Justitie: Sociaal geweld en zelfverdediging

Hieronder kunt u lezen:

  1. De wettelijke implicaties verbonden aan het bezitten van zelfverdedigingsvaardigehden.
  2. Jusititie en zelfverdediging: Officiële formulering ten aanzien van de wet op zelfverdediging. Behandeld worden o.a.: misdrijf, noodtoestand, wettige (zelf)verdediging, aanranding, verweer e.d.
  3. Artikel: Zelfverdediging of eigen richting
  4. Artikel: Het recht op eerbaarheid
  5. Artikel: Opinie: Het recht jezelf te verdedigen.

 

Er zijn wettelijke implicaties, verbonden aan het bezitten van zelfverdedigingsvaardigheden. 

Als je jezelf in een gevaarlijke situatie buiten de sportzaal bevindt, kan je gedwongen zijn jezelf te verdedigen.Het is belangrijk dat, in de ogen van de wet, je slechts het minimum aan geweld gebruikt om jezelf of iemand anders uit een gevaarlijke situatie te krijgen. Dit is nu echt vechten - geen scheidsrechter die controleert of er geen overtredingen plaatsvinden of een kamprechter die je punten geeft voor je vechtstijl. 

Je bent misschien ook heel erg bang- dit is dus heel wat anders dan een normale sparring of wedstrijdsituatie. Het gebruik van geweld zal alleen door de wet door de vingers gezien worden: 

  1. Als je jezelf beschermt
  2. Als je iemand anders beschermt

En alleen dan als er sprake is van uitzonderlijk gevaar en er géén andere uitweg is om te vluchten of om jezelf aan het gevaar te onttrekken. Je vergeldingsacties moeten tot het absolute minimum beperkt blijven om je eigen leven of dat van iemand anders te beschermen, zodat je er van door kunt. De mate van aanvaardbaar geachte vergelding, wordt nooit precies omschreven. Het gerechtshof zal rekening houden met angst of opwinding. Echter een niet getrainde vechter zal in zulke situaties veel meer ruimte krijgen voor vergissingen betreffende het inschatten van het effect van een klap of trap, dan iemand met kennis van gevechtstechnieken.

 

Justitie en zelfverdediging

 

Begrippen

1)    Situering van de rechtsfiguur “wettige zelfverdediging”
 

Wettige verdediging is een rechtvaardigingsgrond (zie verder).
 

Ons strafrecht is een een schuldstrafrecht, dit wil zeggen dat naast de daad,   (materieel bestanddeel genoemd), ook een zeker bewustzijn in hoofde van de dader moet bestaan (= psychologisch bestanddeel).
 

Als beide verenigd zijn, dus als iemand welbewust de strafwet overtreedt, spreken wij  van een misdrijf.
 

Er zijn echter bijzondere omstandigheden welke de gepleegde feiten het karakter van misdrijf ontnemen.


Die omstandigheden noemen wij rechtvaardigingsgronden.
 

De rechtvaardigingsgronden zijn door de wet of het recht erkende omstandigheden, waardoor het wederrechtelijk karakter  van de gestelde daad opgeheven wordt, waardoor deze daad dus geoorloofd is.

Door de rechtvaardigingsgronden is het gepleegde feit geen misdrijf meer, daardoor zullen de personen die hebben deelgenomen aan de feiten niet strafbaar zijn.

         

2)    Opsomming van de rechtvaardigingsgronden
 

2.1.    Gebod van de wet en bevel van de overheid.


Wordt geregeld door art. 70 S.W.B.:

 

“Er is geen misdrijf wanneer het feit door de wet is voorgeschreven en door de overheid bevolen is”
 

Bijv.: De opgevorderde slotenmaker die een deur openbreekt opdat een huiszoeking zou kunnen verricht worden.
Bijv.: Bij voltrekken terdoodveroordeling is de beul niet schuldig aan moord.

 

2.2.    De noodtoestand.
 

De noodtoestand is de situatie waarin een persoon verkeert, die gesteld tegenover een voor hem of voor derden ernstig en dringend kwaad, de bepalingen van de strafwet schendt ten einde rechtsbelangen of rechtsgoederen te vrijwaren die hij gerechtigd was of tot plicht had boven anderen te stellen.
 

Bijv.: Brandweerman die om personen en/of goederen te beveiligen, die door brand worden bedreigd, de afsluiting van een naburig gebouw beschadigt of vernielt.

(Het is overigens vanuit het begrip noodtoestand dat het aanwenden van geweld door politieambtenaren tegen personenn mits wettige redenen gerechtvaardigd kan worden geacht).

         
De betekenis en de draagwijdte van het begrip “wettige reden” kunnen niet beperkt worden tot het enkel geval van wettige verdediging; doch alle rechtvaardigingsgronden komen hiervoor in aanmerking .
(Bijv.: Geweld gebruiken om inlichtingen te verkrijgen die personen het leven kunnen redden).

         

3    De wettige verdediging of wettige zelfverdediging.

Dit is het recht tot afweer van onrecht, dit is een rechtvaardigingsgrond die als het ware een overblijfsel is uit de oertijd.
 

Deze rechtsfiguur wordt door sommige rechtsgeleerden niet alleen aangezien als een recht maar zelfs als een plicht gefundeerd op het sociale belang en de verdediging van de maatschappij.
 

3.1. Toepasselijke wetteksten.
 

Art. 416 S.W.B.: 

“Er is noch misdaad noch wanbedrijf wanneer de doodslag, d
e verwondingen en de slagen geboden zijn door de ogenblikkelijke noodzaak van de wettige verdediging van zichzelf of van een ander”.


Art. 417 S.W.B.:

Onder de gevallen van ogenblikkelijke noodzaak van de verdediging worden de twee volgende gevallen begrepen:

a) Wanneer de doodslag gepleegd wordt, wanneer de verwondingen of slagen toegebracht worden bij het afweren bij nacht van de beklimming of de braak van de afsluitingen, muren of toegangen van een bewoond huis of appartement of de aanhorigheden ervan, behalve wanneer de dader niet kon geloven aan een aanranding van personen, hetzij als rechtstreeks doel van hij die poogt in te klimmen of in te breken, hetzij als gevolg van de weerstand welke diens voornemen mocht ontmoeten;


b) Wanneer het feit plaats heeft bij het zich verdedigen tegen de daders van diefstal of plundering die met geweld tegen personen wordt gepleegd.


Opm.: Doodslag, slagen of verwondingen tegen een inbreker bij dag wordt niet gerech-vaardigd door art. 417 S.W.B., wel zal niet de gewone straf uitgesproken worden omdat men de omstandigheid zal kenmerken als een strafverminderende verschoningsgrond .
 

3.2. Algemene voorwaarden voor de wettige verdediging.
 

Opdat iemand die een misdrijf heeft gepleegd de wettige verdediging zou kunnen inroepen om zijn gedraging te rechtvaardigen en het strafbaar karakter ervan aldus te doen wegvallen, moeten de volgende voorwaarden vervuld zijn:
 

3.2.1. De aanranding (lees: het fysieke geweld) moet gericht zijn tegen personen.
 

De rechtvaardiging kan ingeroepen worden zowel voor de eigen verdediging als voor de verdediging van eigen personen. Wettige zelfverdediging kan ook aangewend worden bij de verdediging tegen aanvallen op de persoonlijke vrijheid of bij bescherming van de eerbaarheid.
 

De bescherming van goederen valt buiten het toepassingsveld van de wettige verdediging.

Het geval van art.417 S.W.B. is geen echte uitzondering aangezien wij altijd moeten kunnen geloven in een aanval tegen personen, het geval van art. 417 laat enkel een vermoeden van noodzakelijkheid van afweer rijzen.

 

3.2.2. De aanranding moet wederrechtelijk zijn.
 

Zo kan de aanrander die op weerstand stuit van de aangerande persoon zelf geen wettige verdediging inroepen tegen het slachtoffer dat zich verzet.


Men is evenmin gerechtigd zich te verweren tegen het rechtmatig optreden van de overheidsagent, bijv. bij  uitvoering van een bevel tot aanhouding of tot medebrenging.
 

Wel wordt verzet tegen onwettige handelingen van de overheid aanvaard, wanneer deze handelingen kennelijk onwettig zijn.

   

3.2.3. De aanranding moet ogenblikkelijk zijn.
 

Dit omvat de aanval die zich aan het voltrekken is of deze die onmiddellijk dreigend is.
 

Daarentegen is er geen wettige verdediging wanneer een toekomstig of een eventueel gevaar betreft noch als de aanranding reeds afgelopen is ! Kortom: Als het geweld reeds gebeurd is, mag je bijvoorbeeld de geweldpleger niet op  staan wachten om je te vergelden.

  

3.2.4. Het verweer moet noodzakelijk zijn.
 

Het is niet vereist dat de aanranding levensgevaarlijk zou zijn, toch moet zij voldoende ernstig zijn om een onmiddellijk en gewelddadig verweer als noodzakelijk te doen voorkomen.

Voorts mogen er voor de aangevallene in redelijkheid geen andere wegen open staan dan een gewelddadige verdediging. Indien de aangerande persoon tijdig beroep kan doen op hulp van de overheid, zou de noodzaak van een ogenblikkelijk  verweer eventueel in twijfel kunnen getrokken worden, men is echter niet verplicht te vluchten, ook al was dit mogelijk.

    

3.2.5. De afweer moet in verhouding staan tot de aanval.
 

De verdediging door bijv. doding, wanneer redelijkerwijze lichte verwondingen hadden volstaan is niet noodzakelijk. Deze verhouding niet in acht nemen komt neer op rechts misbruik en houdt zelf een aanval in.
 

Die evenredigheidseis moet echter met realiteitszin beoordeeld worden. Alleszins kan de onrechtmatigheid van de aanranding als verzachtende omstandigheid of als verschonings-gronden gelden voor diegene die het evenredigheidsprincipe zou miskend hebben.
 

Bovendien zal alleen de manifeste en ondubbelzinnige wanverhouding in de praktijk tot strafvervolging geven.

       

4)     Opmerking tot besluit.
 

Als men getuige is van een aanval tegen personen, is men uiteraard niet verplicht met gevaar voor eigen leven tussenbeide te komen.

Deze misvatting die vrij algemeen verspreid is komt hoogst waarschijnlijk voort uit het feit dat de wet een verplichting tot hulp inricht. Doch onder hulp kunnen wij ook bijv. de politie-diensten verwittigen rekenen.
 

Anders maakt men zich schuldig aan “schuldig verzuim”, hetgeen aanleiding kan geven tot strafvervolging.

 

Artikel uit krant:

Zelfverdediging of eigen richting

Februari 2005 - De laatste tijd is er in de maatschappij beroering ontstaan over de wijze van aanhouding door medewerkers van een beveiligingsbedrijf van verdachten die zich schuldig hebben gemaakt aan bijvoorbeeld winkeldiefstal. Hierbij gaat het dan nog niet eens zozeer om de vraag of het een burger, waartoe ook beveiligingsambtenaren worden gerekend, is toegestaan om op heterdaad iemand aan te houden, maar veeleer om de wijze waarop deze aanhouding plaatsvindt.

Ingevolge artikel 41 Wetboek van Strafrecht mag eenieder zich verdedigen tegen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed. Artikel 53 Wetboek van Strafvordering bepaalt vervolgens dat in geval van ontdekking op heterdaad ieder bevoegd is de verdachte aan te houden. Zelfs is het gerechtvaardigd om enig geweld toe te passen teneinde aan die situatie een eind te maken. Echter: het gebruikmaken van "onnodig geweld" is niet toegestaan. Het geweld moet ophouden zodra een verdachte zich overgeeft of weerloos is.

Twee in het oogspringende beroepen waarbij aanhoudingen op heterdaad nog wel eens plaatsvinden zijn die van beveiligingspersoneel en portiers van bijvoorbeeld bars of discotheken. Bij deze beroepen wordt in de opleiding tegenwoordig de nodige aandacht besteed aan het worden geconfronteerd met personen die strafbare feiten plegen. Hierbij gaat de aandacht niet slechts uit naar de theorie, doch ook de praktijk van de manier waarop vervolgens een overtreder moet worden aangehouden en onmiddellijk moet worden overgedragen aan de politie. Juist het feit dat in hun opleiding hieraan de nodige aandacht wordt besteed, maakt dat zij bij een aanhouding op heterdaad de nodige zorgvuldigheid moeten betrachten.

Zoals hiervoor weergegeven moet wel aan een aantal voorwaarden zijn voldaan, wil bij een aanhouding op heterdaad enig geweld mogen worden gebruikt. Als eerste geldt dat het gaat om een situatie waarin iemand zich moet verdedigen omdat hijzelf/zijzelf wordt aangevallen, dan wel dat er een onmiddellijk dreigend gevaar bestaat dat dit zal gebeuren. Een ander belangrijk aspect hierbij is dat er sprake is van een feitelijke belemmering of onmogelijkheid om zich aan de aanval of een dreigende aanval te onttrekken. Als voorbeeld hiervoor geldt het volgende. Indien een beveiligingsambtenaar in een winkel waarneemt dat iemand goederen steelt dan is hij of zij bevoegd, net als iedere andere burger, de dief te achtervolgen en op straat aan te houden. Indien in zo'n geval de dief zich tegen deze aanhouding verzet, is het de beveiligingsbeambte toegestaan om hierbij enig geweld te gebruiken. Op het moment echter dat de dief zijn verzet opgeeft en zich gewillig mee laat voeren, is het vanaf dat moment niet meer toegestaan om enig geweld te gebruiken. Vanaf dat moment moet onmiddellijk de politie worden geïnformeerd en dient de dief zo spoedig mogelijk aan de politie te worden overgedragen.

Een ander aspect dat hierbij vervolgens een rol speelt is dat de wijze van verdediging niet in wanverhouding moet staan tot hetgeen de aangehouden persoon doet. Met andere woorden: was de wijze van afweer aanvaardbaar, gezien het te verdedigen belang en het daartoe ter beschikking staande middel. Uit uitspraken van de Hoge Raad, ons hoogste Nederlandse rechtscollege, blijkt dat degene die wordt aangevallen een aanzienlijke marge heeft. Niet eerst hoeft het lichtste middel te worden geprobeerd, aanstonds mag worden gekozen voor een afweer die een redelijke kans op effect heeft.

Indien een Rechter wordt geconfronteerd met een beroep op zelfverdediging, zal hij objectief aan de hand van de in een zaak vastgestelde feiten moeten beoordelen of degene die zich heeft verdedigd dit ook naar redelijk inzicht mocht doen. Indien uiteindelijk de Rechter tot de conclusie komt dat terecht sprake is van zelfverdediging, zal hij de betrokkenen, indien die wordt vervolgd, ontslaan van alle rechtsvervolging. Dit houdt in dat op zich wel een strafbaar feit is gepleegd, doch dat de Rechter achteraf oordeelt dat zulks terecht is gebeurd.

Nu komt het voor dat iemand onder gegeven omstandigheden verder gaat dan eigenlijk strikt noodzakelijk was geweest voor zelfverdediging. Dit kan bijvoorbeeld omdat iemand door heftig verzet van bijvoorbeeld een dief zodanig geschrokken is dat hij meer geweld toepast dan in feite onder de gegeven omstandigheden was toegestaan. Indien dit komt door een heftige gemoedsbeweging op het moment van het toegepaste geweld kan dit achteraf door de Rechter nog worden gebillijkt. Ook in zo'n geval zal iemand worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Als voorbeeld hiervoor geldt dat iemand die een forse klap op zijn arm krijgt hiervan zodanig is geschrokken dat door zijn handelen de dief bijvoorbeeld zijn arm wordt gebroken. Hoewel dit in principe niet is toegestaan, zijn er omstandigheden denkbaar waaronder iemand uiteindelijk toch niet wordt veroordeeld.

Als op een gegeven moment geen zelfverdediging meer noodzakelijk is, is het vanzelfsprekend niet meer toegestaan om nadien nog iemand te slaan of te schoppen. Gebeurt dit dan toch, dan is er sprake van eigen richting en bestaat de mogelijk dat hij/zij hiervoor door de Rechter wordt veroordeeld.

 

Ander artikel (22-01-05): 

Het recht op eerbaarheid

Nadat het Openbaar Ministerie de afgelopen tijd een aantal slachtoffers van misdrijven wilde vervolgen voor het met geweld beschermen van eigendommen, is een debat opgekomen over de grenzen van zelfverdediging. Centraal in dit debat staat de afweging tussen enerzijds het recht om ‘lijf, goed en eerbaarheid’ te verdedigen en anderzijds de maatschappelijke en politieke plicht om eigenrichting te voorkomen. In het debat moet er een verhouding gevonden worden tussen deze twee factoren.

Huidige wetgeving
Het probleem op dit moment is in eerste instantie niet dat de verhouding tussen deze factoren zoek is, maar vooral dat de verhouding niet bekend is. Artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht stelt: iemand mag zich verdedigen tegen een aanval op zijn eigen of andermans lijf, goed en eerbaarheid. Voorwaarde daarbij is dat het gebruikte geweld in proportie staat tot de dreiging. Deze voorwaarde van proportionaliteit veroorzaakt echter deze problemen, aangezien in de wettekst niet staat vermeld wat deze proportionaliteit inhoudt. Hierdoor staat deze wet open voor willekeur, hetgeen natuurlijk het tegengestelde is van de bedoeling van een dergelijke wet.

Toch staat in hetzelfde Wetboek van Strafrecht dat proportionaliteit niet altijd noodzakelijk is. Wanneer er sprake is van extreem dreigende situaties, dan mag men volgens de wet handelen zonder acht te slaan op proportionaliteit van geweld: het zogenaamde noodweerexces. Echter, hier geldt weer hetzelfde probleem als met de proportionaliteit. Extreem dreigende situaties zijn in de wet niet toegespitst, waardoor onduidelijkheid bestaat en willekeur mogelijk wordt.

‘Zelfverdediging alleen als er geen uitweg is’
Gezien het feit dat de wetten niet duidelijk zijn, hebben rechters in het verleden eigen interpretaties gegeven aan deze wetten. De in het verleden gedane gerechtelijke uitspraken op basis van deze interpretaties hebben echter ook de huidige visie op zelfverdediging sterk beïnvloed. De eerder gedane gerechtelijke uitspraken vormen jurisprudentie waar rechten en plichten aan verleend moeten worden. De belangrijkste jurisprudentie op dit gebied is de uitspraak van de Hoge Raad in 1950, die stelde dat zelfverdediging alleen toegestaan is als absoluut laatste uitweg.

Vanzelfsprekend is dit een zeer stringente beperking van het recht op zelfverdediging, aangezien dit ertoe leidt dat men niet meer kan ingrijpen wanneer bezittingen geschonden worden. Immers ingrijpen is dan vaak niet de laatste uitweg. Volgens rechtsgeleerden maakt deze uitspraak het ook de facto onmogelijk in te grijpen wanneer andermans lijf, goed of eerbaarheid bedreigd wordt aangezien vluchten dan altijd nog een optie is. De jurisprudentie staat hiermee haaks op de wet die duidelijk stelt dat “iemand zich mag verdedigen tegen een aanval op zijn eigen of andermans lijf, goed en eerbaarheid”.

Een additionele beperking van het zelfbeschikkingsrecht is dat ook het noodweerexcesargument in de rechtzaal vaak geen steek houdt. Hoewel er veelvuldig beroep wordt gedaan op dit argument, geeft de rechter hier maar heel zelden gehoor aan. Al met al geeft dit weer dat van het recht op zelfverdediging in de praktijk maar weinig overblijft.

Rol van het Openbaar Ministerie
In Nederland kan alleen het Openbaar Ministerie (OM) overgaan tot het vervolgen van criminelen. Het OM neemt lang niet alle zaken in behandeling en selecteert daarmee dan ook reeds voor. Hierbij bepaalt het OM allereerst het belang van de zaak en daarnaast de kans om de zaak winnen. Het OM kiest er echter steevast voor om slachtoffers van misdrijven die zich verdedigen tegen geweld tegen lijf, goed of eerbaarheid te vervolgen en toont daarbij zeer weinig clementie voor het slachtoffer.

Deze werkwijze maakt daders van slachtoffers en leidt tot criminalisering van mensen die slechts de wet volgen. Het OM verontachtzaamt hiermee haar plicht tegen de samenleving en stelt de burger ook voor grote dilemma’s. Ingrijpen en het verdedigen van eigen of andermans lijf, goed en eerbaarheid kan immers tot flinke straffen leiden. Door deze houding van het OM wordt het vertrouwen in de rechtstaat ondermijnd en kan het gevoel ontstaan dat de rechtstaat zich niet bekommert om slachtoffers van misdaad.

Op weg naar rechtvaardigheid
Criminaliteit is één van de grootste problemen in de huidige samenleving en lijkt steeds grotere en vooral gewelddadigere vormen aan te nemen. Juist in deze tijd, zou het OM ook duidelijk moeten kiezen voor slachtoffers; slachtoffers die zich verzetten tegen criminaliteit moeten het voordeel van de twijfel krijgen van het OM. Dit zal mensen weerbaarder maken en er voor zorgen dat mensen anderen die slachtoffer worden van criminaliteit ook sneller te hulp zullen schieten.

Daarnaast moeten de wetten met betrekking tot zelfverdediging vernieuwd worden. De huidige wetten bieden burgers niet voldoende bescherming tegen criminaliteit, vooral omdat de wetten niet eenduidig zijn. Een allereerste vereiste is dan ook dat de wetten voor zelfverdediging helder en duidelijk geformuleerd worden. Ten tweede dienen de wetten de burger die slachtoffer wordt van criminaliteit meer ruimte te bieden om hiertegen op te treden. De concrete definiëring van 'proportionaliteit' in dit verband, dient zeer breed te zijn. Immers: de overheid moet pal staan voor het beschermen van lijf, goed en eerbaarheid van haar burgers.

De oproep om het recht op zelfverdediging te vergroten wordt ook gesteund door hoogleraren in rechtswetenschappen, zoals onder meer blijkt uit het artikel Geweld mag, zolang het maar proportioneel is van M. Vermeulen in de Volkskrant van 21 januari 2005. Het argument is dat het “geweld van criminelen zich steeds verder verhardt en daarom moet de burger meer mogelijkheden hebben om zijn eigen dood af te wenden”. De overheid dient ondubbelzinnig de kant van slachtoffers te kiezen!


Opinie:   Het recht jezelf te verdedigen.

( Uit VVD- blad "Politiek"):
 Hoever mag je gaan om jezelf en je spullen te verdedigen? De laatste tijd worden we steeds vaker geconfronteerd met voorbeelden waarbij het zelfverdedigingrecht met steeds meer geweld gepaard gaat.Volgens de wet mag een burger echter geen geweld gebruiken op enkele uitzonderingen na. Zo mag een burger, wanneer hij iemand op heterdaad betrapt, de
dader staande houden en hem overdragen aan een opsporingsambtenaar. Daarbij mag gepast geweld gebruikt worden, Ook wanneer iemand wordt aangevallen, mag hij zijn lijf, zijn eerbaarheid en zijn goederen verdedigen (noodweer). Tweede-Kamerleden Laetitia Griffith (VVD) en Jan de Wit (SP), beiden jurist, buigen zich over enkele cases en geven hun mening over het toegepaste geweld in die situaties. Twee begrippen zijn van belang: proportionaliteit en subsidiariteit. “Was het gebruikte geweld gepast? En was er een andere oplossingsmogelijkheid  geweest? “ Zegt mevrouw  Griffith.  De Wit vult aan: “enig  geweld  is toelaatbaar. Maar  je  mag  niet  zomaar een grens overschrijden:”
Voor zover de mededeling  uit het blad "Politiek".

Reeds tal van jaren wordt er over het onderwerp "Jezelf te verdedigen",  op een ONREALISTISCHE manier, in zowel de algemene pers, dagbladen, weekbladen enz., gediscussieerd, als wel door zogenaamde juridische "deskundigen".
Ik heb de stellige indruk dat onze huidige juristen niet weten waarover zij praten / schrijven als het onderwerp zelfverdediging ter sprake komt.
 
Wat is er nu werkelijk aan de hand:
In artikel 4, van de Grondwet van 1963, staat het volgende: 
”Allen die zich op het grondgebied van het Rijk bevinden, hebben gelijke aanspraak op bescherming van persoon en goederen.”
De wet (van 1963) was duidelijk en iedere vorm van misverstand was afwezig.
(In het wetboek van Strafrecht, de zeventiende druk, en bijgewerkt tot 1 februari 1960, staat in artikel 41 het volgende: “Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding”)

  
De wijziging van bovengenoemde artikelen is in feite een ontkenning geweest van het recht op zelfbescherming. Zelfbescherming, van zowel lijf en goed, is een natuurlijk recht, waarvan niet kan worden afgeweken. In plaats van genoemd artikel is het dogma “Allemaal gelijk” gekomen.( Art.1, van 17 februari 1983) “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen behandeld." Dit artikel 1 van 1983 is een onmogelijk artikel, omdat allen, is ieder mens, gelijke rechten krijgt. Het artikel vind ik zelfs absurd. De woorden “op welke grond dan ook” is overgenomen door de regering van een amendement van de communist (wijlen) Bakker: genoemde woorden hebben verstrekkende gevolgen, opdat ook een crimineel, die zich buiten het rechtsbestel plaatst, door middel van een criminele daad, bescherming kan genieten en gelijk gesteld wordt met anderen die dat niet hebben gedaan.  

Waardoor en  Waarom?
 
In elk "handboek over psychiatrie" zijn grondbeginselen omschreven die te maken hebben op het "zich-zelf-zijn, de grondtrekken die daarop betrekking hebben in de relatie tot de ander. Ik citeer:
"Een persoonlijkheid die defensief is en voor zijn rechten durft op te komen én datgene dat hij denkt ook durft te zeggen en verdedigen is een kenmerk door een durven handhaven van eigen levensvormen."
 
Dus ook in de psychiatrie is erkenning  van eigen levensvormen ondubbelzinnig aanwezig en dat het individu deze vorm ook mag/moet verdedigen.Verdediging van eigen levensvormen, hoe ook genaamd, is niet vervangbaar door ongeacht welke juridisch technische omschrijving dan ook, met uitzondering van criminele levensvormen en of milieus.  De veroordelingen, door de rechterlijke macht, van verdedigers van redelijke natuurlijke verdediging van eigen levensvormen, is m.i.  een zuiver politiek links dogmatische, en dus "onmiskenbaar" absurd.   
 
A. In het Burgerlijk wetboek, boek 6, Titel 3, Afdeling 1 artikel 162 staat:
-
1. Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.
-2.  Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een INBREUK OP EEN RECHT en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijke verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigheidsgrond.
 
B. In het  “Burgerlijk Wetboek”, boek 6,  Afdeling 10, artikel 108 sub 1.
I
ndien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor de ander jegens hem aansprakelijk is overlijdt, is die ander verplicht tot vergoeding van de schade door het derven van levensonderhoud.

 
C. Naast het burgerlijk wetboek is er het ontwerp van de Europese grondwet.
 
In Hoofdstuk 1, Waardigheid:   staat in artikel 1. :
”De menselijke waardigheid is onschendbaar. Zij moet worden geëerbiedigd en beschermd.
D.  In,  de  “Universele Verklaring van de Rechten van de Mens”,  artikel 3  het volgende:
”Een  ieder heeft recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid van zijn persoon”. 
Artikel 5.
Niemand  zal onderworpen worden aan folteringen, nog aan wrede, onmenselijke  of onterende behandeling of bestraffing.
 
Mijn mening en samenvatting.
 
Het menselijk natuurlijk gedrag is een gedrag van het “constante zelfbehoud”. Over de wijze van zelfbehoud is reeds veel geschreven, vooral juristen willen een juridisch sluitende redenering hebben, maar tot op heden is er geen bevredigende oplossing aangedragen en/of gevonden.
Moeder natuur (de menselijke factoren) laat zich nu eenmaal niet leiden door juridisch, niet haalbare, stellingen. De eis van proportionaliteit (Gepast geweld) en subsidiariteit (een andere oplossingsmogelijkheid) is een oneigenlijke eis (misbruik van een machtspositie) om een juridische interferentie (twee bewegingen die elkaar belemmeren) te overbruggen om tot een sluitend geheel te komen. De menselijke natuur wordt daarbij geheel buiten het spel gezet, dat van m.n. het noodzakelijke zelfbehoud. De gehele natuur – de  “Flora en Fauna”-, stoelen op hetzelfde beginsel, namelijk “het (zelf)behoud van  de soort.
Bij de mens is dat een zeer sterk ontwikkeld fenomeen en daar kan niemand omheen. Vooral juristen met een linkse attitude – het in de bres staan voor de zwakken -, slaan de plank volledig mis, als zij menen dat bij doodsbedreiging een “gepast (tegen) geweld” als eis kan worden gesteld (proportionaliteit). 


Een persoon die een andere persoon aanvalt met het oogmerk zich te verrijken door middel van roof, doodslag als gevolg van de aanval,  zet zich geheel buiten het spel van wat we met elkaar hebben afgesproken.
Als een persoon,  die geweld uitoefent,  zichzelf BUITEN het maatschappelijk spel plaatst, heeft die persoon eerder in de tijd een BEWUSTE keus gemaakt om zichzelf buiten de maatschappelijk realiteit te positioneren door een “gekozen deviant gedrag”.  Bij het plegen van een daad, MOET een individu,  die inbreuk maakt op andermans recht, waardigheid  én de onaantastbaarheid van die ander niet heeft erkend, óf de onschendbaarheid van die andere  persoon volledig uit het oog verliest, door mogelijk  sociaal pathologische omstandigheden,  er rekening mee moet  houden dat er fysieke tegenstand kan worden geboden dat hem volledig kan overrompelen als gevolg van zijn deviant gedrag. Overigens geldt dit evenwel voor alle geweldsdelicten.

Dr. Trimbos, spreekt over de twee grote beginselen in de strafrechtspraak:

1e. verantwoordelijkheid van de dader.

2e. de wettelijkheid van de straffen.

De verantwoordelijkheid van de dader wordt dus als eerste genoemd.

Het O.M. benadrukt deze verantwoordelijkheid van de dader niet in voldoende mate. Het slachtoffer wordt door het O.M. op een gelijke  juridisch niveau geplaatst als die van de dader, en dát is onjuist. Immers, de DADER plaatst zich buiten (onder) het juridisch niveau van het slachtoffer  vanwege zijn crimineel  (deviant) gedrag!    

 
De wijze waarop de overrompeling mag geschieden,  zoals dat nu wordt verwoord  door Laetitia Griffith (VVD) en Jan de Wit (SP), en dat de verdedigende partij eerst moet nadenken over Proportionaliteit en Subsidiariteit, is absurd. Het is een typisch juridische miskleun en een “Aggiornamento” zonder rekening te houden met uiterste consequenties. Hun standpunt is een abderitische. Zij zijn ook slachtoffer van de betekenis van de Latijnse woorden “Caeterum cenceo.”(Een herhaaldelijk uitgesproken mening) 


Duidelijk anders is het indien de verdedigende partij, nadat het gevaar volledig is geëlimineerd, zich na dagen alsnog van geweld bediend, uit zuivere gevoelens van wraak, een  ander ernstig letsel toebrengt. Dan begrijp ik dat proportionaliteit op zijn plaats is.
Dat er in de huidige maatschappij geen wraakgevoelens "mogen zijn",  en deze toch aanwezige wraakgevoelens ook niet mogen worden geuit,  is op zich wél  wenselijk maar onnatuurlijk: de innerlijke beschaving heeft het dus verloren van de natuurlijke behoefde tot vergelding.  Hier zou dus wel "proportionaliteit  en subsidiariteit" kunnen gelden. De menselijke natuur is ook niet door het OM te leiden. ( Er zijn genoeg voorbeelden die aangeven hoe het huidige beleid van het OM de maatschappelijke verhoudingen déformeren en zeker niet werkt ten gunste van het imago van het OM).
 
We moeten heel goed begrijpen dat er mogelijkerwijs levenslange frustraties zijn en dat de levensloop van slachtoffers, buiten zijn schuld, geheel anders kan worden dan wat het slachtoffers er zich van had voorgesteld.

Voorbeeld: Als een medisch student zich een beroep als chirurg had voorgesteld en hij wordt overvallen door een stel hangjongeren waarbij geweld moet worden gebruikt om zich te verdedigen en bij de verdediging  aan twee vingers ernstig  blijvend letsel heeft opgelopen omdat  hij heeft nagedacht over proportionaliteit en subsidiariteit, voor hem de toekomst als chirurg niet rooskleurig is Als hij bij zijn zelfverdediging zijn volledige “gevechtscapaciteit” had gebruikt  dan had hij geen letsel opgelopen en zijn toekomst veiliggesteld. Het recht jezelf te mogen verdedigen is een natuurlijk recht en daarvan kan en mag niet van worden afgeweken. Als het slachtoffer eerst moet denken over “Proportionaliteit of “Subsidiariteit”voordat hij zichzelf moet verdedigen is het slachtoffer bij voorbaat kansloos. De eis, dat bij zelfverdediging, aan het slachtoffer wordt gesteld,  in die vorm zoals dat hierboven is gesteld,  is dan ook absurd en dus onaanvaardbaar.

(In het tweede deel van artikel 41 (zie boven) staat: “Niet strafbaar is de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt)  


Juristen, zeker die bij het OM werken,  moeten zich bij het juridisch mogelijke houden en niet op de plaats gaan zitten van moeder natuur. Veel natuurlijke omstandigheden zijn juridisch niet aan elkaar te verbinden.   Juristen zouden een beroep moeten doen op ” innerlijke beschaving” en “bescheidenheid”.
 
ACTUEEL
Het recht jezelf te verdedigen.
Bijgewerkt op 2 mei 2004.
A.R. Girbes sr, Groningen.

Naar startinfo