|
Justitie
en zelfverdediging
Begrippen
1)
Situering van de rechtsfiguur “wettige zelfverdediging”
Wettige
verdediging is een rechtvaardigingsgrond (zie verder).
Ons
strafrecht is een een schuldstrafrecht, dit wil zeggen dat naast de
daad, (materieel bestanddeel genoemd), ook een zeker
bewustzijn in hoofde van de dader moet bestaan (= psychologisch
bestanddeel).
Als
beide verenigd zijn, dus als iemand welbewust de strafwet overtreedt,
spreken wij van een misdrijf.
Er
zijn echter bijzondere omstandigheden welke de gepleegde feiten het
karakter van misdrijf ontnemen.
Die omstandigheden noemen wij rechtvaardigingsgronden.
De
rechtvaardigingsgronden zijn door de wet of het recht erkende
omstandigheden, waardoor het wederrechtelijk karakter van de
gestelde daad opgeheven wordt, waardoor deze daad dus geoorloofd is.
Door de rechtvaardigingsgronden is
het gepleegde feit geen misdrijf meer, daardoor zullen de
personen die hebben deelgenomen aan de feiten niet strafbaar zijn.
2)
Opsomming van de rechtvaardigingsgronden
2.1.
Gebod van de wet en bevel van de overheid.
Wordt geregeld door art. 70 S.W.B.:
“Er
is geen misdrijf wanneer het feit door de wet is voorgeschreven en door de
overheid bevolen is”
Bijv.: De
opgevorderde slotenmaker die een deur openbreekt opdat een huiszoeking zou
kunnen verricht worden.
Bijv.: Bij voltrekken terdoodveroordeling is de beul niet schuldig aan
moord.
2.2.
De noodtoestand.
De
noodtoestand is de situatie waarin een persoon verkeert, die gesteld
tegenover een voor hem of voor derden ernstig en dringend kwaad,
de bepalingen van de strafwet schendt ten einde rechtsbelangen of
rechtsgoederen te vrijwaren die hij gerechtigd was of tot plicht had
boven anderen te stellen.
Bijv.:
Brandweerman die om personen en/of goederen te beveiligen, die door brand
worden bedreigd, de afsluiting van een naburig gebouw beschadigt
of vernielt.
(Het
is overigens vanuit het begrip noodtoestand dat het aanwenden van geweld
door politieambtenaren tegen personenn mits wettige redenen
gerechtvaardigd kan worden geacht).
De betekenis en de draagwijdte van het begrip “wettige reden”
kunnen niet beperkt worden tot het enkel geval van wettige
verdediging; doch alle rechtvaardigingsgronden komen hiervoor in
aanmerking
.
(Bijv.: Geweld gebruiken om inlichtingen te verkrijgen die personen
het leven kunnen redden).
3
De wettige verdediging of wettige
zelfverdediging.
Dit is het recht tot afweer van onrecht, dit is een
rechtvaardigingsgrond die als het ware een overblijfsel is uit de
oertijd.
Deze
rechtsfiguur wordt door sommige rechtsgeleerden niet alleen aangezien als
een recht maar zelfs als een plicht gefundeerd op het sociale
belang en de verdediging van de maatschappij.
3.1.
Toepasselijke wetteksten.
Art.
416 S.W.B.:
“Er is noch misdaad noch wanbedrijf wanneer de
doodslag, de verwondingen en de slagen
geboden zijn door de ogenblikkelijke noodzaak van de wettige
verdediging van zichzelf of van een ander”.
Art. 417 S.W.B.:
Onder de gevallen van ogenblikkelijke noodzaak van de verdediging
worden de twee volgende gevallen begrepen:
a) Wanneer
de doodslag gepleegd wordt, wanneer de verwondingen of slagen
toegebracht worden bij het afweren bij nacht van de beklimming
of de braak van de afsluitingen, muren of toegangen van een bewoond
huis of appartement of de aanhorigheden ervan, behalve wanneer de
dader niet kon geloven aan een aanranding van personen, hetzij als
rechtstreeks doel van hij die poogt in te klimmen of in te breken, hetzij
als gevolg van de weerstand welke diens voornemen mocht ontmoeten;
b) Wanneer het feit plaats heeft bij het zich verdedigen tegen de daders
van diefstal of plundering die met geweld tegen personen wordt
gepleegd.
Opm.: Doodslag, slagen of verwondingen tegen een inbreker bij dag
wordt niet gerech-vaardigd door art. 417 S.W.B., wel zal niet de
gewone straf uitgesproken worden omdat men de omstandigheid zal
kenmerken als een strafverminderende verschoningsgrond
.
3.2. Algemene
voorwaarden voor de wettige verdediging.
Opdat
iemand die een misdrijf heeft gepleegd de wettige verdediging zou kunnen
inroepen om zijn gedraging te rechtvaardigen en het strafbaar
karakter ervan aldus te doen wegvallen, moeten de volgende
voorwaarden vervuld zijn:
3.2.1.
De aanranding (lees: het fysieke geweld)
moet gericht zijn tegen personen.
De
rechtvaardiging kan ingeroepen worden zowel voor de eigen verdediging
als voor de verdediging van eigen personen. Wettige
zelfverdediging kan ook aangewend worden bij de verdediging tegen aanvallen
op de persoonlijke vrijheid of bij bescherming van
de eerbaarheid.
De
bescherming van goederen valt buiten het toepassingsveld van de wettige
verdediging.
Het geval van art.417 S.W.B. is geen echte uitzondering aangezien wij
altijd moeten kunnen geloven in een aanval tegen personen, het geval
van art. 417 laat enkel een vermoeden van noodzakelijkheid van afweer
rijzen.
3.2.2.
De aanranding moet wederrechtelijk zijn.
Zo
kan de aanrander die op weerstand stuit van de aangerande persoon zelf geen wettige
verdediging inroepen tegen het slachtoffer dat zich verzet.
Men is evenmin gerechtigd zich te verweren tegen het rechtmatig optreden
van de overheidsagent, bijv. bij uitvoering van een bevel tot
aanhouding of tot medebrenging.
Wel
wordt verzet tegen onwettige handelingen van de overheid aanvaard, wanneer
deze handelingen kennelijk onwettig zijn.
3.2.3.
De aanranding moet ogenblikkelijk zijn.
Dit
omvat de aanval die zich aan het voltrekken is of deze die onmiddellijk
dreigend is.
Daarentegen
is er geen wettige verdediging wanneer een toekomstig of een
eventueel gevaar betreft noch als de aanranding reeds afgelopen is
! Kortom: Als het geweld reeds gebeurd is, mag je bijvoorbeeld de
geweldpleger niet op staan wachten om je te vergelden.
3.2.4.
Het verweer moet noodzakelijk zijn.
Het
is niet vereist dat de aanranding levensgevaarlijk zou zijn, toch moet zij
voldoende ernstig zijn om een onmiddellijk en gewelddadig verweer als
noodzakelijk te doen voorkomen.
Voorts mogen er voor de aangevallene in redelijkheid geen
andere wegen open staan dan een gewelddadige verdediging.
Indien de aangerande persoon tijdig beroep kan doen op hulp van de
overheid, zou de noodzaak van een ogenblikkelijk
verweer eventueel in twijfel kunnen getrokken worden, men
is echter niet verplicht te vluchten, ook al was dit mogelijk.
3.2.5.
De afweer moet in verhouding staan tot de aanval.
De
verdediging door bijv. doding, wanneer redelijkerwijze lichte verwondingen
hadden volstaan is niet noodzakelijk. Deze verhouding niet in acht
nemen komt neer op rechts misbruik en houdt zelf een aanval in.
Die
evenredigheidseis moet echter met realiteitszin beoordeeld worden.
Alleszins kan de onrechtmatigheid van de aanranding als verzachtende
omstandigheid of als verschonings-gronden gelden voor diegene die het
evenredigheidsprincipe zou miskend hebben.
Bovendien
zal alleen de manifeste en ondubbelzinnige wanverhouding in de praktijk
tot strafvervolging geven.
4)
Opmerking tot besluit.
Als
men getuige is van een aanval tegen personen, is men
uiteraard niet verplicht met gevaar voor eigen leven tussenbeide
te komen.
Deze misvatting die vrij algemeen verspreid is komt
hoogst waarschijnlijk voort uit het feit dat de
wet een verplichting tot hulp inricht. Doch onder hulp kunnen
wij ook bijv. de politie-diensten verwittigen rekenen.
Anders
maakt men zich schuldig aan “schuldig verzuim”, hetgeen
aanleiding kan geven tot strafvervolging.
Artikel
uit krant:
Zelfverdediging of eigen richting
Februari 2005 - De laatste tijd is er in de maatschappij beroering
ontstaan over de wijze van aanhouding door medewerkers van een
beveiligingsbedrijf van verdachten die zich schuldig hebben gemaakt aan
bijvoorbeeld winkeldiefstal. Hierbij gaat het dan nog niet eens zozeer om
de vraag of het een burger, waartoe ook beveiligingsambtenaren worden
gerekend, is toegestaan om op heterdaad iemand aan te houden, maar veeleer
om de wijze waarop deze aanhouding plaatsvindt.
Ingevolge artikel 41 Wetboek van Strafrecht mag eenieder zich verdedigen
tegen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders
lijf, eerbaarheid of goed. Artikel 53 Wetboek van Strafvordering bepaalt
vervolgens dat in geval van ontdekking op heterdaad ieder bevoegd is de
verdachte aan te houden. Zelfs is het gerechtvaardigd om enig geweld toe
te passen teneinde aan die situatie een eind te maken. Echter: het
gebruikmaken van "onnodig geweld" is niet toegestaan. Het geweld
moet ophouden zodra een verdachte zich overgeeft of weerloos is.
Twee in het oogspringende beroepen waarbij aanhoudingen op heterdaad nog
wel eens plaatsvinden zijn die van beveiligingspersoneel en portiers van
bijvoorbeeld bars of discotheken. Bij deze beroepen wordt in de opleiding
tegenwoordig de nodige aandacht besteed aan het worden geconfronteerd met
personen die strafbare feiten plegen. Hierbij gaat de aandacht niet
slechts uit naar de theorie, doch ook de praktijk van de manier waarop
vervolgens een overtreder moet worden aangehouden en onmiddellijk moet
worden overgedragen aan de politie. Juist het feit dat in hun opleiding
hieraan de nodige aandacht wordt besteed, maakt dat zij bij een aanhouding
op heterdaad de nodige zorgvuldigheid moeten betrachten.
Zoals hiervoor weergegeven moet wel aan een aantal voorwaarden zijn
voldaan, wil bij een aanhouding op heterdaad enig geweld mogen worden
gebruikt. Als eerste geldt dat het gaat om een situatie waarin iemand zich
moet verdedigen omdat hijzelf/zijzelf wordt aangevallen, dan wel dat er
een onmiddellijk dreigend gevaar bestaat dat dit zal gebeuren. Een ander
belangrijk aspect hierbij is dat er sprake is van een feitelijke
belemmering of onmogelijkheid om zich aan de aanval of een dreigende
aanval te onttrekken. Als voorbeeld hiervoor geldt het volgende. Indien
een beveiligingsambtenaar in een winkel waarneemt dat iemand goederen
steelt dan is hij of zij bevoegd, net als iedere andere burger, de dief te
achtervolgen en op straat aan te houden. Indien in zo'n geval de dief zich
tegen deze aanhouding verzet, is het de beveiligingsbeambte toegestaan om
hierbij enig geweld te gebruiken. Op het moment echter dat de dief zijn
verzet opgeeft en zich gewillig mee laat voeren, is het vanaf dat moment
niet meer toegestaan om enig geweld te gebruiken. Vanaf dat moment moet
onmiddellijk de politie worden geïnformeerd en dient de dief zo spoedig
mogelijk aan de politie te worden overgedragen.
Een ander aspect dat hierbij vervolgens een rol speelt is dat de wijze van
verdediging niet in wanverhouding moet staan tot hetgeen de aangehouden
persoon doet. Met andere woorden: was de wijze van afweer aanvaardbaar,
gezien het te verdedigen belang en het daartoe ter beschikking staande
middel. Uit uitspraken van de Hoge Raad, ons hoogste Nederlandse
rechtscollege, blijkt dat degene die wordt aangevallen een aanzienlijke
marge heeft. Niet eerst hoeft het lichtste middel te worden geprobeerd,
aanstonds mag worden gekozen voor een afweer die een redelijke kans op
effect heeft.
Indien een Rechter wordt geconfronteerd met een beroep op zelfverdediging,
zal hij objectief aan de hand van de in een zaak vastgestelde feiten
moeten beoordelen of degene die zich heeft verdedigd dit ook naar redelijk
inzicht mocht doen. Indien uiteindelijk de Rechter tot de conclusie komt
dat terecht sprake is van zelfverdediging, zal hij de betrokkenen, indien
die wordt vervolgd, ontslaan van alle rechtsvervolging. Dit houdt in dat
op zich wel een strafbaar feit is gepleegd, doch dat de Rechter achteraf
oordeelt dat zulks terecht is gebeurd.
Nu komt het voor dat iemand onder gegeven omstandigheden verder gaat dan
eigenlijk strikt noodzakelijk was geweest voor zelfverdediging. Dit kan
bijvoorbeeld omdat iemand door heftig verzet van bijvoorbeeld een dief
zodanig geschrokken is dat hij meer geweld toepast dan in feite onder de
gegeven omstandigheden was toegestaan. Indien dit komt door een heftige
gemoedsbeweging op het moment van het toegepaste geweld kan dit achteraf
door de Rechter nog worden gebillijkt. Ook in zo'n geval zal iemand worden
ontslagen van alle rechtsvervolging. Als voorbeeld hiervoor geldt dat
iemand die een forse klap op zijn arm krijgt hiervan zodanig is
geschrokken dat door zijn handelen de dief bijvoorbeeld zijn arm wordt
gebroken. Hoewel dit in principe niet is toegestaan, zijn er
omstandigheden denkbaar waaronder iemand uiteindelijk toch niet wordt
veroordeeld.
Als op een gegeven moment geen zelfverdediging meer noodzakelijk is, is
het vanzelfsprekend niet meer toegestaan om nadien nog iemand te slaan of
te schoppen. Gebeurt dit dan toch, dan is er sprake van eigen richting en
bestaat de mogelijk dat hij/zij hiervoor door de Rechter wordt
veroordeeld.
Ander artikel (22-01-05):
Het recht op eerbaarheid
|
Nadat het Openbaar Ministerie
de afgelopen tijd een aantal slachtoffers van misdrijven wilde
vervolgen voor het met geweld beschermen van eigendommen, is een
debat opgekomen over de grenzen van zelfverdediging. Centraal in
dit debat staat de afweging tussen enerzijds het recht om ‘lijf,
goed en eerbaarheid’ te verdedigen en anderzijds de
maatschappelijke en politieke plicht om eigenrichting te
voorkomen. In het debat moet er een verhouding gevonden worden
tussen deze twee factoren.
Huidige wetgeving
Het probleem op dit moment is in eerste instantie niet dat de
verhouding tussen deze factoren zoek is, maar vooral dat de
verhouding niet bekend is. Artikel 41 van het Wetboek van
Strafrecht stelt: iemand mag zich verdedigen tegen een aanval op
zijn eigen of andermans lijf, goed en eerbaarheid. Voorwaarde
daarbij is dat het gebruikte geweld in proportie staat tot de
dreiging. Deze voorwaarde van proportionaliteit veroorzaakt echter
deze problemen, aangezien in de wettekst niet staat vermeld wat
deze proportionaliteit inhoudt. Hierdoor staat deze wet open voor
willekeur, hetgeen natuurlijk het tegengestelde is van de
bedoeling van een dergelijke wet.
Toch staat in hetzelfde Wetboek van Strafrecht dat
proportionaliteit niet altijd noodzakelijk is. Wanneer er sprake
is van extreem dreigende situaties, dan mag men volgens de wet
handelen zonder acht te slaan op proportionaliteit van geweld: het
zogenaamde noodweerexces. Echter, hier geldt weer hetzelfde
probleem als met de proportionaliteit. Extreem dreigende situaties
zijn in de wet niet toegespitst, waardoor onduidelijkheid bestaat
en willekeur mogelijk wordt.
‘Zelfverdediging alleen als er geen uitweg is’
Gezien het feit dat de wetten niet duidelijk zijn, hebben rechters
in het verleden eigen interpretaties gegeven aan deze wetten. De
in het verleden gedane gerechtelijke uitspraken op basis van deze
interpretaties hebben echter ook de huidige visie op
zelfverdediging sterk beïnvloed. De eerder gedane gerechtelijke
uitspraken vormen jurisprudentie waar rechten en plichten aan
verleend moeten worden. De belangrijkste jurisprudentie op dit
gebied is de uitspraak van de Hoge Raad in 1950, die stelde dat
zelfverdediging alleen toegestaan is als absoluut laatste uitweg.
Vanzelfsprekend is dit een zeer stringente beperking van het recht
op zelfverdediging, aangezien dit ertoe leidt dat men niet meer
kan ingrijpen wanneer bezittingen geschonden worden. Immers
ingrijpen is dan vaak niet de laatste uitweg. Volgens
rechtsgeleerden maakt deze uitspraak het ook de facto onmogelijk
in te grijpen wanneer andermans lijf, goed of eerbaarheid bedreigd
wordt aangezien vluchten dan altijd nog een optie is. De
jurisprudentie staat hiermee haaks op de wet die duidelijk stelt
dat “iemand zich mag verdedigen tegen een aanval op zijn eigen
of andermans lijf, goed en eerbaarheid”.
Een additionele beperking van het zelfbeschikkingsrecht is dat ook
het noodweerexcesargument in de rechtzaal vaak geen steek houdt.
Hoewel er veelvuldig beroep wordt gedaan op dit argument, geeft de
rechter hier maar heel zelden gehoor aan. Al met al geeft dit weer
dat van het recht op zelfverdediging in de praktijk maar weinig
overblijft.
Rol van het Openbaar Ministerie
In Nederland kan alleen het Openbaar Ministerie (OM) overgaan tot
het vervolgen van criminelen. Het OM neemt lang niet alle zaken in
behandeling en selecteert daarmee dan ook reeds voor. Hierbij
bepaalt het OM allereerst het belang van de zaak en daarnaast de
kans om de zaak winnen. Het OM kiest er echter steevast voor om
slachtoffers van misdrijven die zich verdedigen tegen geweld tegen
lijf, goed of eerbaarheid te vervolgen en toont daarbij zeer
weinig clementie voor het slachtoffer.
Deze werkwijze maakt daders van slachtoffers en leidt tot
criminalisering van mensen die slechts de wet volgen. Het OM
verontachtzaamt hiermee haar plicht tegen de samenleving en stelt
de burger ook voor grote dilemma’s. Ingrijpen en het verdedigen
van eigen of andermans lijf, goed en eerbaarheid kan immers tot
flinke straffen leiden. Door deze houding van het OM wordt het
vertrouwen in de rechtstaat ondermijnd en kan het gevoel ontstaan
dat de rechtstaat zich niet bekommert om slachtoffers van misdaad.
Op weg naar rechtvaardigheid
Criminaliteit is één van de grootste problemen in de huidige
samenleving en lijkt steeds grotere en vooral gewelddadigere
vormen aan te nemen. Juist in deze tijd, zou het OM ook duidelijk
moeten kiezen voor slachtoffers; slachtoffers die zich verzetten
tegen criminaliteit moeten het voordeel van de twijfel krijgen van
het OM. Dit zal mensen weerbaarder maken en er voor zorgen dat
mensen anderen die slachtoffer worden van criminaliteit ook
sneller te hulp zullen schieten.
Daarnaast moeten de wetten met betrekking tot zelfverdediging
vernieuwd worden. De huidige wetten bieden burgers niet voldoende
bescherming tegen criminaliteit, vooral omdat de wetten niet
eenduidig zijn. Een allereerste vereiste is dan ook dat de wetten
voor zelfverdediging helder en duidelijk geformuleerd worden. Ten
tweede dienen de wetten de burger die slachtoffer wordt van
criminaliteit meer ruimte te bieden om hiertegen op te treden. De
concrete definiëring van 'proportionaliteit' in dit verband,
dient zeer breed te zijn. Immers: de overheid moet pal staan voor
het beschermen van lijf, goed en eerbaarheid van haar burgers.
De oproep om het recht op zelfverdediging te vergroten wordt ook
gesteund door hoogleraren in rechtswetenschappen, zoals onder meer
blijkt uit het artikel Geweld mag, zolang het maar
proportioneel is van M. Vermeulen in de Volkskrant van 21
januari 2005. Het argument is dat het “geweld van criminelen
zich steeds verder verhardt en daarom moet de burger meer
mogelijkheden hebben om zijn eigen dood af te wenden”. De
overheid dient ondubbelzinnig de kant van slachtoffers te kiezen!
|
Opinie:
Het recht jezelf te verdedigen.
(
Uit VVD- blad "Politiek"):
Hoever mag je gaan om jezelf en je spullen te
verdedigen? De laatste tijd worden we steeds vaker
geconfronteerd met voorbeelden waarbij het
zelfverdedigingrecht met steeds meer geweld gepaard
gaat.Volgens de wet mag een burger echter geen geweld
gebruiken op enkele uitzonderingen na. Zo mag een
burger, wanneer hij iemand op heterdaad betrapt, de
dader staande houden en hem overdragen aan een
opsporingsambtenaar. Daarbij mag gepast geweld gebruikt
worden, Ook wanneer iemand wordt aangevallen, mag hij
zijn lijf, zijn eerbaarheid en zijn goederen verdedigen
(noodweer). Tweede-Kamerleden Laetitia Griffith (VVD) en
Jan de Wit (SP), beiden jurist, buigen zich over
enkele cases en geven hun mening over het toegepaste
geweld in die situaties. Twee begrippen zijn van belang:
proportionaliteit en subsidiariteit. “Was het
gebruikte geweld gepast? En was er een andere
oplossingsmogelijkheid geweest? “ Zegt
mevrouw Griffith.
De Wit vult aan: “enig geweld
is toelaatbaar. Maar je mag
niet zomaar een grens overschrijden:”
Voor
zover de mededeling uit het blad
"Politiek".
Reeds
tal van jaren wordt er over het onderwerp "Jezelf
te verdedigen", op een
ONREALISTISCHE manier, in zowel de algemene pers,
dagbladen, weekbladen enz., gediscussieerd, als wel door
zogenaamde juridische "deskundigen".
Ik heb de stellige indruk dat onze huidige juristen niet
weten waarover zij praten / schrijven als het onderwerp
zelfverdediging ter sprake komt.
Wat
is er nu werkelijk aan de hand:
In artikel 4, van de Grondwet van 1963, staat het
volgende:
”Allen die zich op het grondgebied van het Rijk
bevinden, hebben gelijke aanspraak op bescherming van
persoon en goederen.”
De wet (van 1963) was duidelijk en iedere vorm
van misverstand
was afwezig.
(In het wetboek van Strafrecht, de zeventiende druk, en
bijgewerkt tot 1 februari 1960, staat in artikel 41 het
volgende: “Niet strafbaar is hij die een feit
begaat, geboden door noodzakelijke verdediging
van eigen of eens anders
lijf, eerbaarheid of goed
tegen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding”)
De wijziging van bovengenoemde artikelen is in feite een
ontkenning geweest van het recht op zelfbescherming.
Zelfbescherming, van zowel lijf en goed, is een
natuurlijk recht, waarvan niet kan worden afgeweken.
In plaats van genoemd artikel is het dogma “Allemaal
gelijk” gekomen.( Art.1, van 17 februari 1983) “Allen
die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke
gevallen behandeld."
Dit artikel 1 van 1983 is een onmogelijk artikel, omdat
allen, is ieder mens,
gelijke rechten krijgt.
Het artikel vind ik zelfs absurd. De woorden “op welke
grond dan ook” is overgenomen door de regering van een
amendement van de communist
(wijlen) Bakker:
genoemde woorden hebben verstrekkende gevolgen, opdat
ook een crimineel, die zich buiten het rechtsbestel
plaatst, door middel van een criminele daad, bescherming
kan genieten en gelijk gesteld wordt met anderen die dat
niet hebben gedaan.
Waardoor
en Waarom?
In
elk "handboek over psychiatrie" zijn
grondbeginselen omschreven die te maken hebben op het
"zich-zelf-zijn, de grondtrekken die daarop
betrekking hebben in de relatie tot de ander. Ik citeer:
"Een persoonlijkheid die defensief is en
voor zijn rechten durft op te komen én datgene dat hij
denkt ook durft te zeggen en verdedigen is een kenmerk
door een durven handhaven van eigen levensvormen."
Dus ook in de psychiatrie is erkenning
van eigen levensvormen ondubbelzinnig aanwezig en
dat het individu deze vorm ook mag/moet
verdedigen.Verdediging van eigen levensvormen, hoe ook
genaamd, is niet vervangbaar door ongeacht
welke juridisch technische omschrijving dan ook,
met uitzondering van criminele levensvormen en of
milieus. De veroordelingen, door de
rechterlijke macht, van verdedigers van redelijke
natuurlijke verdediging van eigen levensvormen, is m.i.
een zuiver politiek links dogmatische,
en
dus "onmiskenbaar" absurd.
A.
In het Burgerlijk wetboek, boek 6, Titel 3, Afdeling 1
artikel 162 staat:
-1. Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad
pleegt, welke hem kan worden toegerekend is verplicht de
schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.
-2. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een
INBREUK OP EEN RECHT en een doen of nalaten in strijd
met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens
ongeschreven recht in het maatschappelijke verkeer
betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een
rechtvaardigheidsgrond.
B.
In het “Burgerlijk
Wetboek”, boek 6,
Afdeling 10, artikel 108 sub 1.
Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis
waarvoor de ander jegens hem aansprakelijk is overlijdt,
is die ander verplicht tot vergoeding van de schade door
het derven van levensonderhoud.
C.
Naast het burgerlijk wetboek is er het ontwerp van de
Europese grondwet.
In Hoofdstuk 1, Waardigheid:
staat in artikel 1. :
”De menselijke waardigheid is onschendbaar. Zij moet
worden geëerbiedigd en beschermd.
D.
In,
de “Universele
Verklaring van de Rechten van de Mens”,
artikel 3 het volgende:
”Een ieder
heeft recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid van
zijn persoon”.
Artikel 5.
Niemand zal
onderworpen worden aan folteringen, nog aan wrede,
onmenselijke of onterende behandeling of
bestraffing.
Mijn
mening en samenvatting.
Het
menselijk natuurlijk gedrag is een gedrag van het “constante
zelfbehoud”. Over de wijze van zelfbehoud is reeds
veel geschreven, vooral juristen willen een juridisch
sluitende redenering hebben, maar tot op heden is er
geen bevredigende oplossing aangedragen en/of gevonden.
Moeder natuur (de menselijke factoren) laat zich nu
eenmaal niet leiden door juridisch, niet haalbare,
stellingen. De eis van proportionaliteit (Gepast
geweld) en subsidiariteit (een andere
oplossingsmogelijkheid) is een oneigenlijke eis
(misbruik van een machtspositie) om een juridische
interferentie (twee bewegingen die elkaar belemmeren)
te overbruggen om tot een sluitend geheel te
komen. De
menselijke natuur wordt daarbij geheel buiten het
spel gezet, dat van m.n. het noodzakelijke
zelfbehoud. De gehele natuur – de
“Flora en Fauna”-, stoelen op hetzelfde
beginsel, namelijk “het (zelf)behoud van
de soort.
Bij de mens is dat een zeer sterk
ontwikkeld fenomeen en daar kan niemand omheen.
Vooral juristen met een linkse attitude – het in de
bres staan voor de zwakken -, slaan de plank volledig
mis, als zij menen dat bij doodsbedreiging een “gepast
(tegen) geweld” als eis kan worden gesteld
(proportionaliteit).
Een persoon die een andere persoon aanvalt met het
oogmerk zich te verrijken door middel van roof, doodslag
als gevolg van de aanval, zet zich geheel buiten
het spel van wat we met elkaar hebben afgesproken.
Als een persoon, die
geweld uitoefent, zichzelf BUITEN het
maatschappelijk spel plaatst, heeft die persoon eerder
in de tijd een BEWUSTE keus gemaakt om zichzelf buiten
de maatschappelijk realiteit te positioneren door een
“gekozen deviant gedrag”.
Bij het plegen van een daad, MOET een
individu, die inbreuk maakt op andermans recht,
waardigheid én de onaantastbaarheid van die ander
niet heeft erkend, óf de onschendbaarheid van die
andere persoon volledig uit het oog verliest, door
mogelijk sociaal pathologische
omstandigheden, er rekening mee moet houden
dat er fysieke tegenstand kan worden geboden dat hem
volledig kan overrompelen als gevolg van zijn deviant
gedrag. Overigens geldt dit evenwel voor alle
geweldsdelicten.
Dr.
Trimbos, spreekt over de twee grote beginselen in de
strafrechtspraak:
1e.
verantwoordelijkheid van de dader.
2e.
de wettelijkheid van de straffen.
De
verantwoordelijkheid van de dader wordt dus als eerste
genoemd.
Het
O.M. benadrukt deze verantwoordelijkheid van de dader
niet in voldoende mate. Het slachtoffer wordt door het
O.M. op een
gelijke juridisch
niveau geplaatst als die van de dader, en dát is
onjuist. Immers, de DADER plaatst
zich buiten (onder) het
juridisch niveau
van het slachtoffer
vanwege zijn crimineel (deviant)
gedrag!
De wijze waarop de overrompeling mag geschieden,
zoals dat nu wordt verwoord door Laetitia Griffith
(VVD) en Jan de Wit (SP), en dat de verdedigende partij
eerst moet nadenken over Proportionaliteit en
Subsidiariteit, is
absurd. Het is een
typisch juridische miskleun en een “Aggiornamento”
zonder rekening te houden met uiterste consequenties.
Hun standpunt is een abderitische. Zij zijn ook
slachtoffer van de betekenis van de Latijnse woorden “Caeterum
cenceo.”(Een herhaaldelijk uitgesproken mening)
Duidelijk anders is het indien de verdedigende partij,
nadat het gevaar volledig is geëlimineerd, zich na
dagen alsnog van geweld bediend, uit zuivere gevoelens
van wraak, een ander ernstig letsel toebrengt. Dan
begrijp ik dat proportionaliteit op zijn plaats is.
Dat er in de huidige maatschappij geen wraakgevoelens
"mogen zijn", en deze toch aanwezige
wraakgevoelens ook niet mogen worden geuit, is op
zich wél wenselijk
maar onnatuurlijk:
de innerlijke beschaving
heeft het dus verloren van
de natuurlijke behoefde tot vergelding.
Hier zou dus wel "proportionaliteit en
subsidiariteit" kunnen gelden. De menselijke natuur
is ook niet door het OM te leiden. ( Er zijn genoeg
voorbeelden die aangeven hoe het huidige beleid van het
OM de maatschappelijke verhoudingen déformeren en
zeker niet werkt ten gunste van het imago van het
OM).
We moeten heel goed begrijpen dat er mogelijkerwijs
levenslange frustraties zijn en dat de levensloop van
slachtoffers, buiten zijn schuld, geheel anders kan
worden dan wat het slachtoffers er zich van
had voorgesteld.
Voorbeeld:
Als een medisch student zich een beroep als chirurg had
voorgesteld en hij wordt overvallen door een stel
hangjongeren waarbij geweld moet worden gebruikt om zich
te verdedigen en bij de verdediging aan twee
vingers ernstig blijvend letsel heeft opgelopen
omdat hij
heeft nagedacht over proportionaliteit en subsidiariteit,
voor hem de toekomst als chirurg niet rooskleurig
is Als hij bij zijn zelfverdediging zijn volledige “gevechtscapaciteit”
had gebruikt dan
had hij geen letsel opgelopen en zijn toekomst
veiliggesteld. Het recht jezelf te mogen verdedigen is
een natuurlijk recht en daarvan kan en mag niet van
worden afgeweken. Als het slachtoffer eerst moet denken
over “Proportionaliteit of “Subsidiariteit”voordat
hij zichzelf moet verdedigen is het slachtoffer bij
voorbaat kansloos. De eis, dat bij zelfverdediging, aan
het slachtoffer wordt gesteld,
in die vorm zoals dat hierboven is gesteld,
is dan ook absurd en dus onaanvaardbaar.
(In
het tweede deel van artikel 41 (zie boven)
staat: “Niet strafbaar is de overschrijding van
de grenzen van noodzakelijke verdediging, indien zij het
onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige
gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt)
Juristen, zeker die bij het OM werken,
moeten zich bij het juridisch mogelijke houden en
niet op de plaats gaan zitten van moeder natuur. Veel
natuurlijke omstandigheden zijn juridisch niet aan
elkaar te verbinden. Juristen zouden een
beroep moeten doen op ” innerlijke beschaving” en
“bescheidenheid”.
ACTUEEL
Het recht jezelf te verdedigen.
Bijgewerkt op 2 mei 2004.
A.R. Girbes sr, Groningen.
|
|
|