt in een leven zonder het geliefde kind, is eigenlijk ondraaglijk en
onmenselijk zwaar. Als dan geponeerd wordt, dat een mens naar het gebeuren toe
dient te gaan dat lijden oproept, en daarin het lijden moet toelaten, dan zal
het duidelijk zijn dat die opgave bijna onmenselijk is en wellicht ook
niet zonder hulp van een ander gerealiseerd
kan worden.
7.2.2 De Schritt zurück vereist moed
Het vereist heel veel moed de existentiële
grondervaring van het sterven van een eigen kind te willen ondergaan en het is
tegelijk niet een eigen prestatie maar een antwoord op het aangesproken worden
door wat Heidegger "zijn" noemt. Het is niet het zetten van enkele
stappen, maar het vereist moed, geduld en volharding de lange weg, die gepaard
gaat met vallen en opstaan te wagen. In feite is het een voortdurend onderweg
zijn en wel op vele wegen tegelijk en vaak op paden waar elke richtingwijzer
ontbreekt, zodat we steeds de weg moeten vragen, terwijl we zelf niet weten
waarheen we op weg zijn. Het is een spiraal naar beneden die veroorzaakt wordt
door het niet meer zijn van een kind, maar ook tegelijk het niet meer
beschikken over de dingen en het niet meer beheersen van het leven. In deze
werveling gaat de vanzelfsprekendheid verloren en doorheen deze draaiing
waarbij het zwart voor de ogen wordt- kan een mens datgene vinden wat niet in
woorden is uit te drukken en wat Heidegger "zijn" noemt.
7.2.3 De diepte is ook gave
Ondanks dat het moeilijk is, gaat het er om
dichter bij het gebeuren te komen, maar dat is lijden, want het gebeuren is
verschrikkelijk, of liever gezegd het
zich open stellen voor het gebeuren, zodat het een wenk geeft dat we dichterbij
mogen komen is diep en diep lijden. Dat
dichterbij komen is lijden en dat kan ook niet anders, maar dat is geen gebod, maar komt voort uit een verlangen.
Hoe meer het gebeuren wordt toegelaten, des te meer het gebeuren zich opent,
des te groter het lijden, maar ook hoe meer een mens hoort, waar het in het
leven om gaat. Daarom is het gebeuren
tremens, maar het is ook fascinans vanuit de liefde, in die zin dat een mens er
nooit los van kan komen en er altijd mee bezig is.
7.3 Een omslag is mogelijk
Het leven heeft na het sterven van een kind de
mogelijkheid om het Heideggeriaans te zeggen van een Kehre of om het te
zeggen in de sfeer van Augustinus van een bekering, dat wil niet zeggen
naar een tijd zonder techniek of beheersmatig denken, maar dat wil wel zeggen
een herdenken van het gestorven kind, maar ook van het leven en van het
denken zelf om te komen tot de kern van het leven en te ontdekken waarom het
gaat. Het is niet een totaal opnieuw beginnen, niet een andere rationele
kennis, want dat is onmogelijk, maar het is het zoeken naar het ongedachte in
het vroegere denken, het is en blijft vragen naar het geheim.
Voor een verdrietig mens is de leegte niet het
laatste woord, maar geeft het de mogelijkheid tot een omslag, tot een bekering,
tot een andere manier van denken en van leven. De existentiële ervaring plaatst
de mens oog in oog met het niets, schudt de mens wakker en biedt hem de kans de
ogen te openen voor het oer-gebeuren zodat hij in een andere relatie met de
werkelijkheid kan geraken, zodat hij in zekere zin dankbaar kan zijn voor
lijden.
Omdat ik het belangrijk vindt dat lijden door
Heidegger voorgesteld wordt als een gave, geef ik aandacht aan het
denken als gedenken en danken. Ik maak daarbij gebruik van de dissertatie van
IJsseling. (Voetnoot, IJsseling Idem 56)
7.4 Danken voor leed?
7.4.0 Vooraf
Bij herhaling heeft Heidegger naar voren gebracht
dat denken danken is, maar de vraag is, aldus IJsseling, of dit niet eenzijdig
is, want in het leven zijn er ook momenten van verzet en opstandigheid, van een
niet kunnen en niet willen accepteren van wat er gebeurd is. Er is niet alleen
heil, maar ook ontzettend veel onheil. Hoe is het mogelijk denken, danken te noemen en dan met name denken aan het
sterven van een geliefde.
7.4.1 De betekenis van het woord danken
In bovenstaande redenering gaan we uit van een
bepaalde betekenis van danken, maar
Heidegger benadrukt dat danken niet alleen aanvaarden inhoudt, maar dat het
ook en veel meer de betekenis heeft van
iets in zijn waarde laten, zodat het is.
IJsseling wijst erop dat het woord af-danken
niet toevallig wordt gebruikt in onze taal. ( Voetnoot Ijsseling Idem p.96) We duiden daarmee aan
dat we iets of iemand geen plaats meer geven in ons leven of liever gezegd dat
diegene of dat voorwerp uit ons leven verdwijnt.
In die zin is het noodzakelijk te danken, dat
wil zeggen, het sterven niet te negeren of te ontkennen, maar de gestorvene
blijvend te gedenken en daarmee te danken en niet af te danken zodat de
overledene als overledene is. We zouden misschien kunnen zeggen hem of haar
altijd in ons hart te bewaren.
Heidegger zal nooit bedoeld hebben dat we vreugde
dienen te beleven aan het sterven van een kind, maar hij bedoelt wel dat we op
een bepaalde manier denken, zodat de
overledene is in zijn eigen wezen en ook dat het verdriet is.
(Voetnoot Door de betekenis die men in het
algemeen aan dankbaar geeft, is het vaak kwetsend voor nabestaanden on ten aanzien van het lijden door het sterven van een kind te spreken
van dankbaarheid).
7.4.2 De betekenis ven gedenken van een
overledene
Ten diepste heeft gedenken drie betekenissen.
In de eerste plaats gaat het er om dat een mens
door te gedenken het eigen verdriet vermindert
In de tweede plaats is de functie ven gedenken
dat de treurende mens uit liefde de gestorvene in stand houdt in de herinnering
IJsseling wijst nadrukkelijk op deze tweede reden
omdat die zelden genoemd wordt door therapeuten. Hij zegt het volgende:
"Iemand niet langer gedenken, is het grootste
onheil wat men een mens kan aandoen. Iemand vergeten en iemands naam uitwissen
betekent dat hij niet langer telt en niet langer bestaat."(Voetnoot IJsseling
p.108)
In de derde plaats - en dat is het meest belangrijke
- geeft gedenken als Schritt zurück, een mogelijkheid door het verdriet
heen te ontdekken, waarom het gaat. In die zin is het een gave en niet een
opgave.
Herdenken zoals Heidegger het bedoelt is een
terugkeer naar de bron.
7.4.3 Herdenken is teruggaan naar de bron.
Het denken en danken, zoals Heidegger het
bedoelt, is denken aan de bron, want in dat denken gaat men terug naar de
oorsprong, naar het begin, naar de oer-zaak. Dit denken is zich omwenden
en her-denken. Het is leven
vanuit het verleden naar de toekomst. Een denkend mens waagt de Schritt
zurück, want het verleden is voor hem niet voorbij, maar is het op hem
toekomende, waar hij stil bij durft te
blijven staan, omdat hij het herdenkt.
Hij herdenkt omdat een gebeuren te denken geeft,
en ook altijd wéér te denken geeft in een oorspronkelijke ontmoeting met
dat gebeuren in het steeds weer opnieuw voltrekken ervan door er over te
schrijven, te lezen en te denken, of er in stilte over te m_meren of te voelen.
7.4.4 Denken is ontvangen
Het gaat dus in het leven om iets dat we mogen
ontvangen, terwijl we er ook achteloos aan voorbij kunnen gaan. Het is een
vragen en wachten, maar wel een waakzaam
aandachtig wachten.( Voetnoot Vgl de parabel van Zohar) en het is het
kunnen wachten soms een leven lang. Tegelijk is dat wachten geen passief of berustend toekijken en afwachten, want
zonder het wachtende en verwonderende, het luisterende en het ontvangende en
het aandachtig meevoltrekken van het geven, wordt er niet gegeven. Het gevaar
van het nihilisme dreigt dan, want dan gebeurt er niets.
Om aan te geven dat er in gedenken altijd onmacht
en overgave aanwezig is, wend ik me tot het gedenken in onze tijd, waarna ik in
het volgende hoofdstuk dieper in ga op die onmacht
7.5 Gedenken is belangrijk
We leven in een wereld waarin het lijden van
mensen torenhoog aanwezig is en in die wereld staan ontelbare monumenten met
namen. Sommige mensen weten nog van een enkeling, wie er achter een naam
verscholen is, maar ook die mensen zullen sterven en dan is er nog slechts een
naam.
Vijftigduizend namen staan op een monument in
Washington, namen van mensen die sneuvelden in de Tweede Wereldoorlog. In vele landen zijn er dergelijke monumenten
en ook op alle begraafplaatsen staan ontelbare namen ingebeiteld van mensen
die oud of jong stierven. Nabestaanden komen naar die begraafplaatsen en
zoeken, lezen en herlezen, vaak met tranen in de ogen op de monumenten en op de graven, de namen van dierbaren. Het blijkt steeds dat namen belangrijk
zijn, want namen staan voor mensen.
Dit is aangrijpend, maar enige tijd geleden heb
ik gelezen over iets wat me nog diepe aangreep, namelijk de spiegelzaal in
Jeruzalem die ontworpen is ter herdenking van anderhalf miljoen vermoorde joodse
kinderen in de Tweede Wereldoorlog. De spiegelzaal is een geschenk van ouders
van wie hun zoon vermoord werd in Auswitz. Hij is een van de anderhalf miljoen.
Het is onmogelijk dat getal te overzien, maar we moeten ook niet zeggen dat er
anderhalf miljoen kinderen werden vermoord, maar dat er anderhalf miljoen keer
een kind werd vermoord.
In de spiegelzaal branden vijf of zes kaarsen en
deze vlammen worden door lange rijen spiegels anderhalf miljoen keer weerkaatst.
Overal waar een bezoeker kijkt, naar links, naar rechts, naar boven, naar
beneden in alle richtingen ziet hij duizenden lichtjes. Eén lichtje voor één
naam, een vlam voor elk kind dat niet mocht leven, alleen omdat het joods was.
Met op de achtergrond muziek leest een stem de
namen van de kinderen en de naam van de stad of het dorp waarin het kind
opgroeide. Na ruim een jaar zijn alle namen voorgelezen en dan begint de stem
weer opnieuw.
Als ik me al dat leed realiseer, kan ik de gedachte niet onderdrukken dat het leven
absurd is en dat de wereld een absurde plaats is om in te leven, ook omdat onze
westerse manier van leven in zijn ontkenning van het lijden, schril afsteekt
tegen de huidige ontelbare situaties van leed, waarvan we kunnen weten door de
moderne media, maar waaraan we achteloos voorbijgaan.
Het kan toch niet anders dan te concluderen dat
het leven op deze aarde absurd is, of misschien nog bitterder, dat onze manier
van leven dat is, ook omdat wij als westerse mensen ons van het onmenselijke verdriet van anderen nauwelijks iets
aantrekken en maar doorrennen en
ronddraaien in de carrousel van ons bestaan.
Ik denk ook aan Abel Herzberg die in zijn novelle
Drie Rode Rozen schrijft dat de
Jood Salomon Zeitschek niet in de eerste plaats verdriet had om wat er gebeurd
was, maar veel meer om de mensheid, waartoe hij ondanks alles toch behoorde.
Hoe kunnen we leven in een dergelijke wereld. Ik
weet het niet en dat is heel onbevredigend en het zal niet gemakkelijk zijn
toch hoopvol verder te leven in een tijd waarin we geloven dat God dood is en
waarin we er nu zelf voor staan.
Misschien dat we in het gedenken en in het
bewaren van namen toch leren vertrouwen, dat we daardoor ontdekken, waarom het
gaat in het leven en wellicht krijgen we daarbij hulp van al die namen, omdat
in herinnering en gedenken altijd liefde aanwezig is voor de gestorvenen en
ook voor het leven.
HOOFDSTUK 8. HET NIET-KUNNEN
8.0 Vooraf
8.0.1 Een terugblik
In de vorige hoofdstukken heb ik, ten aanzien van
het omgaan met het sterven van een eigen kind, gesteld, dat het niet alleen
gaat om het verminderen van leed door bijvoorbeeld psychotherapie, of het geven
van troost door bijvoorbeeld Stoïcijnen, maar dat het er ook om gaat uit liefde
voor de gestorvene deze te gedenken, zodat degene die dood is, in zekere zin
blijft bestaan, want er is dan een aanwezigheid in een lijfelijke afwezigheid.
Vervolgens heb ik me afgevraagd of het
bovenstaande, hoewel het van groot belang is, het allerbelangrijkste is. Ik
ging op zoek naar een derde betekenis.
In mijn zoeken naar deze derde betekenis richtte
ik mij op het leven van directe nabestaanden en constateerde, dat het sterven
van een kind het verdere leven van degenen die achterblijven, zeer sterk beïnvloedt en er op een bepaalde
manier werkzaam in is, zodat het sterk verandert.
Ik zocht de derde betekenis in die beïnvloeding
en in de veranderingen die ontstonden, en kwam tot de meest belangrijke
conclusie in mijn onderzoek: Het is mogelijk dat een mens door het sterven van een eigen kind ontdekt waarom het gaat in een mensenleven.
Vervolgens heb ik aandacht besteed aan de vraag hoe
een mens in lijden zou kunnen ontdekken waarom het gaat.
Na enkele mislukte pogingen, kwam ik uiteindelijk
tot de conclusie dat een mens datgene waarom het gaat, niet zelf kan ontdekken
of verwerven, maar het onder bepaalde voorwaarden kan ontvangen van de
werkelijkheid. Om daar wat meer
duidelijkheid over te verkrijgen heb ik een omweg gemaakt naar de
Joods-Christelijke traditie en naar Heidegger. Het werd steeds duidelijker dat
een mens in een luisterende eerbiedige en liefdevolle houding terug dient te
gaan naar datgene wat er gebeurd is, om te kunnen horen waarom het gaat.
8.0.2 Opzet van dit hoofdstuk
In dit laatste hoofdstuk wil ik trachten meer
duidelijkheid te verkrijgen over de inhoud van datgene waarom het gaat.
Na aandacht besteed te hebben aan mijn geëngageerd benadering van de
vraagstelling in mijn onderzoek , maak ik drie bewegingen waarin ik
duidelijk probeer te maken dat een mens
altijd onmachtig is.
In de eerste beweging geef ik aandacht aan de
twee onzichtbaarheden van Merleau Ponty: de onzichtbaarheid door de beperkende
situatiegebondenheid van een mens, en de onzichtbaarheid die inhoudt, dat er
altijd iets onzichtbaar is.
Vervolgens verdiep ik me in transcendentie als
iets wat altijd ontsnapt aan de controle van een mens.
In de derde beweging benader ik de opvatting dat
een mens gedecentreerd is, niet door een bepaalde gebeurtenis of een situatie,
maar altijd.
De conclusie is dat een mens niet alleen onmachtig is door een bepaalde gebeurtenis,
maar dat hij altijd onmachtig is. Dat er dus altijd een niet-kunnnen is.
In een mens is er dus iets wat fundamenteel tot het menselijke behoort en wat
tegelijk altijd ontsnapt( Voetnoot Lyotard spreekt in die zin over het
onmenselijke -Boek noemen ). Om dat allerdiepste in een mens gaat het me en
ik vraag me af, of een mens toegang kan verkrijgen tot dat diepste innerlijk.
Vervolgens
zoek ik naar een relatie tussen lijden en de weg naar het centrum van
een mens, naar het allerdiepste niet-kunnen, dat door mij genoemd wordt: Het
andere in mij en trok de zeer belangrijke conclusie dat lijden een toegangspoort
kan zijn voor dat allerdiepste in een mens.
Tenslotte probeer ik te verduidelijken dat deze onmacht, als het aanvaarden van een
allerdiepste niet- kunnnen niet behoeft te leiden tot niets kunnen, maar dat
het openingen kan inhouden tot een nieuwe creativiteit.
8.1 Afstand, nabijheid en onzichtbaarheid
8.1.0 Vooraf
In dit gedeelte geef ik allereerst aandacht aan
enkele moeilijkheden ten aanzien van een geëngageerde vraagstelling. Ter verduidelijking hiervan wend ik me tot
Merleau Ponty Voetnoot Boek van
Merleau Ponty (Zie Bakker) Daaraan gekoppeld geef ik aandacht aan twee
gevaren van een (geëngageerde) vraagstelling, zoals die door P. Van Tongeren
naar voren zijn gebracht. Vervolgens geef ik aan dat er naast een situationele
beperking - die bestaat omdat een mens 'in de wereld' is - er altijd een
niet-kunnen is, omdat een mens sterfelijk is. .
8.1.1 De vraagstelling van deze scriptie is
situatiegebonden
Vanuit een feitelijke situatie en vanuit een
geleefde ervaring ontwikkelde ik in mijn onderzoek een vraagstelling, want ik
vond het noodzakelijk om deze zelf te ontwikkelen. Ik verdiepte me in vragen
die in de feitelijkheid geworteld zijn en dan met name de werkelijkheid als
deze moeilijk en zwaar is, als een mens niet weet waar hij het moet zoeken,
omdat hem iets overvalt, wat hem totaal uit zijn evenwicht brengt, en hem
brengt tot radeloosheid, zodat hij de woorden niet kan vinden om te uiten wat
hem ten diepste raakt.
Ik schrijf vanuit een achtergrond - en voor mij
is het duidelijk dat het niet gaat om een willekeurige achtergrond, of die van
een ander, of zelfs van een grote filosoof, - waardoor ik vanuit een bepaald
standpunt naar problemen kijk. Vanuit dat standpunt lees en herlees ik
(filosofische) teksten, op zoek naar steun en ik doe dat met durf, omdat ik
gegrepen ben door een bepaalde vraagstelling, waarvoor ik in het leven
geplaatst ben. Het is een vraagstelling, waarmee ik geëngageerd ben, waarbij ik
zelf in het geding ben. Dat maakt het juist heel moeilijk om er over te schrijven onder meer in verband met de te
houden afstand, die blijkbaar vereist is in een wetenschappelijke scriptie.
8.1.2 Merleau Ponty en de afstand
8.1.2.1 De kosmotheoros
Merleau Ponty schrijft in Le visible et l'invisible
over de kosmotheoros, de zuivere toeschouwer die de kosmos ziet,
dat wil zeggen, zichzelf beschouwt als er radicaal buiten staand. Zijn
standpunt is te vergelijken met the point of view of nowhere van de
analytische filosofie. Volgens Merleau Ponty is dit neutrale standpunt onmogelijk,
want een mens is ìn de wereld.
Hij benadrukt dat er altijd een blinde vlek is.
Dat heeft te maken met het gegeven dat een mens nooit een neutrale toeschouwer is maar altijd een standpunt
inneemt. Een mens kan nooit alles tegelijk zien. Als hij naar de achterkant
van een object kijkt, moet hij van standpunt veranderen om de voorkant te
kunnen zien. Op die plaats en dat moment kan hij een object nooit aan alle
kanten zien. Dit noemt Merleau Ponty de eerste vorm van onzichtbaarheid dat wil
zeggen dat er iets onzichtbaar is dat door verandering van standpunt zichtbaar
wordt.
8.1.2.2
De eerste onzichtbaarheid als in de wereld zijn
De eerste onzichtbaarheid is er dus, omdat een
mens in de wereld is, want "In de wereld zijn", is in de problemen
zijn, er zich tussen bevinden en er aandachtig en zorgvuldig mee omgaan. Met problemen omgaan is niet iets buiten
een mens, ook niet iets in het hoofd, maar veel meer in het hart, zodat er
betrokkenheid aanwezig is.
"In de wereld zijn", wil dus zeggen dat
een mens doordat hij een standpunt inneemt altijd slechts een gedeelte ziet en
soms iets specifieks. Als anderen dat gedeelte niet zien, is het moeilijk te
communiceren, vooral als het eigen leven dat specifieke als focus heeft. Wat
iemand onverwisselbaar maakt, is dat er iets in deze persoon is, waardoor hij
niet samenvalt met een ander en dat wordt extra duidelijk door een gebeuren
als het sterven van een eigen kind. Er is dan een leegte in die mens die niet
opgevuld kan worden en het is een leegte die alleen in zijn leven aanwezig is,
als die bepaalde leegte. Omdat hij leeft vanuit die singuliere leegte is
communicatie met anderen (bijna) onmogelijk.
8.1.2.3 Geen fusie
Merleau Ponty valt, zoals al eerder vermeld, het
specifieke wetenschappelijke standpunt aan van de wetenschapper die zich als
afstandelijk subject plaatst tegenover het object, en registreert wat hij
waarneemt, maar hij benadrukt ook regelmatig dat een mens wel ín de
wereld en ook ván de wereld is, maar dat hij de wereld niet is. Hij
verzet zich namelijk behalve tegen een te grote afstandelijkheid ook tegen
fusie of coïncidentie, of samenvallen met de wereld. Een te kleine afstand
is volgens Merleau Ponty dus ook niet
goed, maar hij gaat er wel van uit dat de benodigde afstand zeer klein moet
zijn.
Hij stelt dat er een membraan, een zeer dunne
doorzichtige doordringbare scheidingswand
bestaat tussen mij en de wereld, want ik hoor bij iets en dat iets hoort bij
mij, maar ik ben het nèt niet. Als er echter geen coïncidentie bestaat, ben ik
niet ìn de wereld.
8.1.3 De opvatting van P.J.M. van Tongeren
8.1.3.1 Het gevaar van de te grote afstand
Volgens Van Tongeren wordt een (geëngageerde)
vraagstelling bedreigd door een dubbel gevaar.( Voetnoot, P.J.M. van
Tongeren Politiek en moraal vanuit
Aristotelisch perspectief.) Aan de ene kant is er het gevaar van
desengagement: " Wie zich zozeer losmaakt van de problematische
condities, dat hij ze als het ware 'sub specie aeternitatis' (onder het opzicht
van de eeuwigheid) kan beschrijven, is daarmee nog lang niet in staat iets te
zeggen dat voldoende verstaanbaar en toepasbaar is, om aan zijn inzichten ook
praktische betekenis te
geven". (Voetnoot Idem p.50). Ik ben het eens met Van Tongeren,
want ik heb bij de benadering van mijn vraagstelling grote moeite met een
afstandelijke blik, want een mens bevindt zich altijd in een situatie.
8.1.3.2 Het gevaar van de te kleine afstand
Naast het gevaar van de te grote, is er ook het
gevaar van de te kleine afstand. Volgens
Van Tongeren is er "de dreiging, dat onze eigen horizon het zicht op
radicale antwoorden wegneemt. De vraag kan in zulke mate zelf door het probleem
geconditioneerd zijn, dat de afstand ontbreekt die nodig is om de probleemsituatie
adequaat te beschrijven. Zo is bijvoorbeeld degene die radeloos is, dikwijls
niet in staat om zijn radeloosheid te formuleren in een vraag die een
werkelijke oplossing mogelijk maakt." (Voetnoot Van
Tongeren 50)
8.1.4 Commentaar op de opvatting van Van Tongeren
8.1.4.1 Formuleren van radeloosheid?
Hoewel ik het met enerzijds met Van Tongeren eens
ben dat een zekere afstand tot een probleem noodzakelijk is om het adequaat te
beschrijven en dat iemand die radeloos is niet in staat is zijn radeloosheid te
formuleren in een vraag die een werkelijke oplossing mogelijk maakt. Hoewel ik
bovendien net als hij een grote omweg maak naar allerlei richtingen op zoek
naar steun voor mijn problematiek, twijfel ik anderzijds ook aan de opvatting
van Van Tongeren, omdat ik van mening ben dat hij niet naar voren brengt, waar
het om gaat, als iemand radeloos is (door het sterven van een kind). In feite
stelt hij dat een radeloos iemand, door een te grote dichtbijheid, of een te
kleine afstand zijn probleem niet goed kan formuleren en uiteraard ben ik het
daarmee eens, maar bij de conclusie dat daardoor geen werkelijke oplossing
mogelijk is, zet ik grote vraagtekens: Misschien gaat het er niet om de
radeloosheid goed te formuleren en is het ook niet het belangrijkste dat een
radeloos iemand zijn probleem zó formuleert, dat het opgelost kan worden. Misschien
gaat het noch om die adequate beschrijving, noch om de juiste oplossing en
misschien ligt er ook geen relatie tussen het precies formuleren en het
oplossen.
8.1.4.2
Het belang van radeloosheid
In mijn onderzoek zoek ik naar het belang van
radeloosheid en naar het belang van het niet kunnen uiten en er niet bij kunnen
en het niet kunnen formuleren.
Ik schrijf over het gegeven dat er in het leven zeer
fundamentele gebeurtenissen zijn die aan onze controle ontsnappen, zodat we ze
nooit goed kunnen formuleren, omdat er aan onze formuleringen altijd
iets ontsnapt. Ik zoek naar het belang van onvolmaaktheid, disharmonie en
discontinuteit. Het gaat me juist om de ongrijpbare en ongestructureerde en
onformuleerbare ervaringen in het leven. Ik pleit voor een herwaardering van
breuken en barsten, van onmacht en niet-kunnen, van kwetsbaarheid en lijden.
Ik vraag mij af, of grenzen, beperkingen en onmacht
leiden tot wanhoop, cynisme, ontkenning verdringing en eenzaamheid, of zelfs
tot het krampachtig zoeken naar genot waarin men eenzaam blijft, of dat
ze door hun aanwezigheid kunnen leiden
tot een dieper bestaan en daardoor perspectief kunnen geven aan een moeilijk
leven. (Voetnoot G. M. van
Asperen, Eindigheid als perspectief, in Wijsgerig perspectief 28
(1987/88 (3) p.85 e.v.)
Na de uitleg van de eerste onzichtbaarheid, geef ik
nu aandacht aan de voor mijn onderzoek zeer belangrijke tweede onzichtbaarheid.
8.1.5 De tweede onzichtbaarheid
Merleau Ponty stelt dat er na de eerste
belangrijke onzichtbaarheid nog een tweede veel fundamentelere onzichtbaarheid
is, die inhoudt dat er altijd iets onzichtbaar is. Ook al neemt een mens
allerlei standpunten in, er blijft altijd iets verborgen. Er is altijd een
niet zien, en er is altijd een niet horen en er is altijd een niet kunnen.
Deze tweede onzichtbaarheid is er, omdat een mens
als eindig wezen in de wereld is.
Hoeveel standpunten een mens ook inneemt er is altijd
iets onzichtbaars en iets wat ontsnapt en er is altijd leegte en dat komt omdat
een mens leeft als een sterfelijk wezen in de wereld. Een mens heeft
ideeën nodig, maar het grote misverstand is dat het zuivere ideeën moeten
zijn. Dat we net zo lang moeten zoeken tot ze zuiver zijn. Het gaat er echter
om toe te laten dat er altijd iets ontsnapt en altijd al ontsnapt i
8.2
Transcendentie als datgene wat aan de controle ontsnapt
8.2.0 Vooraf
In dit gedeelte verdiep ik me verder in de
opvatting dat er altijd iets ontsnapt en dat er altijd iets is wat we niet
onder controle hebben. Ik noem dat transcendentie of 'het andere in mij,
of het onmenselijke zoals lyotard dat omschrijft Voetnoot Het onmenselijke).
Ook in dit gedeelte gaat het er om dat er niet alleen een situatiegebonden
beperktheid is, maar dat er altijd een tekort is.
8.2.1 De vraag
In de huidige westerse maatschappij houdt men nauwelijks rekening met het
gegeven dat er iets zou kunnen zijn wat aan de controle ontsnapt en wat
overstijgt , want er worden steeds meer pogingen ondernomen, de transcendentie
onder de immanentie te brengen en daarmee controleerbaar te maken.
Het is een belangrijke vraag of we in staat zijn
weerstand te bieden aan het beheersmatige en ons af te vragen of we ons
diepste innerlijk, onze eigenheid nog kunnen redden of dat we meedoen met de
illusie dat alles beheersbaar is en voortrennen in een wereld die aan diepte
verliest. Misschien zou lijden tot die redding een bijdrage kunnen leveren
8.2.2 Het onmenselijke ligt niet buiten een mens
In deze beheersmatige wereld wordt regelmatig op
een of andere manier het diepere in de mens aangetast, maar de oorzaak daarvan
wordt door velen buiten de mens zelf geplaatst en toegeschreven aan de
wetenschap, de techniek, het christendom, de metafysica enzovoort. De vraag
kan gesteld worden of de oorzaak van die aantasting ten diepste in de mens
zelf ligt.
Lyotard spreekt in verband met die vraag over
onmenselijkheid en hij bedoelt daarmee niet een ontkenning van het menselijke,
zoals dat onder meer gezegd wordt bij een onmenselijk verdriet om het sterven
van een kind, maar onmenselijk is bij Lyotard iets positiefs. Het is datgene
wat zich in de mens bevindt, ja zelfs tot de essentie van het menselijke
behoort, en tegelijk ontsnapt aan de greep van de mens.
Bij Lyotard en ook bij Merleau Ponty gaat het er niet
om dat een mens treurt, omdat hij iets verloren heeft door een bepaalde gebeurtenis,
maar het wezenlijke is dat ieder mens iets in zich heeft, wat hij altijd al
verloren heeft. (Voetnoot Dit onmenselijke bij Lyotard heeft dezelfde
structuur als het onzichtbare bij Merleau Ponty)
8.2.3 Het andere in mij
Een andere ingang voor Merleau Ponty's het
onzichtbare en Lyotards het onmenselijke is 'het andere in mij'.
Daarmee wordt bedoeld dat een mens nooit helemaal bij zich zelf kan zijn en dat
er altijd onmacht is. Een barst in een leven is niet te wijten aan een gebeurtenis,
zoals het sterven van een kind, of aan een externe causale factor, maar het
eigene is altijd al gebarsten en er is altijd al een scheur in de werkelijkheid
en er is altijd al een niet kunnen.
'Het andere' is niet buiten mij, maar in mij.
Niet zoals water zich in een fles bevindt in ruimtelijke zin, maar in een
pre-ruimtelijke zin. Het andere is in de mens zonder tot die mens te behoren
en toch is het er in. Er is iets ìn een mens en tegelijk is het buiten. We
kunnen het niet vatten, want het is meer intiem dan het intiemste in ons.
Augustinus spreekt van intimior intimo meo en Lacan noemt het extiem.
Een belangrijke al eerder gestelde vraag is
opnieuw of we via lijden dichter bij dat onmenselijke kunnen komen.
8.2.4 De droom van de controle
Volgens de denkbeelden van de Verlichting en van
het beheersmatig denken is er een onmondigheid die een mens kan kwijt raken,
maar volgens het idee van het onmenselijke behoort die onmondigheid intrinsiek
tot een mens en kan hij er nooit van verlost worden, noch kan hij zichzelf er
van verlossen. De droom van de Verlichting en het beheersmatig denken is de
droom van de controle, maar er is altijd een probleem dat aan die greep ontsnapt.
Ten diepste kunnen we stellen dat een mens niet tekort schiet op een moment,
maar dat een mens altijd tekort schiet.
In die zin is lijden niet een toevallig kenmerk van leven door een toevallige
gebeurtenis, maar is leven altijd altijd lijden, hoewel we dat ons zelden
realiseren en concreet lijden veel
pijn doet.
8.3 DECENTRERING
8.3.0 Vooraf
Nadat ik in de eerste twee delen van dit
hoofdstuk aandacht geschonken heb aan
het niet-kunnen als het onzichtbare en het onmenselijke, als het andere in mij,
maak ik in dit deel het niet-kunnen duidelijker door aan te stippen dat een
mens gedecentreerd is. Het belangrijkste in dit hoofdstuk is de gedachte dat
lijden een centrifugale richting kan hebben, dat wil zeggen dat de mogelijkheid
bestaat dat lijden een mens dichter bij zijn centrum brengt. Vervolgens stel
ik dat het
besef van
gedecentreerdheid een vage schuld met zich mee brengt en dat een mens een
sterke drang in zich heeft die met een ander te delen.
Tenslotte leg ik een relatie tussen sterfelijkheid
en gedecentreerdheid. Ik ga daarvoor naar Heidegger en op een later moment
naar de psychotherapeut M.A. van Kalmthout.
8.3.1 Enkele aspecten van decentrering
8.3.1.0 Vooraf
Een mens is slechts, wat hij is, door een bepaalde
achtergrond, door een soort afhankelijkheid van iets, waarvan hij niet los kan
komen. Hij zal daardoor zijn eigen houding nooit helemaal kunnen verklaren en
soms is dat heel pijnlijk, met name als hij geconfronteerd wordt met afwijkende
opvattingen van mensen die dichtbij hem zijn. Het is voor hem heel moeilijk
met die anderen om te gaan, want hij heeft een standpunt, maar hij kan het
nooit helemaal begronden of beargumenteren. In feite wordt hij nooit helemaal
begrepen. Dit gemis in een persoon noem ik in dit hoofdstuk decentrering
van het subject.
8.3.1.1 Decentrering is onmenselijk
Decentrering van het subject wil niet zeggen dat
het subject dood is, maar dat het in zijn diepste wezen altijd afhankelijk
is (Voetnoot Lacan), wat wil zeggen
dat de soevereiniteit en de autonomie van een mens wordt bevraagd. Het subject
is afhankelijk van een centrum, maar het zware daaraan is dat een mens er nooit
helemaal bij kan en er ook nooit van wegkomt en niet weet wat er zich in dat
centrum bevindt. Het subject beweegt zich steeds rondom het centrum verwikkeld
in centrifugale en centripetale bewegingen.
Lyotard noemt dit centrum om die redenen
onmenselijk en daarom is decentrering onmenselijk. Het onmenselijke is dat een
mens er geen toegang toe heeft en dat hij er ook niet van kan loskomen. Als voorbeeld noem ik weer de naam, want
alle grote tragiek heeft te maken met de naam en zeker de naam van zijn kind
als het gestorven is. Een mens kan van
alles doen voor zijn naaam en die van zijn kind ook al is het gestorven. Een
mens heeft de verplichting te geven om zijn naam, maar ten diepste weet hij
niet wat dat betekent. Hij weet niet of het goed is wat hij doet en wat hij
gedaan heeft.
8.4 Lijden als toegangspoort tot 'het andere in
mij'.
8.4.0 Vooraf
In het volgende gedeelte van dit hoofdstuk zoek ik naar een relatie tussen
lijden en 'het andere in mij.' Ik stel
de vraag of een mens dóór en voorbij het lijden kan komen tot het besef van een niet kunnen, dat als
uitgangspunt zou kunnen dienen voor zijn verdere leven.
8.4.1 Gedecentreerdheid en sterfelijkheid
8.4.1.1
Eigenlijk leven als sein zum Tode
Een belangrijke gedachte ten aanzien van de
gedecentreerdheid is, dat deze fundamenteel verbonden is met wat sterfelijkheid
zou kunnen betekenen. Heidegger schrijft in Sein und Zeit over
eigenlijkheid en oneigenlijkheid, over wat een mens eigen en wat hem oneigen
is. Hij legt uit dat het verschil tussen die twee gemaakt moet worden in een
soort weg naar de eindigheid, via de ervaring van het 'sein zum Tode'.
Het op een eigenlijke manier beleven van onze sterfelijkheid zegt ons iets over wie wij zijn en wat eigen
is aan ons.
Sein und Zeit is een geweldige
poging om vanuit het Sein zum Tode
het Dasein te confronteren met wat het is,
dat wil zeggen met zijn echte ontologische structuur. Die confrontatie is
noodzakelijk, want het Dasein vergeet meestal zijn echte ontologische
structuur en leeft daardoor in de oneigenlijkheid.
Volgens Heidegger wordt het Dasein door het sein
zum Tode teruggeworpen op wat het werkelijk is, namelijk op zijn individualiteit,
zijn singulariteit en zijn onverwisselbaarheid. Dit kan niemand hem afnemen en
dat wordt duidelijk in de dood, want niemand kan sterven in plaats van een
ander.
8.4.1.2 Besef van eigen sterfelijkheid impliceert
een niet-kunnen
Ik wil benadrukken dat het beseffen van het
sterfelijk zijn, te maken heeft met de ervaring dat er iets is wat een mens ontglipt,
iets waarover hij geen macht heeft. Er is dus een niet-kunnen.
Ook het op een eigenlijke manier beleven van het
sterven van een eigen kind en daarmee verbonden, van de eigen sterfelijkheid
heeft te maken met de ervaring van onmacht en van niet-kunnen
Door Heidegger wordt echter in Sein und Zeit de
dood niet als een niet-kunnen gedacht, maar als een kunnen, als de laatste en
diepste mogelijkheid, als de mogelijkheid van de onmogelijkheid. Visker stelt
echter dat de dood de onmogelijkheid is van de mogelijkheid, want de ervaring
van Sein zum Tode is de ervaring van iets niet-kunnen, van iets dat ontglipt.
Dat niet-kunnen is niet louter een negativiteit
van kunnen, maar ik beschouw het als
een positief fenomeen. Niet-kunnen is niet een afwezigheid van kunnen, maar het
is iets waar ik geen toegang toe heb, en
waar ik afhankelijk van ben.( Voetnoot
Deze opvatting bracht Visker naar voren in zijn collegereeks gegeven aan de K.U. te Nijmegen, getiteld
"De dood en de ander")
8.4.2. Lijden als toegangspoort tot het 'andere
in mij'.
8.4.2.0 Vooraf
De decentrering van een mens kan zich op allerlei
manieren concreet uiten, maar met name in het lijden om het sterven van een
geliefde, blijkt de onmacht duidelijk.
In het lijden ervaart een mens een niet kunnen en
een onmacht die zich uitstrekt over allerlei aspecten. De lijdende mens is
onmachtig ten aanzien van de dood van zijn kind, is onmachtig in het nemen van
afscheid, want hij kan geen afscheidswoorden vinden, is onmachtig in het uiten
van zijn verdriet en voelt een grote onmacht ten aanzien van de toekomst. Hij
is onmachtig, want hij heeft geen toegang tot de dood van zijn kind en hij kan
er ook niet van loskomen.
8.4.2.1 Toegang is mogelijk.
Door de vele onmacht situaties is het lijden een centripetale
mogelijkheid naar het onmenselijke in hem, dat inhoudt dat hij beseft dat hij
altijd onmachtig is.
Lijden is een mogelijke toegangspoort naar het
diepste innerlijk van een mens, waarin hij als sterfelijk wezen zijn
onmacht en zijn niet kunnen accepteert.
In die weg naar de diepte die herhaaldelijk moet worden afgelegd in een vaak
wanhopig zoeken naar de weg, kan de gestorvene zelf een hulp zijn, om dat de
weg naar en door het lijden ook een weg is in een liefdevol gedenken. Door de
diepe relatie met de gestorvene te tonen in een gedenken, ontsnapt een
verdrietig mens niet alleen aan het egoïsme van verdriet, ontvangt hij niet
alleen troost, eert hij niet alleen de gestorvene maar beweegt hij zich in het
gedenken steeds verder naar zijn diepste innerlijk, waar hij zijn onmacht en
zijn niet kunnen ervaart, doordat de werkelijkheid zich steeds meer voor hem
opent.
Lijden heeft echter ook een centrifugale
mogelijkheid, want een mens wil dat verschrikkelijke lijden niet langer voelen
en gaat daarom zo snel mogelijk terug naar de maatschappij, waarin hij zijn
autonomie kan tonen.
8.5 Niet kunnen als basis
Onmondigheid onmenselijkheid, onzichtbaarheid,
niet-kunnen en onmacht houden niet het failliet van de mens in. Het vereist
echter wel een grote creativiteit om er mee om te gaan. We zien mogelijkheden
op verschillende gebieden
8.5.1 Niet-kunnen als basis voor filosofie
8.5.1.1 Het gaat om het uithouden van een tekort
Ten aanzien van filosofie kan gesteld worden dat
we in de filosofie misschien niet moeten beginnen met mogelijkheidsvoorwaarden
om daarna, daarvan af te leiden wat een mens
wel kan en niet kan, maar misschien moeten we het omgekeerde doen en
beginnen met het niet-kunnen en het gedecentreerd zijn.
Het gaat wellicht om het onvermogen iets,
waaraan we geen betekenis kunnen geven en wat we niet kunnen verklaren, uit
te houden tegenover de wetenschappelijke attitude die er op gericht is, dat
niets ons ontsnapt.
8.5.1.2 Een tekort is fundamneteel
Herman De Dijn stelt dat "verstaan het
omgekeerd is van een perfecte transparantie en dat het een wezenlijke
onafsluitbaarheid vertoont." (p.90)" Deze opvatting van
verstaan impliceert dat "het nooit perfect transparant zijn ...het
nooit af te sluiten zijn van het verstaan, geen betreurenswaardige tekorten
zijn, maar integendeel noodzakelijke voorwaarden voor het verstaan...."
(Idem 91)
Het proces van verstaan is te vergelijken met
conversatie, waarin het ook niet gaat om totale transparantie, want dan is het
gesprek afgelopen. Het is een nooit-af-te-sluiten proces van uitwisselingen en
reacties. Het gaat er in het verstaan
om dat men weet dat het andere en de ander altijd ontsnapt dat er altijd
asymmetrie en altijd radicale begrensdheid bestaat. Dit zijn geen gebreken of
uitzonderingen, maar het zijn wezenlijke verschijnselen van het verstaan. Het
gaat om de expliciete erkenning en, aanvaarding van een onvermijdelijke grens.
Asymmetrie is geen tekort, maar is vanuit de aanvaarding een uitgangspunt,
voor het accepteren van het altijd mislukken van een volledig verstaan.
Wellicht is
niet kunnen oorspronkelijker dan kunnen
en is onmacht fundamenteler dan macht.
8.5.2 Niet-kunnen als basis voor een therapie
8.5.2.0 Vooraf
Het lijden om het sterven van een kind is voor mij
een duidelijke concretisering van de decentrering, want een verdrietig mens
is afhankelijk van iets, maar hij weet
niet wat dat iets precies van hem vraagt en hij is niet in staat er los van te
komen.( Voetnoot Zie Hoe overleven we de vrijheid en Kan kennis
troosten). De benadering van het
rouwproces in een fasenmodel veronachtzaamt deze decentrering en de onmondigheid,
met name van de rouwende mens, maar in feite ook van de therapeut. Moge de
eenzijdige benadering voor de onderzoeker geen probleem zijn - want in zijn
ivoren toren schaadt hij niemand, of hoogstens zichzelf - maar voor de
praktizerend therapeut kan dit leiden
tot een situatie die de cliënt van de regen in de drup brengt en hem zelfs verhindert in zijn zoektocht naar het
mysterieuze innerlijk. Het is voor mij
duidelijk dat voor diepgaande persoonsveranderingen modellen, methoden en technieken averechts werken. Ze zullen niet
veel anders doen dan de werkelijkheid trachten te beheersen of liever gezegd
toe te dekken.
Een fundamenteel andere therapie dan die volgens
het fasenmodel is mogelijk. Zoals ik in het voorafgaande stelde dat het niet-
kunnen een basis is voor het kunnen, zo komt Van Kalmthout als hoogleraar in
de psychologie met als specialisatie psychotherapie, tot dezelfde conclusie.
Belangrijk is dat hij aan die onmacht sterfelijkheid verbindt.
8.5.2.1 De opvatting van Van Kalmthout
(Voetnoot zie boek)
Van Kalmthout stelt dat het een bekende klinische
ervaring is, dat vele cliënten met angststoornissen uiteindelijk bang zijn
voor het verliezen van hun autonomie en hun ego.
De westerse psychotherapie is mede op basis van
dergelijke onderzoeken gericht op het versterken van het ego en van de autonomie en het herstellen van een gedesorganiseerd
of verzwakt 'ik'.
Van Kalmthout heeft echter weinig vertrouwen in
een dergelijke therapie. Hij zegt het aldus: "Het is mijn ervaring en
die van vele anderen dat er in de psychotherapie (en ook daarbuiten) weinig
fundamentele verandering plaats vindt....... Wat wel gebeurt is dat cliënten
meer zicht krijgen op hun problemen, anders leren praten en doen( bv.
assertiever worden), zich leren ontspannen en/of controleren etc. Dit alles is
zeker niet onbelangrijk, maar de diepliggende problematiek blijft onveranderd,
ook na vele jaren. Het lijkt er vaak op dat er een zekere aanpassing heeft
plaats gevonden, een "ermee leven", maar zeker geen
"fundamentele" of"persoonlijkheidsverandering". De
biologische en psychologische conditionering is dermate sterk (vooral door
een traumatisch verleden dat er veelal aan ten grondslag ligt) dat de
psychotherapie, zowel in de ervaring als in het wetenschappelijk onderzoek, een
uiterst zwak en in doelstelling beperkt middel blijkt."(Voetnoot,
Idem 142)
Van Kalmthout
vraagt zich af, of er een oplossing te vinden is door het zelf en de
autonomie op te geven.
Hij stelt nogmaals dat uit voorbeelden van
psychopathologieën blijkt dat in veel gevallen het "ego" in het
geding is. Een mens voelt zich bedreigd in zijn diepste zelf, heeft een
negatief zelfbeeld en gebrek aan autonomie. In veel therapieën ook die
gebaseerd is op het fasenmodel gaat het er om het ego weer op te krikken en de
autonomie te herstellen. Er is echter meer aan de hand, want achter het zich
bedreigd voelen in zijn ego en in zijn autonomie ligt de doodsangst,
omdat dan het zelf definitief tot een
einde komt.
Van Kalmthout komt tot de conclusie dat het
accepteren van de eigen eindigheid en
daaraan gekoppeld het accepteren van het wegvallen van autonomie en het
einde van het egocentrisch streven, wellicht de meest algemene vorm zou moeten
zijn van therapie. Hij zegt het zo en ik ben het helemaal met hem eens : "
De fundamentele verandering lijkt niet te liggen in het versterken van het
"ik", maar in het "verdwijnen ervan". (voetnoot,Idem
143). Hiermee wordt geen depersonalisatie of een totaal afhankelijke toestand
bedoeld, maar het is niets anders dan dat een mens zich een fundamenteel
niet-kunnen realiseert.
Het is paradoxaal maar een mens die dat bereikt,
is op basis daarvan creatiever en krachtiger dan ooit. Het is een toelaten van
het afbreken van de autonomie, maar het is zeker geen toestand van
passiviteit, depressie, of hulpeloosheid. (Voetnoot idem 144)
Er lijkt
vanuit het accepteren van een onmacht een kracht te werken die groter en
sterker is dan het ik van de krampachtig zoekende mens naar macht, want het
toelaten van onmacht is niet het einde van het subject, maar geeft in zijn
breking een prisma van kleuren en mogelijkheden.
8.5.3 Niet kunnen als basis voor literatuur
8.5.3.0 Vooraf
Onmacht is vaak aanwezig in literatuur, maar het
paradoxale is dat er dichters zijn die daar vanuit prachtige poëzie kunnen
maken. (Voetnoot Dichter in het grensgebied 19).
Onderstaande gedichten bevatten beiden een
paradox, en verhalen een tekortschietende poging tot dichten. Juist de verwoording
van de onmacht en het tekort, resulteren in prachtige gedichten. (Voetnoot Dichter in het grensgebied
19)
8.5.3.1 Nijhoff
Bij Nijhoff zien we dat hij in veel van zijn
gedichten de nadruk legt op een venster of op een raam, maar opvallend is dat
de hoofdpersoon niet voor het raam zit, maar er in. Het gaat hem niet om uitzicht,
maar om inzicht (Voetnoot, Idem 66). Een persoon die in een venster zit,
bevindt zich op het snijvlak van twee werelden, net niet binnen en net niet
buiten. Deze metafoor kan men zien als een moment waarop de ene situatie
overgaat in een andere.
In het werk van Nijhoff ziet men
dan ook een grote gerichtheid op plotselinge veranderingsmomenten :
" Dichten is van de ene toestand naar de andere overgaan en om dat
moment van overgang, deze
drempelervaring gaat het." (Voetnoot idem, 68)
Uit
het gegeven dat Nijhoff zich in het veranderingsproces niet richt op de toekomst,
maar de gedichten als het ware afbreekt als hij het verleden heeft verteld,
komt duidelijk onmacht naar voren.
Nijhoff geeft de onmacht prachtig weer in het
volgende sonnet.
Op deze plek heeft een gedicht gestaan.
't Beviel mij niet. Toen ik het op wou knappen,
toen bleef er, toen mijn pen begon te schrappen,
per slot van rekening geen woord van staan.
Het gaf een beeld van 't schrijverlijk bestaan,
zijn zelfverwijt en andere eigenschappen.
Het was vooral triest door de trieste grappen.
Neen, het was goed noch slecht, er was niets aan.
Het was geïnspireerd op een Jan Steen:
Elia - misschien zal u dit verbazen -
Elia met de raven om zich heen.
Mijn vogels werden stenen door de glazen,
en mijn Elia werd vel over been.
Hier rust zijn as. Requiescat in pace.
In de afwijzing van het vroegere gedicht wordt
het gedicht zichtbaar en krijgt de onmacht een nieuwe gestalte. Zonder die onmacht zou dit nieuwe sonnet
nooit zijn ontstaan.
Vanuit de onmacht en het niet-kunnen ontstaat wat
hij uiteindelijk in taal ontwikkelt.
8.5.3.2 Roland Holst
Onmacht vinden we ook terug in het prachtige
gedicht van A.Roland Holst, waarin de gestorvene een bron is voor de dichter (Voetnoot Het gestorven kind van A.
Roland Holst, De Wilde Kim 13)
Het gestorven kind
De moeder zingt:
Ik sliep vannacht mezelve vrij
uit wolk van dit verdriet-
tot ik, voorbij, den tijd ontwaakt,
keek in een leeg gebied,
en hoorde tussen maan en sneeuw
zijn stem, maar zag hem niet.
Hij zong; ik voelde dat hij stond
voor mij, en zag mij aan-
het werd mij daar zo licht, ik kon
zijn zingen niet verstaan;
Ik wist alleen nog dat mijn kind
zong tussen sneeuw en maan.
Hij zong zo ijl, hij zong zo blij,
dat ik niet treuren mag
om hem, die zingen kan en nooit
de donkre dagen zag-
O, als wat ik hem gaf, maar niet
versmaad begraven lag...
Wat ik hem gaf...neen, neen, wat hij
mij zond -o wonderlijk-
een licht blad van een roos, die bloeit
nog buiten mijn bereik:
een teken van zijn liefde, die
mij wacht in een ver rijk.
Bij wijze van commentaar op bovenstaande gedicht
citeer ik de Duitse dichter R. M. Rilke die eenzelfde paradox naar voren
brengt. Rilke schrijft: "Als iets van ons weggenomen wordt, waarmee we
een intense en wonderbaarlijke band hebben, dan wordt een groot deel van ons
zelf weggenomen. Het goddelijke in ons echter wil, dat we ons zelf terug
vinden, rijker door al wat verloren ging en sterker door alle oneindige
pijn". (Voetnoot, Vindplaats zoeken)
8.5.4 Niet kunnen als basis voor het leven
8.5.4.0 Vooraf
Hoewel ik mijn zoektocht voortzet, wil ik ten
aanzien van de vraag of lijden perspectief kan bieden aan een leven niet te
optimistisch zijn, want vaak is lijden zo groot, dat we slechts kunnen constateren, dat er in het leven niets gebeurt,
dat er geen nieuwe zin meer is, dat de uitgesproken gedachte de laatste is,
dat het verhaal stokt dat het ritme verdwijnt en het levenslied niet meer
klinkt.
Optimisme is niet op zijn plaats over het omgaan
met onmacht en verdriet, want de onmacht kan zich ook in bittere machteloosheid, lusteloosheid en levensonmacht
uiten. ( Voetnoot. Ontkenning van de dood)
Een lijdend mens balanceert op het slappe koord
van de werkelijkheid, voortdurend beseffend dat er geen weg terug is, niet
wetend hoe hij vooruit moet komen en bewust van het gevaar te vallen in een
nieuw verdriet.
Wanneer de weg terug is afgesneden en wanneer de
weg vooruit een doolhof is, wat moet een mens dan doen. Misschien gaat het er alleen
maar om het leven uit te houden en toe te laten dat het lijden er is.
Misschien kan de gedachte helpen dat het er in eerste instantie niet om gaat de
weg naar buiten te zoeken, maar veel meer de weg naar binnen, naar het eigen
innerlijk. Een mens kan wellicht niet naar buiten, als hij niet eerst heel
diep binnenwaarts gaat.
8.5.4.1 Het innerlijk wordt herontdekt
De "redding" van de lijdende mens, ligt
niet in een versterken van de autonomie of het vergroten van zijn
mogelijkheden, maar ligt in het
herontdekken van zijn inwendig leven, waarin hij afdaalt, of opstijgt tot zijn
eigen oorsprong. Diep in zijn innerlijk kan de mens het diepste van alle werkelijkheid
ervaren. Dit ervaren kan uitgroeien tot een
existentiële houding, die heel de mens doordringt en zich in heel zijn
leven integreert. Het is geen houding van weten of verklaren, maar het is veel
meer een diep vertrouwen vanwaaruit een mens steeds beter leert te luisteren
naar de boodschap van zijn diepste innerlijk. Iedere poging tot rationele
rechtvaardiging is bij voorbaat vruchteloos, omdat een rechtvaardiging alleen
maar plaats kan vinden op basis van diezelfde transcendentie die het verstand
overstijgt.
(Voetnoot
Louis Dupré en Edith Cardoen, Terugkeer naar innerlijkheid, Antwerpen,
Amsterdam z.j. 13. In dit boek wordt ook uitgebreid aandacht besteed aan de
vele moeilijkheden waarmee een mens geconfronteerd wordt op zijn weg naar het
innerlijk)
8.5.4.2 Lijden lijden en leven leven
Het kan er niet om gaan in de innerlijke beleving
te blijven en daarom is een waarschuwing van de mysticus Eckhart op z'n plaats:
"Wanneer een mens ooit in een meditatieve
verzonkenheid in een toestand geraakt die zo heerlijk is dat men er wel altijd
in wil blijven, ruk je er dan uit los, zo snel als je kunt en grijp het eerste
het beste aan, om wat te doen, want het zijn smeltende gevoelens anders
niet". Het is ook van belang te wijzen op de beroemde preek
van Eckhart over Maria en Martha. In de gehele christelijke traditie is er een
grote verering voor Maria die aan de voeten van Jezus zit en kijkt men
enigszins neer op Martha die bedient. Eckhart kiest echter voor Martha vanuit
de overweging dat zij in haar ontwikkeling verder is dan Maria, want Martha
komt tot haar dienende taak na haar innerlijke bezinning, terwijl Maria zich
nog in die levensfase bevindt. Het gaat er niet om weg te zinken in een
toestand van diep lijden, maar het is fundamenteel aan het lijden de impuls te
ontlenen, in een lang en moeilijk proces een ander mens te worden, zodat een
mens lijden kan lijden en leven kan leven. Vanuit de donkere nacht van een oneindig diep lijden, kan de
tegenwoordigheid van 'zijn' opbloeien als een licht dat verlichting geeft
voor de verdere tocht, zodat een mens zijn lijden kan lijden en zijn leven kan
leven.