Vijfde vaardag: van Betton naar Hédé


Als we woensdag opstaan is het koud en nevelig. De kachel doet het niet. Ik had al een bang vermoeden toen Pepijn gisteren bij het douchen geen warm water had. Ik had nog de naïeve hoop dat het euvel de volgende dag verholpen zou zijn. Omdat de basis zo vroeg nog niet is bemand, haal ik eerst brood. Harm, die had zich voorgenomen om zich ’s morgens te douchen, vermant zich en douchet met koud water. Als ik terug ben van de bakker, bel ik Valérie op de basis. Ze belooft dat een monteur terugbelt. Inderdaad worden we even later gebeld. Hij legt uit dat we onder de bank moeten zoeken naar een knop op een blauw kastje. We verwijderen de bank maar zien niets blauws. Harm trekt dan een vloerluik open en we zien inderdaad wat blauws. Ik zoek op de tast aan de zijkant van het kastje naar op iets wat een knop lijkt. Inderdaad horen we opeens de kachel aanslaan. Het probleem is verholpen.

We varen weg. Bij de volgende sluis zien we niemand terwijl we wel om half tien hadden afgesproken. Wat te doen? Er staan wel mensen te schoffelen in de tuin bij het sluiswachtershuis maar die weten niet waar de sluiswachter is. Ik zoek in de documentatie die ik heb mee gekregen naar een telefoonnummer. Van elke sluis heb ik een nummer gekregen. Ik bel en hoor de telefoon buiten overgaan bij het sluiswachtershuis. Maar daar is niemand dus dat schiet ook niet op. We wachten af. Dan komt er een brommertje aan. Het blijkt de sluiswachtster te zijn, een jonge vrouw met een hele reeks piercings in haar oren en één in haar onderlip. Ze is minder avontuurlijk als op het eerste gezicht lijkt want ze opent de schuiven slechts op een smal spleetje. Een zwak straaltje spuit in de sluiskolk. We doen net of we alle tijd van de wereld hebben maar het schiet voor geen meter op. We dringen aan de schuiven iets verder open te doen. Ze geeft een klein slingertje aan de schuiven maar het blijft een slap piesstraaltje. Ze zegt dat het anders te gevaarlijk wordt. 

We schikken ons in ons lot en na twintig minuten zijn we eindelijk boven. Als we de sluiskolk uitvaren, vertelt ze tot onze schrik dat ze de volgende drie sluizen ook bediend. Dat wordt een ochtendvullend programma. De sluizen zijn om de twee-en-een-halve kilometer. 

Traag schutten we steeds naar boven. Tussen de derde en de vierde sluis zit echter slechts anderhalve kilometer. We zijn met onze boot sneller in de sluis dan de sluiswachtster op haar brommertje. We besluiten alvast te beginnen met schutten. Na het sluiten van de deuren zet Pepijn een schuif flink open. Als de sluiskolk al voor de helft gevuld is, komt de sluiswachtster aanzetten. Pepijn geeft nog een flinke slinger aan de schuif en ze schrikt ervan. Ik zeg Pepijn zich wat te in te houden. Deze sluis doen  we in minder dan tien minuten.  
In de vaargids wordt bij de vijfde sluis van vandaag, die van St-Germain-sur-Ille gewaarschuwd voor een lage brug. We halen een vlag op de voorplecht weg, leggen de fietsen op dek en verwijderen het ankerlicht. De doorvaarhoogte is 3,23 meter. We kunnen inderdaad net onder de brug door. Als we de vaargids wat beter bekijken, ontdekken we dat er ook nog bruggen zijn die slechts 2,50 doorvaarhoogte hebben. We geloven nooit dat we nog 75 cm extra speling hadden en twijfelen eraan of we überhaupt het einddoel wel zullen halen. We kunnen aan de andere kant ook niet geloven dat we een boot meekrijgen voor een tocht die niet te doen is met die hoogte. Dan zouden de Fransen wel erg dom zijn. Ik heb speciaal een boot gevraagd voor deze tocht met een buitenstuurpositie. We kunnen niet anders doen dan doorvaren. We zien wel wat te doen als we het niet redden.  
Bij de vijfde sluis staat een sluiswachtster met meer ervaring. Die zet de schuiven wijd open en het water spuit in een wilde straal naar binnen in de sluiskolk maar ze gaat beslist niet onverantwoord te werk.
Harm stoot onderweg zijn hoofd aan een pijpleiding die onder een brug hangt. Hij zat op de tafel van het achterdek te sms-sen en ook ik had niet in de gaten dat hij er niet onderdoor paste. Hij stoot flink zijn hoofd maar houdt zich in. Inmiddels is het wolkendek geheel opengetrokken. Het is zonnig en warm. Ik doe een korte broek aan.  
Na de sluis van Bouessay varen we in een dalletje door heuvelig gebied. In een kanaalpand van 2,5 kilometer kruist de spoorlijn drie keer hoog boven ons. Bij de volgende sluis ligt een brug met een hoogte van 3,20 meter. We hebben bijna geen speling maar de echte test komt twee sluizen verderop. Daar ligt een brug met een doorvaarhoogte volgens de kaart van 2,50 meter. Heel langzaam varen we onder de brug door. We passen er precies onderdoor. We juichen als we de brug zijn gepasseerd. De Fransen stijgen weer in onze achting. Het traject is te doen met onze boot. Wel vragen wij ons af of de doorvaarhoogte wel overal op dezelfde wijze word gemeten.  

We varen nog vijf sluizen naar boven. In dit deel van het kanaal wordt flink onderhoud gepleegd aan de oevers. De laatste drie sluizen worden we begeleid door een zwijgende sluiswachtster met niettemin een heel aardige uitstraling.

Dan komen we in het scheidingspand, het hoogste pand van het kanaal. Aan beide zijden van het scheidingspand liggen meren. Het zijn de de waterreservoirs die vroeger dienden om de watervoorraad in de hogere delen van het kanaal op peil te houden, ook in droge perioden. Het is een prachtig gebied. Tussen de meren aan beide zijden in is een lang recht stuk kanaal dat door een heuvel is gegraven. We varen tussen beboste heuvels door.  

Voor de nacht leggen we aan boven de sluis aan de andere zijde van het scheidingspand. Het is de eerste sluis van de sluizentrap van Hédé. Het is mooi weer. We liggen in de zon tussen hoge bomen, de vogels fluiten en in de verte klinkt een koekoek. Het is er, in één woord, fantastisch. Van onze verhuurder hadden we een fles Bretonse cider gekregen (Cidre Bouché Breton). Dit is de plek om hem open te maken. Harm verwijdert het metalen kapje van de kurk en er komt al wat beweging in. Even later vliegt de kruk met een fraaie boog het kanaal in. We drinken de cider als limonade maar dat kan ook want er zit weinig alcohol in. 
Ondertussen proberen we de band van Pepijn's racefiets te repareren. Die was in een sluis onderweg plotseling geknapt. We dachten eerst dat het een stootwil was die kapot knalde. We plakken de band drie keer maar iedere keer is hij daarna op een andere plek opnieuw lek. De band is gaar. We zullen een nieuwe moeten kopen.  

Nu het nog mooi weer is, lopen we langs de sluizen van de sluizentrap naar beneden. Morgen zullen we hier met de boot langs varen. Het is een fenomenaal decor. Al die oude sluizen op een rij in een verstilde warme atmosfeer midden in de natuur. We maken veel foto’s. Alle sluizen staan trouwens aan de benedenzijde open. Dat betekent dat ze voor wij  er in kunnen morgen, allemaal eerst vol moeten lopen. Dat gaat tijd kosten.  

Als we terug komen maken we pizza’s in de oven. We eten die buiten op het bovendek. Pepijn heeft onderwijl ontdekt dat als hij met een pikhaak in de kanaal bodem prikt, er enorme gasbellen naar boven komen. Het is een fascinerend spel. Hij blijft maar prikken. 
's Avonds laat Pepijn aan Harm de muziek horen die hij heeft meegenomen. Hij blijkt meerdere cd’s bij zich te hebben. Ze swingen met veel plezier met z’n tweeën. Ik kan de herrie maar met moeite verdragen en vrees dat die twee wat betreft muziek een verbond hebben gesloten. We douchen daarna alle drie met lekker warm water. Vanmorgen deed de kachel het immers nog niet.
Morgen  gaan we voor het eerst naar beneden schutten. We zijn in totaal 63 meter geklommen in vier dagen. In twee dagen gaan we morgen en overmorgen weer terug naar zeeniveau.

 

Varen in Bretagne            Andere kanalen            Vorige dag            Volgende dag